Column

Aangeboren pech dat ik niet achteruit kan rijden

Waarom zijn andere mensen totaal niet onder de indruk van achteruitrijders?

Achteruitrijders onder elkaar doen net alsof dat allemaal heel normaal is. Beeld anp

Ik kan niet achteruitrijden. Nog geen meter. Ik zit vaak naast mensen die wel heel goed achteruit kunnen rijden. Ik noem Fred, vriend en bassist, die twee jaar geleden, om een weddenschap te winnen, achteruit van Amsterdam naar Leiden reed. Als Fred en ik aankomen bij een theater, dan stap ik uit en kijk ik hoe hij achteruit, met alleen maar zicht in de buitenspiegels, tot op de millimeter nauwkeurig langs betonnen paaltjes zwenkt.

Ik wil dan applaudisseren, maar het vreemde is dat andere mensen helemaal niet onder de indruk zijn. Achteruitrijders onder elkaar doen net alsof dat allemaal heel normaal is, met 40 kilometer per uur achteruit door een wildvreemd Italiaans dorpje rijden, op zoek naar een bepaald worstje.

Bijna alle achteruitrijders doen het in dezelfde houding. Een hand lekker losjes aan het stuur, de andere hand in de nek van de vrouw of de man naast hen. Eigenlijk hoort er een sigaret bij. Nekken als schildpadden hebben ze. Zo ver ben ik inmiddels, dat ik denk dat het aan mijn nek ligt. Het is aangeboren, mijn niet achteruit kunnen rijden. Domme pech.

Als ik achteruit wil kijken kom ik qua zichtlijn ongeveer tot het asbakje in mijn dashboard. Verder niet. Fred, daar hebben we hem weer, rijdt achteruit met de nek van E.T. Als hij mij thuis afzet, zegt hij heel zachtjes 'home', vlak voordat hij, op volle snelheid, achteruit, tussen twee rijen geparkeerde auto's door, mijn straat weer uit rijdt.

Tot zover het horizontaalachteruitrijden. Mijn grootste angst is achteruit moeten rijden op een bergweg. Ik sta liever, overgoten met honing van een vijandelijke kolonie, tussen een bijenfamilie. Ik aai liever een dwerg. Ik kan niets engers bedenken dan een bergweg. Ik rijd daarom om bergen heen, als er geen tunnel is gegraven. Dat kan ik trouwens wel heel goed, tunnel rijden.

Dit is waar ik bang voor ben. Ik rijd in een kleine middenklasser tegen een Italiaanse berg op. De weg vernauwt zich. Het is zes uur 's ochtends. Ongeveer op 1.400 meter hoogte, de vuisten wit om mijn stuur, hoor ik iemand toeteren. Het is een massieve toeter. Alsof heel Italië tegelijk gaat schaften. Ik neem, tegen beter weten in, de bocht en sta tegenover een Poolse trucker.

We kijken elkaar aan. Zijn stuur is net zo groot als mijn kofferbak. Hij doet iets met zijn hand. Ik moet naar achteren. Ik doe ook iets met mijn hand, hangend in een hoek van 36 graden. John de Mol verzint dit soort programma's. De Hellingproef. De Pool reageert niet. Daar staan we.

Ik probeer hem met gebaren uit te leggen dat het allemaal aan mijn nek ligt en aan mijn vader en moeder en dat het gewoon even heel slecht uitkomt, achteruitrijden, want ik moet vooruit. Weer dat gebaar. Mijn vriendin zegt: 'Hij heeft voorrang. Hij komt van boven.'

Daarna de tirade. Waarom heeft in Italië altijd alles van boven voorrang, met hun zwarte haar en die kutpasta? Na minutenlang getier weer dat gebaar van de Pool. Ondertussen leest hij een tijdschrift. Ik laat mijn auto heel langzaam achteruitrollen. 'Zo kom je niet goed uit', zegt mijn vriendin.

Een minuut later zit ik naast haar en doe ik net alsof ik iets aan de binnenkant van mijn portier repareer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden