Frits Kroes (93): 'Als je op de radio hoorde: 'De appelmoes wordt heet gegeten', dan wist je dat het zover was.'

'Na de oorlog was er geen enkele reden meer om over het verzet te praten'

Frits Kroes (93): 'Als je op de radio hoorde: 'De appelmoes wordt heet gegeten', dan wist je dat het zover was.' Beeld Mike Roelofs

Na de oorlog zwegen ze, want Nederland zat niet te wachten op hun verhalen. Nu vertellen vier verzetsstrijders van toen over hun angst voor ontdekking, de vrees voor Duitse represailles en de onlosmakelijke band met geredde geallieerde piloten.

Zo'n 35 jaar geleden maakte mijn vader een autorit langs de prachtige IJssel met zijn enige zusje, mijn tante Nel. 'Er is hier weinig veranderd sinds de oorlog', zei ze op een onbewaakt ogenblik. De verwijzing naar de oorlog verbaasde mijn vader nogal. Met de zakelijkheid die haar eigen was, vertelde ze desgevraagd dat ze vanaf 1943 geregeld van Zwolle, haar toenmalige woonplaats, naar Deventer was gefietst. Als koerierster van het verzet.

'Waarom heb je daar nooit iets over verteld?'

'Dat mocht absoluut niet.'

'Toen niet, maar na de oorlog toch wel?'

'Zeker. Maar na de oorlog was er geen enkele reden meer om over dit soort dingen te praten.'

Voor tante Nel was de oorlog op 5 mei 1945 geen thema meer. En die houding had zij gemeen met miljoenen landgenoten - ook degenen die zwaar hadden geleden tijdens de Duitse bezetting. Het is een terugkerend thema in de verhalen van gerepatrieerde Holocaust-overlevenden: dat zij zwegen over de oorlog en over de dierbaren die toen om het leven waren gebracht. Sommige overlevenden gaven aan eventuele kinderen de opdracht mee om opgewekt in het leven te staan. Wie Auschwitz had overleefd, was het alledaagse leed ontgroeid.

Mensen die fout waren geweest tijdens de oorlog hadden uiteraard ook geen reden om het over die episode te hebben. De overgrote meerderheid van de Nederlanders was hun daarin graag ter wille. Een voormalige leider van het (nationaal-socialistische) Studentenfront vertelde ooit dat hij, na het uitzitten van een gevangenisstraf, weer hartelijk werd onthaald door vrienden die tijdens de oorlog met hem hadden gebroken. 'We koesterden wat ons bond, we zwegen over wat ons scheidde.'

Maar de mannen en vrouwen van het vroegere verzet zwegen dus ook. 'Wij wilden vergeten zijn', zei een van hen, Gerrit Puchinger, naderhand. En de meeste andere Nederlanders wilden hen ook vergeten. 'Bij mijn afstuderen werd mij afgeraden om mijn verzetsverleden te noemen in mijn cv', zegt de vroegere verzetsvrouw Loek Kaspers (93). 'Een verzetsverleden zou de mensen bij wie ik solliciteerde eraan herinneren dat zij zelf geen fluit hadden gedaan tijdens de oorlog.'

Ook oud-verzetsman Frits Kroese (93) heeft kort na de oorlog ondervonden dat een verzetsverleden geen aanbeveling was : 'Mensen die kunnen schieten, hebben we hier niet nodig', werd hem verteld - als reden voor zijn afwijzing bij een sollicitatie. Volgens de 99-jarige Hans Hellendoorn stonden de veteranen van het verzet destijds zelfs als een soort desperado's te boek, die met hun roekeloos gedrag niet-gecommitteerde Nederlanders in gevaar hadden gebracht. Zo beschouwd zijn de Duitsers heel succesvol geweest met hun pogingen om Nederlanders tegen elkaar uit te spelen door elke aanslag met executies van onschuldige burgers te vergelden.

Als zelfs voormalige verzetslieden zwegen over hun verleden - uit bescheidenheid of omdat zij zich door het gros van hun landgenoten niet begrepen voelden - zijn er misschien wel meer mensen actief geweest in het verzet dan de ongeveer 45 duizend (0,5 procent van de bevolking) waar historici van uitgaan. We zullen het nooit weten. Wel staat vast dat aan het collectieve zwijgen pas in de jaren tachtig een eind kwam. En naarmate het aantal ooggetuigen slinkt, wordt steeds vaker een beroep gedaan op hun geheugen, zeker in dit Jaar van het Verzet. Vier van hen vertellen hoe zij tot keuzen zijn gekomen die de meeste Nederlanders niet durfden te maken.

Hans Hellendoorn (99): 'O, wat voelden wij ons genaaid in 1940'

In welke stemming hij verkeerde tijdens de meidagen van 1940? 'Ik was geërgerd', zegt Hans Hellendoorn - destijds officier waarnemer bij de Koninklijke Luchtmacht. 'Eigenlijk is genááid een betere uitdrukking. De regering was tegen beter weten in blijven vasthouden aan de neutraliteitspolitiek. En uiteindelijk moesten wíj, de militairen, daarvan in de meidagen de gevolgen ondervinden.'

Genaaid of niet: Hellendoorn en de andere mannen van zijn eenheid wilden 'graag een pets uitdelen' aan de Duitsers. Zonder enige illusies over de Nederlandse krijgskansen. 'We kregen heel weinig informatie over het verloop van de oorlog. Maar het nieuws dát wij kregen, was weinig bemoedigend.'

Hans Hellendoorn in 2009 Beeld Frank van Biemen

Nederlandse vliegers werden boven de Grebbelinie door eigen troepen beschoten. De geavanceerdste toestellen van de Koninklijke Luchtmacht, de Fokker G.I aanvalsjagers, waren al door de Luftwaffe vernietigd voordat ze konden opstijgen. Hellendoorn zelf maakte in de mei-oorlog twee verkenningsvluchten in een Fokker C.V: een boven De Zilk en een boven Rotterdam. 'Daar was op dat moment nog niet zo veel te zien. Behalve een passagiersschip dat in de fik stond.'

Toen de capitulatie werd afgekondigd, had Hellendoorn nog niet het gevoel dat hij was uitgevochten. 'Mijn eenheid had nog tien toestellen. Daarmee hadden wij nog best wat willen doen.' Twee vliegtuigen deden een, ten dele geslaagde, poging om naar Engeland te ontkomen. 'Wij hebben geprobeerd de resterende toestellen te saboteren, zodat de Duitsers er niets aan hadden. Maar dat mocht niet van de legerleiding.'

Hellendoorn werd gedemobiliseerd, en mocht in de zomer van 1940 - zonder in krijgsgevangenschap te zijn geweest - terug naar huis, in Bilthoven. Hij ging biochemie in Utrecht studeren. Deelde in de verontwaardiging over het ontslag van joodse hoogleraren. En met enkele jaarclubgenoten - leden van Unitas - voorzag hij in de Utrechtse binnenstad enkele gevels van anti-Duitse leuzen.

Als oud-militair werd hij al snel voor serieuzere verzetsactiviteiten benaderd. 'Een beetje inlichtingenwerk. Meteorologische informatie voor de Engelsen.' Hij zocht, en kreeg, een baan bij Centraal Distributiekantoor in Zwolle. In die hoedanigheid kon hij 'onbelemmerd reizen' door het hele land en kon hij, 'zolang het niet te veel in het zicht liep', de illegaliteit aan bonkaarten helpen of aan sleutels waarmee zij zichzelf toegang kon verschaffen tot distributiekantoren.

Hans Hellendoorn rond 1940 Beeld RV

Later in de oorlog organiseerde hij, als leider van een eenheid van de Binnenlandse Strijdkrachten, schietoefeningen in de bossen bij Maartensdijk. 'Met stenguns. Geen geweldige wapens. Erg onnauwkeurig.' Bij een mislukte poging de spoorlijn tussen Amers-foort en Utrecht op te blazen, werden twee van zijn mensen - onder wie een joodse jongen - doodgeschoten.

Voor Hellendoorn liep de bezetting 'met een sisser af'. Hij pakte nog wat NSB'ers op, en toen was de oorlog voorbij. Hij hervatte zijn studie. Over de oorlog sprak hij alleen nog met mensen die, net als hij, 'dingen hadden meegemaakt'. Buiten die zwijgende gemeenschap was een verzetsverleden geen aanbeveling. 'We werden toch gezien als roekeloze figuren die Nederlanders aan Duitse represailles hadden blootgesteld.'

Frits Kroese (93): 'In de oorlog sta je voor de keuze: slecht of heel slecht'

Halverwege de oorlog duidde nog niets erop dat Frits (Frederik) Kroese in het verzet zou terechtkomen. Hij zat in Zwolle op de hbs en was eigenlijk niet zo bezig met de toestand van de wereld. Bij de intocht van de Duitse Wehrmacht op 10 mei 1940 - 'Ze waren er om negen uur 's ochtends al' - had hij meer bewondering gevoeld voor de uitrusting en de georganiseerdheid van de Duitse soldaten dan woede over hun inval. De stemming in zijn omgeving was weliswaar anti-Duits, maar daaraan gaf hij geen uiting in woord en gebaar. Totdat hij in het voorjaar van 1943 een oproep ontving om zich bij de arbeidsinzet te melden. Toen maakte zich een 'dat nooit'-stemming van hem meester.

Zonder zijn oude, in 1876 geboren, vader te raadplegen, besloot hij onder te duiken bij de ouders van zijn vriend Ferdi. 'Daarvan herinner ik mij vooral dat ik voor alle mensen daar in huis de hele tijd koffie aan het malen was, met zo'n apparaat dat ik tussen de knieën had geklemd.'

Frits Kroese Beeld Mike Roelofs

Na korte tijd vertrok hij naar een veiliger geachte schuilplaats in Elburg, een landgoed van de familie Rambonnet. Daar trof hij ene Henk, leider van het regionaal verzet, die hem vroeg of hij niet iets nuttigs wilde doen. 'Een paar dagen later was ik chef ordonnans van de Rolls Royce-lijn, wat inhield dat ik mij moest ontfermen over de berichten die koeriersters uit de omgeving kwamen afleveren.' Het verzet voorzag hun van goed materiaal. 'We trokken uniformen aan van de Marechaussee en de Wehrmacht en namen bij zwarthandelaren en NSB'ers de beste fietsbanden in beslag.'

Van het een kwam het ander. Kroese, net 19, zamelde wapens in die door de Engelsen waren gedropt. 'Als je op Radio Oranje codeteksten hoorde als: 'De appelmoes wordt heet gegeten', dan wist je dat het zover was.' Hij escorteerde Joodse onderduikers naar onderduikadressen en hij ontfermde zich over Engelse piloten wier vliegtuigen waren neergehaald. 'Met het vorderen van de oorlog werden die steeds jonger en argelozer. Een van hen ging op zijn onderduikadres zelfs pontificaal voor het raam staan nadat ik hem had gewaarschuwd dat er Duitsers door de straat liepen. Hij wilde de vijand waarover hij zoveel had gehoord weleens met eigen ogen zien.'

Uiteindelijk raakte hij betrokken bij de sabotage van spoorverbindingen. 'Daar ging uitputtend overleg aan vooraf, want de Duitsers brandden als represaille voor een aanslag het meest nabije huis af, en executeerden de inwoners. Daardoor lieten wij ons mede leiden bij de keuze van ons doelwit: offeren we een gezin met vier kinderen op of een hoogbejaard echtpaar van 83 en 85jaar? Je hebt weinig keus in de oorlog. Het is slecht of heel slecht.'

Na de oorlog stelde Kroese snel vast dat 'de burgermaatschappij' niet op mensen uit het verzet zat te wachten. 'Bij sollicitatiegesprekken werd dan gezegd: 'U zult vast goed kunnen schieten?' Als ik dat bevestigde, zeiden ze: 'Mensen die kunnen schieten, hebben we hier niet nodig'.

Mia Lelivelt (93): 'We wisten 's morgens niet hoe groot ons gezin die dag zou zijn'

Mia Lelivelt vierde de 55ste verjaardag van Adolf Hitler, 20april 1944, op haar eigen wijze. 'Ik trok die ochtend een oranje topje aan en een rood-wit-blauwe overgooier. Misschien heel kinderachtig, maar ik voelde mij er prettig bij.' Het was een mooie dag, die zich verder in niets van de voorgaande dagen leek te onderscheiden. Tot een uur of drie 'smiddags. Toen stonden Duitsers voor de deur. Ze doorzochten het huis, aan de rand van het Gelderse Lichtenvoorde, op zoek naar onderduikers. En ze ondervroegen iedereen die zij er aantroffen. Ook Mia. Die was, zegt ze, heel zelfverzekerd - gezien de omstandigheden.

Mia Lelivelt Beeld Mike Roelofs

Elders in het huis bevonden zich twee neergehaalde piloten. Amerikanen. Maar de ruimte op zolder waar zij waren ondergebracht was door haar vader, een timmerman, zo ingenieus geconstrueerd, dat de Duitsers hen nooit zouden vinden, daarvan was ze overtuigd. Ze maakte grapjes met de Duitsers. In hun taal. Daarmee was zij vertrouwd omdat de familie van haar moeder in Duitsland woonde. 'Op een gegeven moment bedacht ik mij dat de piepers nog op het vuur stonden. 'Mein Gott, meine Kartoffeln', zei ik. En ik snelde naar de keuken, waar ik de Duitsers meteen kon laten zien dat ik voor slechts vijf personen had gedekt: voor mijn ouders, mijn twee broers en voor mijzelf.'

De Duitsers hebben de schuilplaats van de Amerikaanse piloten, 'onze jongens', in de woorden van Lelivelt, inderdaad niet ontdekt. Toch namen ze haar vader, Martin, mee. Via Vught kwam hij in Utrecht terecht. Daar werd hij ter dood veroordeeld wegens 'begunstiging van de vijand'. Het vonnis werd voltrokken in Fort Rijnauwen. Mia Lelivelt bleef in het ouderlijk huis wonen. Tot op de dag van vandaag. De straat waarop ze uitziet vanuit een kamer vol herinneringen is naar haar vader vernoemd.

Hoeveel onderduikers haar vader voor kortere of langere tijd onderdak heeft verleend? Zij weet het niet. Het zullen er vele tientallen zijn geweest. Piloten, Nederlandse jongens en mannen die aan de arbeidsinzet wilden ontkomen, ontsnapte dwangarbeiders - Fransen en Joegoslaven. Soms haalde haar vader, een gelovige katholiek, om vijf uur 'smorgens mensen op uit de naburige parochiekerk. 'Dan moest ik voor warm badwater zorgen. Hun kleren moest ik van mijn vader verbranden. Uit beduchtheid voor ongedierte. Gelukkig had mijn moeder van haar Duitse familie bij haar huwelijk een enorme uitzet gekregen, zodat we altijd voldoende linnengoed hadden voor onze jongens. Kleren kregen ze van mijn vader, die na enige tijd zelf bijna niets meer had om aan te trekken.'

Het kwam ook voor dat een plaatselijke leider van het verzet, die de sleutel van het huis had gekregen, in alle vroegte onderduikers afleverde. 'sOchtends wist je niet hoe groot ons gezin die dag zou zijn.' Voor zover zij weet, hebben allen de oorlog overleefd. Met hulp van boven. Dat weet Mia Lelivelt zeker. Inmiddels zijn ze overleden, maar met hun nazaten heeft zij nog altijd contact. Binnenkort ontvangt zij een dochter en een kleinzoon van een van de Amerikaanse piloten die op die fatale 20steapril 1944 in de schuilplaats verbleven die nooit werd ontdekt.

Loek Caspers (93): 'Ik was doodsbang voor die 25 granaten in mijn fietstas'

Loek Caspers heeft, als ervaringsdeskundige in het verzet, veel over de oorlog gesproken en geschreven. Maar één anekdote heeft in de verhalen steeds ontbroken, stelt zij tot haar eigen verbazing vast. In het najaar van 1939, na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, werd de burgerij in het neutrale Nederland voorbereid op de dingen die ook hier zouden kunnen gebeuren. Zo volgde haar moeder een cursus brandveiligheid voor huisvrouwen. Die voorzag onder andere in de instructie om op de zolderverdieping een teil met water, een schep en een hark klaar te zetten. 'Als er een brandbom door het dak zou vallen, moest die met het harkje op de schep worden geschoven en in het water worden ondergedompeld.' Ze wil maar zeggen: zó naïef was Nederland op de vooravond van de oorlog.

Loek Caspers Beeld Linelle Deunk

Tijdens de Duitse bezetting stond haar familie vanuit 'vaderlands perspectief' te boek als betrouwbaar. Haar vader, hoofd van een christelijke basisschool in Driebergen, had een leerling naar huis gestuurd die in uniform van de NSB-Jeugdstorm op school was verschenen. Tegenover de SD verklaarde hij desgevraagd dat de gezindheid die met dat uniform tot uitdrukking werd gebracht onverenigbaar was met de christelijke identiteit van de school. De Duitsers lieten hem verder ongemoeid.

Loek Caspers raakte als vanzelf betrokken bij illegale activiteiten. Die liepen dermate in het oog, dat een politieman haar in 1943 op het hart drukte elders onder te duiken. Zij ging in Langbroek wonen, waar zij logistiek werk verrichtte voor een knokploeg. Zij fietste rond met 25handgranaten, die zij tevoren provisorisch onklaar had gemaakt 'want ik was doodsbang voor die dingen'. Bij Leersum werd zij een keer met een kloek zendapparaat in haar fietstas aangehouden. 'Op dat moment werd de lucht boven ons pikzwart. Ik zei tegen die Duitsers: 'O kijk, het gaat gieten', en ik ben snel weggefietst.'

Een andere keer werd zij staande gehouden met een luciferdoosje waarin een microfilm met strategische informatie voor de geallieerden was verstopt. 'Om geen achterdocht te wekken, had ik ook drie sigaretten bij me. Die Duitsers hadden mijn tas leeggekieperd, en keken naar alles wat erin zat. Voor de sigaretten hadden ze meer belangstelling dan voor de inhoud van dat luciferdoosje. Je zag hen denken: 'kunnen we die niet beter zelf oproken?' Maar op zo'n moment zweet je wel peentjes hoor.'

Dat deed zij ook toen zij in de bus werd gecontroleerd met 560bonkaarten in haar bagage. 'Ik opende mijn vervalste persoonsbewijs een beetje klungelig, zodat er een foto uitviel van een beeldschone SS'er in uniform. Dat was zogenaamd mijn verloofde die aan het Oostfront vocht. Die Duitsers staakten meteen hun controle, maar de rest van de rit stond ik wel bloot aan de ijzige blikken van mijn medepassagiers.'

De bevrijding had voor Loek Caspers een brede rouwrand. Op 5mei 1945 werden in Leersum, haar toenmalige woonplaats, zes mensen doodgeschoten. 'Voor de lol', liet een betrokken Duitser haar desgevraagd weten. 'Drie van de slachtoffers kende ik goed. Ik ging bij een van de weduwen, de moeder van een pasgeboren baby, op bezoek met een vlag die over zijn kist zou worden gedrapeerd. Na dat droevige bezoek kwam ik buiten in het feestgedruis terecht. Een onwerkelijke ervaring was dat.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.