InterviewJe kunt het maar één keer doen

Aagje over haar moeder in het ziekenhuis: ‘Er léék niks dood’

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid nemen kan op veel manieren: hóé je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Beeld krista van der NIet

Selma Schepel (66, kunstenaar en schrijver) overleed op 20 november 2015 als gevolg van een verkeersongeluk. Ze had twee dochters, Eliane de Vilder (48) en Aagje de Vilder (46, verpleegkundige), en vier kleinkinderen.

Aagje: ‘Om half twaalf ’s nachts ging de telefoon op de vaste lijn. Mijn man gaf mij de hoorn en zei dat het de politie was. De agent vertelde dat mijn moeder met de fiets gevallen was en een hersenschudding had. Hij noemde de naam van het streekziekenhuis waar ze naartoe was gebracht, ik moest zelf maar even bellen. Ik kreeg een secretaresse van het ziekenhuis aan de lijn die zei dat de dokter nog bezig was met mijn moeder en dat ik over een kwartier terug moest bellen. Ondertussen belde ik mijn zus. Een kwartier later sprak ik een verpleegkundige die vertelde dat mijn moeder daar niet meer was. Ze las voor uit het dossier dat mijn moeder iets na zeven uur een fietsongeluk had gehad waarbij ook een andere fietser betrokken was. Toen ze werd binnengebracht, was ze nog bij bewustzijn. Omdat ze wat verward overkwam werd besloten een CT-scan te maken. De neuroloog zag op de beelden dat ze een midline shift had, zwellingen en bloedingen in haar hersenen. Ze is per ambulance naar het ziekenhuis in Alkmaar gebracht om daar een spoedoperatie uit te voeren. Om half een ’s nachts kwamen mijn zus en ik bij het ziekenhuis aan.

We liepen door de gang en ik zag plotseling de naam van mijn moeder op de deur van een wachtkamer staan. Met stift erop geschreven. Ik schrok, want een familiekamer krijg je alleen als je zware gesprekken moet voeren. We werden opgehaald door een verpleegkundige en liepen achter haar aan de intensive care op. Ze stopte bij een bed en zei: ‘Hier ligt jullie moeder.’ Mijn zus en ik keken naar de vrouw, keken elkaar aan en zetten geen stap dichterbij. We zeiden tegelijk: ‘Dat is niet onze moeder.’ De verpleegkundige zei dat het echt onze moeder was. Mijn zus bleef verstijfd staan. Ik liep op de vrouw af en ik ging aan de rechterkant van het bed staan. Ze hadden haar hoofd voor de helft kaal geschoren. De andere kant was roze van de chloorhexidine om haar te desinfecteren. Haar gezicht was enorm gezwollen en ze had blauwe plekken op haar kin. Ik herkende haar niet. Toen ik naar haar hand keek, zag ik haar ring. Ik herkende ook haar werkhanden; ze werkte altijd in de tuin. Het eerste wat ik tegen mijn moeder zei, was: ‘Doe je ogen maar open, we zijn er.’ De verpleegkundige vertelde wat haar EMV-scores waren en dat ze geen pupilreflex had. Omdat ik verpleegkundige ben, wist ik eigenlijk al dat dat hersendood betekent. Maar ik besefte het nog niet. De intensivist kwam om te vertellen dat we mochten slapen in het familiehuis naast het ziekenhuis en dat we de volgende ochtend om negen uur weer werden verwacht.

Selma en Aagje.Beeld Privéfoto

Het werd een korte nacht, want we konden helemaal niet slapen. De volgende ochtend gingen mijn zus en ik al heel vroeg naar de winkel. Onze moeder had natuurlijk niks bij zich, dus we kochten handcrème, onderbroeken, tandpasta, alles. We werden door de neurochirurg en verpleegkundige opgewacht in de kamer waar haar naam op stond. De chirurg zei dat we op het bankje konden plaatsnemen. Ik zag dat bankje en kende die gesprekken maar al te goed. Als ik daar ga zitten, dacht ik, dan krijg ik het te horen en dat wil ik niet. Dus ik zei: ‘Gaan jullie maar op dat bankje zitten.’ De arts en de verpleegkundige gingen op het kleine bankje zitten en ik bleef staan. De chirurg zei: ‘Jullie moeder gaat het niet redden.’ En de zin die er achteraan kwam was: ‘Wat willen jullie doen met haar organen?’ We mochten er nog even over nadenken.

Mijn moeder was inmiddels verplaatst naar een klein kamertje. Ze lag aan de beademing en aan allerlei apparaten. In haar donorcodicil stond dat haar dochters mochten beslissen. Ze wilde altijd graag het goede doen. In de omgekeerde situatie, als wij een orgaan hadden kunnen krijgen om mijn moeder te redden, hadden we het ook aangenomen.

Hersendood is iets heel vaags. Ze was warm, ze ademde, ze plaste. Er léék niks dood. Als haar lichaam met alle toeters en bellen naar de operatiekamer was gegaan, had ook het hart getransplanteerd kunnen worden. Maar wij besloten om voor de Donation after Circulatory Death-procedure te kiezen. Dat hield in dat de machines werden stopgezet, zodat ze uit zichzelf doodging. Na onze beslissing veranderde de zorg voor mijn moeder in de zorg voor de organen. Er werden heel veel onderzoeken en testen gedaan om te kijken wat er bruikbaar was. Bloedafnames, bakken vol, om te matchen met de ontvangers. Dat was heel pijnlijk om te aanschouwen, maar ik wou niet weg, ik liet haar niet meer alleen.

Er werd een tijd afgesproken, onze gezinnen kwamen. De tube werd eruit gehaald en de machines gestopt. Mijn moeder ging inderdaad zelf dood, heel snel, het was een kwestie van minuten. Dit was ons moment om afscheid te nemen, want nu was ze pas dood. Maar achter het raam stond het uitnameteam al klaar en ze werd heel snel weggereden naar de operatiekamer. Wij bleven verslagen achter in dat kamertje. We zijn maar gaan wandelen, totdat we uren later een belletje kregen dat ze met haar klaar waren. Wij stonden te wachten toen we een bed zagen aankomen met een laken over het gezicht. Ik sloeg het laken opzij en ze was ijskoud, witter dan wit. Ze ging weg als mijn moeder, ze kwam terug als een lijk. We werden heel respectvol behandeld, daar niet van, maar dat maakt het niet mooier.

Heel lang heb ik me schuldig gevoeld omdat ze in het eerste ziekenhuis alleen was. Ik kon me zo goed voorstellen hoe ze daar stilletjes en verward heeft gelegen, wachtend op de onderzoeken, wachtend op haar dochters. Ze heeft daar afscheid genomen van vreemden. Ik weet dat ik daar niks aan kon doen, ze hebben ons niet gebeld. Ze had in haar jaszak een portemonnee zitten, voorin stond wie in geval van nood gebeld moest worden. Mijn zus als eerste, ik als tweede. De jas is kwijtgeraakt in het eerste ziekenhuis, waardoor we pas zes uur na het ongeluk zijn gebeld. De uitkomst zou niet anders zijn geweest, dat ze dood zou gaan was onvermijdelijk. Maar het heeft mijn zus en mij oneindig veel verdriet gedaan dat we geen afscheid hebben kunnen nemen. Mijn zus was naar een vergadering en ik lag gewoon te slapen.

Twee weken geleden was ik een patiënt aan het voorbereiden voor een operatie. Terwijl ik hem een infuus gaf, vertelde hij me dat hij in 2015 een nier had gekregen. Na het overlijden van mijn moeder ontvingen we een brief waarin stond dat haar nieren gedoneerd waren aan twee mannen, veertigers. Ik vroeg mijn patiënt niet naar de exacte datum. Het enige wat ik hem heb gevraagd is: ‘Hoe gaat het met je sinds je die nier hebt gekregen?’ Hij zei met een mooie lach: ‘Het gaat heel erg goed met me.’ Dat was genoeg. Het ging niet langer meer om mijn verdriet, het ging nu om hem. Ik kon verder. Nu is het goed.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden