Interview Tom Lanoye

60 jaar Tom Lanoye, 40 jaar schrijver: een oeuvre-omspannende terugblik

Tom Lanoye is er de man niet naar om zijn 60ste verjaardag – en 40 jaar romans, gedichten en optredens – bescheiden te vieren. Spotlights! Dus is er een tour, een expositie, een feestboek – en hier een oeuvre-omspannende terugblik. 

Tom Lanoye. Beeld Aurélie Geurts

Het eerste interview dat Tom Lanoye ooit gaf, was er eentje op eigen initiatief. Als volkomen onbekende student, afmeting Napoleon, met vetkuif en een brilletje, liep hij de redactie van De Morgen op die destijds was gevestigd in De Vooruit in Gent, en zei: ‘Ik ben dichter en ik wil een interview.’

Dat vonden de journalisten zo grappig dat ze hem dat interview nog afnamen ook. Op 11 maart 1981 stond er een stuk in de krant over de optredens van de jonge Tom Lanoye & James Bordello, pseudoniem van zijn vriend Peter Roose, die zich de wereld in katapulteerden als ‘de Laatste Twee Grote Poëtische Beloften van Net Voor de Derde Wereldoorlog.’

Het correct spellen van de naam van de zelfverklaarde dichter bleek in het allereerste interview nog een opgave. ‘Tom Delannoy’ ging het publiek ‘te lijf’ met zijn opgewonden performance en debiteerde wijsneuzigheden als: ‘Vroeger zat een dichter jaren op zijn kamertje verzen te maken, en na vele jaren kon hij op zoek naar een uitgever. Dankzij de fotokopie is dat veranderd. Wij hebben meteen elk een bundel uitgegeven en drie posters.’

In zijn grote, statige huis in Antwerpen – voor de deur knarst de tram door de lange straat en spelen twee jongetjes met keppeltjes op en in de verzengende zomerzon – buldert Lanoye van het lachen. ‘Zo was het! Na het stuk in de krant verkochten onze gefotokopieerde bundeltjes onmiddellijk vele malen beter. Dus ik ben later niet meer van die koers afgeweken. De nv Lanoye vaart nog altijd wel bij gewenste publiciteit.’

Tom Lanoye, slagerszoon met brilletje, de eeuwige jongeling van de Vlaamse letteren, wordt op 26 augustus 60 jaar. ‘En ik ben veertig jaar schrijver, én ik ben dertig jaar samen met René, mijn grote liefde.’

Lanoye zou dat nooit met stille trom voorbij laten gaan. ‘Een bescheiden feestje? Néé, in de spotlights!’ Er is een feest in de Bourla Schouwburg in Antwerpen en een expositie in Gent, Het vlees werd woord. Er komt een tour langs de podia van de Lage Landen, Jubilee Lanoye, en er verschijnt een groot feestboek vol materiaal uit de talloze kartonnen dozen van zijn persoonlijk archief: Groepsportret met brilletje.

Groepsportret – de titel luidt zo omdat Lanoye ook alle mensen om zich heen wil eren die er tijdens zijn leven voor zorgden dat hij werd wie hij is: van zijn ouders, familie, vrienden en geliefden tot collega’s en acteurs die in zijn toneelstukken en fameuze herwerkingen van klassieke auteurs hebben gestaan – opent met het interview dat hij zelf zo schaamteloos instigeerde. Daarvóór staat in jongenshandschrift op een blocnotevelletje te lezen: ‘Het eerste wat ik nodig heb is een bestelwagen.’ De latere beginzin van zijn debuutroman Alles moet weg.

‘Gezonde ondernemerszin’, zegt Lanoye nuchter. ‘In het weekend trad ik op in tuxedo in de horecazaken van mijn broer. A small town Tony Soprano in Sint-Niklaas. In de week trad ik op in Gent, met een kuif van brillantine. Van begin af aan wilde ik schrijven én optreden. Het een bestaat niet zonder het ander. En ik wilde ervan leven. Ik wilde niet, wat voor alle Vlaamse schrijvers, exclusief Hugo Claus en Jef Geraerts, gold: je was schrijver in bijberoep. Je was leraar, bibliothecaris of priester en deed het schrijven erbij.’ Lacht. ‘Alleen de laatste professie heeft vanwege de zingende knapenkoren nog iets aantrekkelijks. Tot mijn 26ste ben ik als kelner blijven werken. Pas na Alles moet weg raakte ik daar vanaf. Na mijn 30ste kon ik van mijn schrijverschap bestaan.’

De ondernemerszin zit bij Lanoye in de familie. Hij groeide op als de jongste zoon van een beenhouwer in Sint-Niklaas, een provinciestad tussen Gent en Antwerpen. Ook zijn grootvader, die niet ontoepasselijk Noë heet, was al beenhouwer in Torhout. ‘Den dikken beenhouwer.’ Er bestaat nog een foto van deze stamvader naast een opgesneden varken aan de haak. ‘Mijn ouders ruzieden erover hóé zwaar Noë was. Mijn moeder schatte hem op 135 kilo. ‘José toch!’ riep mijn vader dan, ‘hij was net zo groot als onze Tom, dan is 120 is al veel!’ Maar ik denk dat mijn moeder gelijk had.’

Daarop leest Lanoye, van achter de laptop waarop de drukproeven van Groepsportret zich beeld voor beeld en tekst na tekst ontrollen, de historische aankondiging van de zaak van grootvader Noë voor met de stem van een stadsomroeper: ‘Komt zien en Oordeelt! Ik ondergeteekende laat het geëerd publiek weten alsdat ik van heden af; geene twee steden wel kunnende bedienen; de markt van Brugge zal laten en mij hier geheel en gansch aan de verkoop op Thourout en omliggende zal toeleggen. Steeds zal ik voorzien zijn van eerste klas Koeivleesch, zoowel braadvleesch als vleesch voor te koken, ’s Winters en ’s Zomers, van eerste klas Kalfsvleesch zoowel van de bille als van de schoere Nierstukken en Fricassée; ik ben ook voorzien van Zwijnenvleesch, zooals Schoerkorteletten scheljes uit de Hesp en Filée….’ Hij haalt adem… ‘Ik zal dit alles al de dagen der week zoo goedkoop mogelijk in mijn huis uitverkoopen. Door mijn goede waar en mijne genadige prijzen, verhoop ik de gunst van eenieder, want mijn spreekwoord is: Goed waar prijst zichzelve / Vele kleintjes maken een groot.’

‘Voila’, zegt Lanoye, ‘ik heb het van geen vreemde. Daar hoef ik geen letter aan de veranderen. Deze tekst van mijn grootvader vormt het bewijs voor hoe ik naar de wereld kijk: alles is theater.’

Zo heeft hij ook altijd de slagerij van zijn ouders beschouwd. ‘Mijn vader weigerde om de winkel te sluiten over de middag. We hadden een deur met een gordijntje – alsof het de coulissen betrof – waardoor hij kon zien wie er binnenkwam als de winkeldeurbel ging. De terreur van de bel! Ik sliep er vlak boven. Vanaf halfzeven kon-ie gaan. Ik heb dat ding gehaat. Als we ’s middags zaten te eten, en de bel ging, begon mijn vader hartgrondig te vloeken. Vooral als hij zag dat het weer die alle-tijd-hebbende officiersweduwe was die uitgerekend dán haar half pond worstjes kwam kopen. Maar als hij dan de winkel betrad, was hij een en al vriendelijkheid. Met een allerbeminnelijkste glimlach vroeg hij de weduwe hoe het was met haar ontstekende voet en haar artrose. Dat is het theater waarin ik ben gevormd.’

De liefde voor het echte toneel had hij van zijn moeder, amateuractrice en levensdiva, die zich had moeten neerleggen bij haar lot: haar man alle dagen helpen in de beenhouwerij en haar vijf bloedjes van kinderen opvoeden. ‘Toen ik tien jaar was stond ik voor het eerst op toneel. Met mijn moeder. Zij speelde de hoofdrol, ik mocht twee zinnetjes zeggen in Mijn zonen allemaal van Arthur Miller, een van de allergrootste toneelschrijvers. Toen ik zelf voor toneel ging schrijven, heb ik vaak moeten denken aan Millers uitspraak dat een schrijver nooit precies weet hoe een zin zal overkomen. Je moet zinnen schrijven die interpreteerbaar blijven, zodat acteurs die leven kunnen inblazen. Elke keer als ik Els Dottermans, Jan Decleir of Wim Opbrouck hoorde voorlezen uit Ten Oorlog sprong mijn hart op.

‘Overigens zei mijn moeder, nadat het doek was gevallen, het applaus wegstierf en zij op toneel bij mij neerknielde: ‘Niet slecht. Maar ge moet echt beter leren articuleren, of er komt niets van u terecht.’’

Lanoye kan zich geen moment herinneren dat hij zich géén schrijver waande. ‘Er is wel een moment dat ik me kan herinneren waarop ik dacht: ik moet er nu aan werken om het ook echt te worden.’ Dat moment volgde op de blindedarmoperatie waarover in Kartonnen dozen (1991) wordt verteld. ‘Zoals het daar staat, zo is het ook gegaan. Ik kwam terug uit Griekenland met een gebroken hart. De liefde die ik begeerde, kon niet bestaan. Ik was lovesick, totaal wanhopig en kreeg een acute blindedarmontsteking – ik ben er nog altijd van overtuigd dat die psychosomatisch was. Mijn blindedarm werd er onmiddellijk uit gehaald. Toen ik bijkwam uit de narcose, heb ik, nog half verdoofd, aan de verpleegster iets gevraagd. Speciaal voor dat moment had ik een mop voorbereid.’

Dit staat in Kartonnen dozen: ‘Er is maar één ding dat ik nodig heb, murmelde ik. En dat is? vroeg ze, haar hoofd schuin houdend. Zij en haar collega stopten even met werken. Ik wil mijn kind zien, zei ik. Voordat jullie het wegsmijten. Het duurde even voor het doordrong. Toen gierden ze het uit. Je zou het allemaal moeten opschrijven, zei de een, terwijl ze samen naar buiten gingen.’

Tom Lanoye. Beeld Aurélie Geurts

‘Herstellende van de operatie heb ik gevraagd: neem boeken mee. En ben ik woest gaan lezen en pastiches beginnen schrijven. Eentje hebben we in de archiefdozen teruggevonden. ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ werd onherstelbaar verbeterd tot ‘Marc stapt met het verkeerde been uit bed’. Toen ben ik echt aan mijn schrijverschap gaan werken.’

De liefde voor het lezen was al aangewakkerd door de lessen die Tom op het Sint-Jozef-Kleinseminarie in zijn geboorteplaats kreeg van de in Vlaanderen wereldberoemde priester-dichter Anton van Wilderode, pseudoniem van Cyriel Paul Coupé. In Kartonnen dozen wordt Van Wilderode opgevoerd als Mussolini.

‘Hij opende voor mij de poort naar de pot met goud. De Humaniora, zoals het gymnasium heette bij ons, bood een intellectuele opvoeding, niet alleen een voorbereiding op de arbeidsmarkt. Dat vind ik nog altijd heel schoon. Een docent zou niet te veel moeten nadenken over de leefwereld van de jongeren. Je moet iemand hebben die zegt: luister, je gaat het niet helemaal begrijpen, maar het is fantastisch. En die je vervolgens voorleest uit De verwondering van Hugo Claus, Het slot van Kafka, Schuld en boete van Dostojevski of Hoe het groeide van Knut Hamsun, de Nobelprijswinnaar die verzot was op Hitler. Van Wilderode had curieuze voorkeuren, hij meed Louis Paul Boon en Reve, ik verfoeide zijn nationalisme, maar dat donderde niet. Met de literatuur sloeg hij me ondersteboven.’

Nadat Lanoye Sint-Niklaas had verlaten en in Gent was gaan studeren, ensceneerde hij zichzelf als punker op de planken. ‘Rock-’n-roll-Hamlet! Ik zette mij theatraal af tegen de beeldtaal van de burgerman – tegen jas, das en aktentas – en tegen de gevestigde schrijvers van dat moment. Er was nood aan een nieuwe generatie. Die vóór ons was oersaai.’

Lanoye zag er niet tegenop om de Grote Namen te provoceren. Rozegeur en maneschijn, een bundeltje ‘helse kritieken’ opent met een afdeling hekelgedichten waarin regels staan als: ‘Hugo Claus! Ofschoon ik u bewonder / Zònder u voel ik mij veel gezonder’ en ‘Ik geef toe dat het leven vol Leed is / Maar van De Coninck krijg ik diabetes’. Met een knipoog naar het pamflet De Nieuwe Revisor van Jeroen Brouwers toeterde Lanoye: ‘Kome er: Vuilnis, kome: Lelijkheid! / Weg met het fatsoen! Gedaan met het gezeik!’

Hij grinnikt. ‘Daar sta ik allemaal nog voor de volle honderd procent achter. Ik wilde me afzetten, maar wel op een swingende manier. Het was de tijd van de punk – dus zo deed je dat. Het probleem van veel punkers is dat ze erin zijn blijven hangen. Ze namen het te serieus. Kijk naar Johnny Rotten: die is jarenlang blijven optreden als een lelijke, schreeuwende ouwe tante, terend op de reputatie van weleer.’

Een nieuw tijdperk kondigde zich aan. Net als Herman Brusselmans, die andere jonge God uit de Vlaamse letteren, was Lanoye mediageniek. Ze beperkten zich allerminst tot hoogdravende onderwerpen. Hun werk en performance had niets ingetogens of academisch. ‘We gingen totaal anders om met het schrijverschap. Overigens kende ik Herman van de Universiteit. Ik bezocht nooit een collegezaal, hij zat altijd op de eerste rij. Hij was stomdronken maar wekte op de een of andere manier de indruk dat hij luisterde. Misschien was dat ook wel zo – hij weet altijd alles. Als ik moet weten of een boek echt iets waard is, bel ik Herman. Hij heeft het steevast gelezen.’

In 1985, toen zijn eerste roman verscheen, Een slagerszoon met een brilletje, had Lanoye de punk al weer achter zich gelaten. Zijn debuut was het bewijs dat er een echte schrijver in hem school. In de roman vroeg hij zich hardop af: hoe kun je een gelukkige jeugd van je afschrijven? ‘Door dat niet te doen’, zegt Lanoye. ‘Door die jeugd te omarmen en te evoceren. Ik begrijp dat sommige schrijvers hun carrière hebben gebouwd op het weerstreven van hun familie, het afbranden van hun verwekkers. Dat heb ik niet te hoeven doen.’

Zes jaar later, in Kartonnen dozen, werd zijn talent als romanschrijver nog eens bevestigd. ‘Ik ben er fier op dat het een emancipatorisch boek is. Niet omdat het zo is geschreven – het laat het gevecht met de liefde zien, niet met de homoseksualiteit – maar omdat het zo bevrijdend heeft gewerkt.’

‘Je hebt natuurlijk mannen en vrouwen die op hun 55ste ontdekken dat ze van de Griekse beginselen zijn. Ik heb er alle begrip voor, maar ik kan het niet plaatsen. Ik wist zolang ik kon denken en voelen dat ik op jongens viel. 22 jaren telde ik al, toen ik van plan was om mijn coming-out te beleven. Toen sloeg het noodlot toe. Op 15 december 1980 raakte mijn broer Guy met zijn auto van de weg af en reed tegen een boom. Zijn dood was een splinterbom in heel de familie. Mijn moeder raakte in een diepe depressie. Toen heb ik mijn mededeling een paar jaar uitgesteld.’

In Groepsportret staat een interview uit 1989 dat Lanoye zijn eigen ouders afnam. Tegen het eind van het gesprek vraagt Lanoye aan zijn ouders of ze, als ze hadden kunnen kiezen, opnieuw vijf kinderen zouden willen.

Pa: ‘Ik weet niet…’

Ma: ‘Vijf kinderen zijn mij nooit te veel geweest, ze zijn elk met veel liefde aanvaard. Maar precies daarom: er één moeten afgeven, dat is zwaar. Als ik op voorhand zou weten dat ik er één ging verliezen, dan koos ik er nu voor geen.’

Lanoye is even stil en zegt: ‘Dan houd ik zó van mijn moeder. Dat zij dat durft te zeggen, in alle eerlijkheid. Maar het is ook hard, om tegen een zoon te zeggen. Dan ken je je plaats toch weer. En ik weet ook weer waarom ik zo draalde om haar mijn geheim te vertellen, waarvan ik wist dat het haar zou schokken.’

‘Na de dood van mijn broer had mijn moeder haar heil gezocht bij het spiritisme. Dat heeft haar, en daarna ook mijn vader, erbovenop gekregen. Whatever it takes om de absurditeit van het bestaan enigszins terug te kunnen dringen, seance na seance. Voor mijn coming-out heb ik – je kan zeggen dat het gemeen is, of je kan zeggen dat ik veel heb geleerd van mijn moeders eigen wijze om haar omgeving moreel te chanteren – de aanwezigheid van die spiritiste gebruikt. Ik wist dat mijn moeder, als dat mens erbij was, geen stennis zou durven maken. Het decorumverlies voor mijn moeder om haar demonen te laten botvieren was te groot geweest – dat zou ze nooit doen. Zo ondergroef ik vast de emotionele storm die er moest komen.’

Twee weken voor zijn ouders met pensioen zouden gaan en de beenhouwerij definitief zou sluiten, vond er een barbecue plaats bij het buitenhuisje van de familie, in aanwezigheid van het medium. Daar deed hij rustig zijn mededeling. ‘Mijn moeder keek naar mij, dan naar het medium en ze knikte. Ze doorzag de constructie, en incasseerde. ‘Dan is het maar zo’, zei ze. Ze beende weg en begon wel opnieuw te roken, echt meteen.’

‘Ik wist dat de strijd nog niet gestreden was. Een paar dagen later belde ze me op. Wat ze zei was zo gemeend, zo hilarisch, zo hard. De dialoog heb ik woordelijk opgetekend in de roman Sprakeloos.

Zij: ‘Uw vader en ik hadden het bij vier moeten houden. Mijn lijf was al te oud bij u.’

Ik: ‘Wablief?’

Zij: ‘We waren nog zo blij dat ge normaal waart en geen mongooltje.’

Ik: ‘Ach zo. En nu voel je je toch nog bedot?’

Zij: ‘Met een mongooltje valt ge minder in affronten dan met iemand zoals gij.’

‘Normaal moet je na zulke woorden de band met je verwekker doorknippen. Maar ik realiseerde me al meteen dat ik alleen pijn te horen kreeg. Ze gebruikte wat ze het beste kende als amateuractrice. De boventoon was belediging, de ondertoon was pijn. Zij begreep het niet, was zelf opgevoed in het stenen tijdperk. Er was in Sint-Niklaas één zielige, cafédrijvende ouwe valse nicht die op zaterdag een beetje travestie deed en door iedereen werd uitgelachen. Dat was het enige model dat ze voor ogen hadden. Ik voelde ook de pijn dat zij dacht: verdomme, ik heb het eerder gezien, maar niet eerder gezegd. En: waarom heeft híj het niet eerder gezegd? Waarom hebben wij nu pas dit gesprek?

‘Mijn moeder had moeten kiezen na de geboorte van mijn zus, waarbij iets fout was gegaan. Ofwel alles wat vrouwelijk is uit haar binnenste wegnemen, of nog een kind. Dat had de dokter gezegd. Het werd nog een kind – en zo ben ik geboren.

Tom Lanoye. Beeld Aurélie Geurts

‘Het telefoongesprek heb ik haar vergeven. Een paar dagen later ben ik gewoon gaan helpen om samen met mijn broers en zuster de slagerij op te doeken en het huis uit te ruimen. Mijn moeder zweeg erover. Later, toen zij – en ook dit had ik vernuftig geënsceneerd – mijn eerste lief ontmoette, bleek zij aan hem geen weerstand te kunnen bieden. Voor ze het doorhad stond ze met hem ingespannen te praten over het toneel en gaf hij haar bij het afscheid een kus op de wang. Ze besefte meteen hoe de vork aan de steel zat. Zonder morren. Met mijn tweede lief, nu mijn man, kon zij ‘klappen en breien’.’

Schaamte flakkerde nog één keer op: toen Tom Lanoye en René Los zich op 20 januari 1996 in het stadhuis in Antwerpen als eerste mannelijke koppel lieten registreren als partners, met rollende camera’s erbij. Een gebeurtenis die onmiskenbaar heeft bijgedragen aan de acceptatie en latere invoering van het homohuwelijk in België. ‘Toen dat stond te gebeuren, belde mijn moeder ’s nachts op: ‘Moet ge daar nu per se weer de eerste mee zijn? Is het al niet erg genoeg dat ge zo zijt, dat ge het ook nog eens van de daken wilt gaan schreeuwen?’

‘Ik doe gewoon wat je me geleerd hebt. Ik vecht voor mijn recht.’

Voorafgaand aan de ceremonie ontvingen zijn ouders beledigende telefoontjes. Zijn moeder belde: ‘Hebben jullie dat ook?’

‘Ik zei: ‘Er wordt hier aan de deur aangebeld, en als ik open doe, schelden ze me uit voor alles wat smerig is.’

‘Toen ze dat hoorde, veranderde zij op slag in een glorieuze homoactiviste. ‘Niemand raakt aan mijn zoon.’ Tijdens het feest in de foyer van de Bourla mocht de televisie er het eerste kwartier bij zijn. Toen is aan haar gevraagd wat ze ervan vond, waarop ze met haar achteloze May West-air in de camera zei: ‘Als ze maar gelukkig zijn, meneer.’

Zo hebben de jeugd in het Waasland en de aard van zijn ouders, al die zestig jaren en al die veertig jaren schrijverschap diepe sporen nagelaten. ‘Bij mijn vriendjes in Sint Niklaas, begin jaren zeventig, liep de textielindustrie nog op zijn laatste benen. Weefgetouwen stonden tot in de woonkamer. Het werken ging altijd door. Net als bij ons in de slagerij. Het is even moeilijk als je veel optreedt en veel schrijft een scheiding tussen werk en leven te maken. Ik ben altijd een onstuitbare workaholic geweest. Elke paar jaar een nieuwe roman, steeds een nieuw stuk, elk jaar opnieuw op tournee. Dat móést. Voor Ten Oorlog, de bewerking van de Shakespeares koningsdrama’s, heb ik mij van de wereld afgekeerd. Er bestond geen leven náást en dat vond ik fijn: niet leven was het bewijs van mijn inzet.

‘Inmiddels heb ik mij met mezelf verzoend. Ik schrijf ook liever dan vroeger, dan in het begin, toen ik mijzelf onder de benauwde stolp van mijn ambitie zette. Ik zat altijd over mijn eigen schouder mee te kijken en mezelf af te keuren. Ik gaf mezelf met de karwats in plaats van mezelf aan te sporen.

‘De omslag is voortgekomen uit het feit dat mijn moeder aan het einde van haar leven getroffen werd door afasie – en de conclusie die ik uit haar sprakeloosheid heb getrokken: dat ik er niet over ging zwijgen. Dat ik de stilte met mijn stem en mijn pen zal blijven bestrijden.’

Want zo moeten de slotregels van de schitterende roman Sprakeloos, uit 2009, waarin Lanoye het verhaal van zijn moeder vertelde en afscheid van haar nam, worden begrepen: als een aanmoediging aan zichzelf.

‘Nooit meer zwijgen, altijd schrijven, nooit meer sprakeloos. Begin.’

Lanoye slaat zijn laptop dicht, waarop hij tijdens het gesprek door Groepsportret heeft zitten scrollen, tuimelend door zijn eigen geschiedenis. ‘Het is mijn diepste angst: dat mij zal overkomen wat mijn moeder is overkomen. Ik lijk zó op haar dat dat wel mijn lot moet zijn. Sprakeloosheid. Ik zou dat het ergste vinden. Als mij dat treft dan hoop ik dat mijn geliefden mij uit mijn lijden willen verlossen en de dubbelloops ter hand nemen. Tot die tijd leef ik naar de eeuwige opdracht van mijn moeder: er schuilt meer in u, maakt er wat van.’

Tom Lanoye en Anni van Landeghem: Lanoye 60 – Groepsportret met brilletje. Prometheus; 224 pagina’s;  € 60,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.