ACHTER EEN GORDIJNTJE

Meer dan honderd jaar was l’Origine du Monde (1866) van Gustave Courbet te pikant om openlijk te tonen. Pas in 1983 kon worden onthuld dat het werkelijk bestónd....

Op 29 juni 1889 kreeg Edmond de Goncourt een briefje van Antoine de La Narde, die in de Parijse rue Saint-Georges een winkel in chinoiserieën dreef. Edmond, samen met zijn toen al overleden broer Jules bekend van de roddeldagboeken over de Parijse kunstwereld, was een verzamelaar van dat soort curiositeiten. La Narde had weinig opmerkelijke boeken en voorwerpen ontvangen, zodat – noteerde Goncourt in het beroemde dagboek – ‘ik met twee verveelde ogen naar de middelmatige zending kijk’.

Maar La Narde, die graag iets wilde verkopen, toonde hem een uitzonderlijk stuk. ‘Kent u dit’, vroeg hij. Met een sleuteltje opende hij een schilderij waarvan het buitenpaneel een dorpskerk in de sneeuw voorstelde, en waarvan het verborgen paneel het beroemde schilderij was dat Gustave Courbet ooit had geschilderd, L’Origine du monde, een vrouwenbuik met een zwarte, vooruitspringende venusheuvel boven een kierende, roze vagina. ‘Oog in oog met dat schilderij dat ik nooit gezien had’, schreef Edmond in hun gezamenlijke roddeljournaal, ‘moet ik Courbet om vergiffenis vragen: die buik is mooi als het vlees van een Correggio.’

Het vrijmoedige tafereel, niet veel groter dan een halve bij een halve meter, een naakt vrouwenlichaam zonder hoofd, armen of benen, bleef jarenlang verborgen voor het publiek, al sinds 1866 (toen Courbet het heeft geschilderd voor een Ottomaanse diplomaat), tot het meer dan honderd jaar later voor de eerste keer in een museum werd getoond, in november 1988 in het Brooklyn Museum in New York. Pas sinds 1995 is het doek te zien, in de vaste 19de-eeuwse schilderijencollectie van het Parijse Musée d’Orsay.

Het schilderij maakte de vreemdste omzwervingen, het kende bizarre lotgevallen. De ‘pictobiografie’ van Courbets doek is een spannende detective met flitsende verhalen over Turkse baden en harems, over schimmige figuren in goktenten en dure Parijse restaurants, spilzieke vrouwen, oplichters en malafide kunsthandelaren, rijke joodse verzamelaars, nazi-speculanten en stalinistische kunstrovers, psychoanalytici en modieuze schrijvers. Het is een onverkwikkelijke historie, die je weliswaar zo ongeveer bij elk beroemd, geroofd en duur verkocht schilderij aantreft, maar bij L’Origine du monde is het dan wel een iets pikantere geschiedenis.

De Franse kunsthistoricus Thierry Savatier, kenner van de 19de-eeuwse kunst, van het werk van Charles Baudelaire en Théophile Gautier, speurde in het pas verschenen L’Origine du monde – Histoire d’un tableau de Gustave Courbet naar de ontstaansgeschiedenis en ‘het verborgen leven’ van het doek. Hij wil er binnenkort ook ‘een roman voor het grote publiek’ over publiceren.

Het blijkbaar toch nog aanstootgevende schilderijtje heeft wel meer romanschrijvers geïnspireerd: boeken van Michel Boujut (1991), Bernard Teyssèdre (1996), Christine Orban (2000), Serge Rezvani (2000) en Enis Batur (2005), die in Frankrijk gretig worden gelezen.

Auteurs gaan op zoek naar de identiteit van Courbets model, ze noemen de close-up van dat vrouwelijk geslachtsdeel nu eens seksueel bevrijdend en dan weer pornografisch, voor sommigen levert de Origine een smakelijk en spannend verhaal op over pathologische amokmakers of neurotische maniakken die musea insluipen om beroemde schilderijen uit hun spieramen te snijden. Het oog, zegt de spraakmakende expositiemaker en museumdirecteur Jean Clair, ‘zwelt nog altijd bij het zien van dat vrijmoedige tafereel’. Voor velen blijft het een schokkend beeld.

Het is geschilderd voor de in 1831 in Egypte geboren seigneur Khalil-Bey, een in Parijs residerende erotomane Turkse diplomaat en kunstverzamelaar. Hij werd door geletterde mede-minnaars van zijn maîtresse Madame de T. bij Gustave Courbet geïntroduceerd, een provocerend schilder die toen al bekendheid genoot vanwege enkele gewaagde naakttaferelen. Khalil-Bey ging om met de vroegere Reimse spoelster van champagneflessen en femme de feu Marie-Anne Detourbay, beter bekend als Madame de T. of Jeanne de Tourbey. Ze was een wulpse vrouw die met zo ongeveer alle belangrijke mannen in die tijd – in de tweede helft van de 19de eeuw – onder de lakens dook, ook met prins Napoleon. Door de Goncourts wordt ze ‘een meid’ genoemd die denkt ‘een soort Pompadour’ te moeten worden. ‘Ze nodigt schrijvers uit. Men heeft haar ervan overtuigd dat ze kon lezen, dat gelooft ze en ze praat over literatuur.’

Wie is ze, de vrouw op Courbets Origine? Het is vermoedelijk niet die illustere courtisane. Was het de verrukkelijke Ierse Joanna Hifferman, zoals door sommige romanschrijvers wordt gesuggereerd, het liefje van James Abbott McNeill Whistler en zijn vriend Courbet? Misschien was het een schildersmodel, een straathoer, een onbekend gebleven ondeugende dame. Wellicht, misschien wel de meest aannemelijke theorie, was het doek geschilderd naar een van de vele pornografische foto’s die in die tijd stiekem werden verkocht en waarvan er heel wat in Courbets atelier zijn teruggevonden.

Het zou kunnen; we weten het niet. In elk geval verborg Khalil-Bey zijn schilderij. In de 19de eeuw hield men van geheimpjes, verborgen verhoudingen en avontuurtjes. De diplomaat hing het op in zijn badkamer, achter een groen gordijntje, ‘de kleur van de islam’; hij liet het ‘zijn’ vrouwen zien, soms ook een enkele vriend. Er zijn maar weinig getuigenissen over die tijd – Savatier noemt er enkele. Maar we weten wel dat de kunstverzamelaar Khalil-Bey door de syfilis werd aangevreten, door speelschulden en schuldeisers achtervolgd werd, uiteindelijk naar Turkije terugkeerde en zijn hele kostbare verzameling (waaronder ook Ingres’ Le Bain Turc) verkocht.

Het schilderijtje echter ontbrak op de lijsten van de openbare verkopers, het werd vermoedelijk in het geheim, ‘onder de mantel’, verkocht aan een of andere kunsthandelaar. Het kwam uiteindelijk terecht bij La Narde, die het aan de nieuwsgierige Edmond de Goncourt toonde. Het zou in bezit zijn geweest van de procureur Ernest Pinard, de hypocriete openbare aanklager in zedenprocessen tegen Flaubert en Baudelaire; misschien werd het eigendom van een zekere madame Vial, die vermoedelijk bij Courbet een schilderijtje bestelde om het scabreuze tafereel te verbergen. Enfin, na veel omzwervingen kwam Le Château de Blonay, zoals het doek of althans het buitenpaneel nu was getiteld, in bezit van de Hongaarse baron Ferenc Hatvany en verhuisde L’Origine du monde, verborgen onder een decent ‘kerkje onder de sneeuw’ of ‘kasteeltje in de winter’, eerst naar Hatvany’s Parijse appartement en later naar Boedapest. Hatvany had een indrukwekkende verzameling, maar Courbets meest ophefmakende schilderij verborg ook hij angstvallig in een aparte kamer. Het landschapje verkocht hij aan zijn landgenoot, baron Mór Lipót Herzog; dat hangt nu in een Hongaars museum.

Tijdens de oorlog bracht de joodse Hatvany zijn kunstschatten in veiligheid bij een Hongaarse bank, waar ze later door Hongaarse collaborateurs werden geconfisqueerd. Courbets meesterwerk verhuisde na de bevrijding naar een depot ‘achter Stalins IJzeren Gordijn’. Het schilderij keerde pas in 1950 terug naar Parijs. Het werd vermoedelijk door Hatvany, die de oorlog had overleefd, teruggekocht. In 1955 werd het volgens benepen of schijnheilige kunsthandelaren ‘onverkoopbaar tafereel’ weer heimelijk doorverkocht, dit keer aan de beroemde Parijse psychoanalyticus Jacques Lacan. Ook hij verborg het schilderij achter een zuinig gordijntje, ‘want dat wekt de nieuwsgierigheid op’. Hij had het op aanraden van en voor zijn vrouw Sylvia Maklès gekocht, de vroegere vrouw van schrijver, filosoof en dichter Georges Bataille, ‘de ex-vrouw van de ex-minnaar van Dora Maar’.

Lacan, die Maar na haar brouille met Pablo Picasso behandelde, bewaarde ‘zijn fetisj’ in zijn buitenverblijf in Guitrancourt nabij Parijs, waar hij op zondagen ging schrijven; maar geregeld werd het schilderijtje ook in zijn Parijse kabinet opgehangen.

Zijn vrouw bestelde bij haar zwager, de surrealist André Masson, een paneeltje om het aan het zicht te onttrekken, ‘want eenvoudige mensen begrepen zoiets niet’. Geregeld echter werd het doek tijdens een schertsvertoning, bij Parijse intellectuelen bekend geworden als ‘Lacans ceremonie’, aan vrienden getoond – aan Picasso, Marcel Duchamp, Marguerite Duras, Claude Lévi-Strauss en andere genodigden ten huize van de mondaine Lacans. In zijn colleges sprak de Freudiaans georiënteerde Lacan echter nooit over zijn Courbet; hij schreef er ook niet over.

Pas in 1967 verscheen in een boek een reproductie; René Magritte maakte een kopie. In een videofilm onthulde de schrijver Philippe Sollers zestien jaar later het bestaan van de Origine. Sindsdien is het schilderij door vele kunstenaars, van Duchamp tot Orlan, geparafraseerd. Het werd een icoon. Maar was het nog schokkend?

In 1994 nog, toen Jacques Henric voor de omslag van zijn roman Adorations perpétuelles het meesterwerk van Courbet koos, brak in Frankrijk de pleuris uit. Het boek werd uit de schappen gehaald. Toen na veel gehakketak over erfenisrechten en na een regeling met de erven het schilderij in bezit kwam van het Musée d’Orsay, werd een plechtigheid georganiseerd waarop ook de Franse minister van Cultuur Philippe Douste-Blazy een toespraak hield. Die liet zich echter niet naast het schilderij fotograferen; dat had zijn godsvruchtige kiezers in zijn geboorteplaats Lourdes kunnen choqueren. L’Origine du Monde hangt nu tussen andere Courbets in het museum, achter een dun gordijntje van glas. Alleen schrijvers buigen zich over dat pikante schilderij, of een enkele keer nog eens een in morele en seksuele zaken verdwaalde en verwarde geest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden