Interview Kamel Daoud

‘In de moslimwereld heerst een diepe seksuele crisis’

Afvallige, islamofoob: na zijn bestseller Moussa lag de Algerijnse schrijver Kamel Daoud van alle kanten onder vuur. Toch schreef hij een volgende roman. ‘Ik voel een verantwoordelijkheid de dialoog gaande te houden.’

Kamel Daoud Foto Erik Smits

Het is razendsnel gegaan met Kamel Daoud (48). Nog maar drie jaar geleden was hij hooguit bekend in Algerije, als chroniqueur van krant Le Quotidien d’Oran en auteur van wat romans bij een lokale uitgeverij. Toen kwam Moussa, zijn antwoord op de Vreemdeling, waarin Albert Camus vertelt over de moord op een anonieme Arabier. Daoud keerde de rollen om: hij gaf de Arabier een naam. Moussa bezorgde hem wereldfaam; het boek is uitgebracht in 35 talen. Waarna hij van twee kanten onder vuur werd genomen: eerst was er een fatwa, uitgevaardigd door een lokale imam omdat hij de islam in twijfel zou trekken. Daarna een tegen hem gericht schotschrift van negentien Franse intellectuelen omdat hij de islamofobie zou voeden door over de verknipte verhouding van moslimmannen tegenover seks te schrijven.

Er zijn er die van minder in de war raken. Daoud behield zijn kalmte. Hij trok zich even terug uit het publieke debat, maar maakt inmiddels van zijn nieuwe faam gebruik om overal lezingen te geven; zijn columns verschijnen nu ook in The New York Times en Le Point in Frankrijk.

Hij schreef ook een volgende roman. Opnieuw een indrukwekkend boek, vinden critici wereldwijd. Wel heel anders dan Moussa. De oorspronkelijke titel, Zabor ou les Psaumes, verwijst naar het boek Psalmen uit de Bijbel, maar ook naar de Zaboer, liederen die aan de Koran voorafgingen. Geen boek om in één adem uit te lezen. Het is lezen, wegleggen, terugbladeren, meegenomen worden door de lyriek van de beelden. En je intussen afvragen of je hetzelfde wellicht al eerder las in andere bewoordingen, en wie dat personage ook weer was. En ook: waar fictie begint en zelfportret eindigt.

De hoofdpersoon, Zabor, groeit op in een benauwende microkosmos, een dorpje aan de rand van de woestijn. Op een zeker moment ontdekt hij dat er andere boeken zijn naast de Koran, andere talen naast het Arabisch, andere letters om mee te schrijven. Dat alles maakt hij zich eigen, en hij verricht er wonderen mee. Door te schrijven houdt hij zelfs de dood bij zijn dorpsgenoten op afstand. Alleen de laatste krachtproef, het verlengen van het leven van de vader die hem verstootte, is hem te machtig. Vader overlijdt, maar de volgeschreven schriften van Zabor zijn inmiddels overal in het dorp.

Daoud, een paar dagen in Amsterdam vanwege een lezing in de Stadsschouwburg op uitnodiging van De Balie, beaamt het meteen: ‘Het is een moeilijk boek. Mensen zeggen dat ook. Dan antwoord ik dat ze het moeten lezen als de Psalmen, één zin tegelijk. Het is een meditatie op de vraag: waarom moet ik boeken schrijven?’

Het was lastig een zo onverwacht succes te boven te komen, vertelt hij. ‘Mijn veiligheid werd een onderwerp. Ik moest op m’n hoede zijn: mijn geluk en dat van mijn gezin stonden op het spel. Was het schrijven dat waard?’ Zo kwam hij uit bij een roman over de fundamentele reden waarom hij schrijft. Zabor verovert de taal zoals hij zelf als jongetje steeds weer de paar Franse boeken verslond die voor handen waren in het dorpje waar hij opgroeide. Het is een roman die wil laten zien hoe belangrijk het is dat er verschillende boeken bestaan, die elkaar kunnen tegenspreken en aanvullen. ‘Heb je één boek, dan verstikt dat de gedachten. Of het nu de Bijbel, het Rode Boekje, Mein Kampf of de Koran is. Boeken zijn jaloers op elkaar.’ Zabor is daarmee zijn manier om de hegemonie van de Koran in twijfel te trekken, een boek dat volgens Daoud geen tegenspraak duldt.

Moussa was een spiegel van het boek van Camus. U vertelde al eens dat u als jongen vijf jaar in de ban was van het moslimfundamentalisme. Is Zabor een spiegel van uw eigen jeugd?

‘Je kunt het zien als een verzonnen autobiografie. Zoals Zabor de literatuur en de verbeelding ontdekt, heb ik dat ook gedaan. Hij stelt de goede vragen, in een cultuur waarin – omdat alles al vastligt – vooral veel antwoorden voorhanden zijn. Voor mij zijn vragen cruciaal: Wat is taal? Kan ik een heilig boek schrijven? Kan taal de wereld bezitten? Kunnen boeken de dood terugdringen?’

Zabor stelt al schrijvend de dood uit. Maar op seksueel gebied blijken zijn woorden machteloos. Vrouwen blijven onbereikbaar. Wat maakt de liefde moeilijker dan de dood?

‘Het is gemakkelijker de wereld te leren kennen dan iemand te ontmoeten. In de moslimwereld heerst een diepe seksuele crisis, een moslim houdt niet van zijn lichaam. Zabor kan in zijn dorp geestelijke vrijheid ontwikkelen, maar op lichamelijk gebied zijn de mogelijkheden beperkt. Zoals in een gevangenis.’

Daoud trekt de vraag breder: ‘Kan literatuur ons redden, dat is de vraag waarvoor Zabor komt te staan. Hij redt veel mensen maar bereikt niet de vrouw van wie hij houdt.’

Daoud behoort tot de kleine groep dwarse schrijvers en intellectuelen die er voor kiezen aan de andere kant van de Middellandse Zee te blijven. Het maakt zijn marktwaarde groot, beseft hij. ‘Westerse media willen stukken van mensen zoals ik. Wij zijn de intellectuelen van het zuiden, van de andere kant van de spiegel. Als ik mijn columns bij uw krant zou aanbieden, zouden ze waarschijnlijk ja zeggen. Een boek over mijn leven als bedreigde intellectueel zou goed verkopen. Maar het zou geen literatuur opleveren.’

Hij hield lang vol dat hij niet aan verhuizen denkt. Dan zou hij zeshonderd mensen uit zijn omgeving willen meenemen, zegt hij dan: ook de mensen aan wie hij een hekel heeft. ‘Niemand kiest ervoor dertig jaar een vreemde in een ander land te zijn.’ Tegenwoordig is hij minder stellig. Zijn zoontje van anderhalf heeft een auto-immuun ziekte die beter kan worden behandeld in Europa. Op zijn telefoon laat hij een foto zien van een stralend jongetje. ‘Kijk, deze stuurde mijn vrouw vanochtend. Het gaat nu wat beter. Mijn zoon kan een reden zijn om te vertrekken. Ik moet mijn familie beschermen, en mezelf. Ik bevind me tussen twee werelden. Mensen zoals ik pleiten voor vrijheid en het recht op seksualiteit, omdat dat algemeen menselijke waarden zijn. De conservatieven zeggen dan: hij is tegen ons, hij verdedigt westerse waarden en is een verrader. Zo willen ze ons dwingen te vertrekken.’

Kamel Daoud: ‘Mijn geluk en dat van mijn gezin stonden op het spel. Was het schrijven dat waard?’ Foto Erik Smits

Is uw veiligheid afgenomen de laatste twee jaar?

‘Er is een verraderlijk proces gaande, waarbij conservatieve krachten ons tot verraders maken en een beeld creëren waardoor ons kritische discours onmogelijk wordt gemaakt. Dat begint met bedreigingen op sociale media. Geleidelijk verschijnen in de media zinnetjes die je tot een vijand van de islam maken. Drie maanden geleden publiceerde ik een open brief tegen de komst van Erdogan naar Algerije. De islamisten hebben daar met verbaal geweld op gereageerd.’

Hij pakt opnieuw z’n telefoon, nu om een video in het Arabisch te tonen waarin de moslimbroederschap hem, samen met schrijver Amin Zaoui en de Algerijnse minister van Cultuur, neerzet als vijanden van de islam. ‘Hun laatste zin is: waarop wachten we om in beweging te komen? Wie zoiets zegt, roept op tot moord. Maar dat gebeurt nooit frontaal. Zoals ze ook blijven herhalen: Kamel Daoud, woonachtig te Parijs. Terwijl ze weten dat ik in Oran woon. Allemaal om te laten zien dat ik er niet bij hoor. Mensen zeggen nu: uw boeken heb ik niet gelezen, maar ik weet door de tv wel wat u denkt.’

Algerije werd na zware strijd in 1962 onafhankelijk van Frankrijk. Het leger heeft altijd veel macht gehouden. Die greep werd versterkt in de jaren negentig, toen een burgeroorlog woedde tussen islamisten en gematigden. Sinds 1999 is de nu 81-jarige Abdelaziz Bouteflika aan de macht. Algerije is in naam en seculier land, maar de vrijheden zijn er beperkt.

Zijn er nog veel onafhankelijke denkers zoals u in Algerije?

‘We zijn het Noord-Korea van Noord-Afrika. Mensen die denken zoals ik zijn er veel, maar we hebben geen middelen. De islamisten beheersen de straat, de moskeeën, de tv-zenders, de kranten, het geld. Het regime laat hen hun gang gaan.’ De vraag of hij in Algerije goed beschermd wordt, laat hij passeren. ‘Er is surveillance, maar ik spreek daar liever niet over.’

Twee jaar geleden maakte u bekend te stoppen met publieke optredens. Waarom bent u er opnieuw mee begonnen?

‘Omdat journalistiek een verslaving is. Ik voelde dat ik een verantwoordelijkheid had de dialoog gaande te houden. Dat is meer dan alleen krantenstukken schrijven. Als je je fysiek verplaatst, signeert, gesprekken hebt, mensen ontmoet, kweek je belangstelling. Ik geloof in persoonlijke ontmoetingen.

‘Het leven moet verdiend worden. Wij hebben in Algerije een cultuur van verering van de voorouders, maar dat is te gemakkelijk. Je moet het waard zijn zo’n voorouder te worden dat ze over vier generaties zeggen: ah, dat heeft hij gedaan, dat heeft hij geschreven. Verlichtingsfilosofen als Descartes en Rousseau, aan wie we zoveel te danken hebben, werkten vaak in ballingschap en armoede, ook hier in Nederland. Die situatie herhaalt zich.’

Uw Nederlandse uitgever koos er voor de Psalmen uit de titel weg te laten. Stoort u dat?

‘Die keuze is aan hen. Het is een oud geheim dat je naam je lot bepaalt. Daoud betekent David, de auteur van de Psalmen. Een Arabisch gezegde luidt: voor wie ga je je psalmen lezen, o Daoud. Dat betekent: wat jij doet leidt tot niets, wie zal je geloven? Zabor is een antwoord op mensen die zeggen dat het nergens toe dient boeken te schrijven.’

Daoud gebruikt vaak namen en verhalen van profeten die zowel in de koran als de bijbel voorkomen. Zo is de Aissa uit Zabor dezelfde als Jezus, en Youness is Jonas, de profeet uit het Oude Testament die door een walvis werd opgegeten, drie dagen in diens buik bivakkeerde en levend weer tevoorschijn kwam. Daoud benadrukt een ander element uit het verhaal van Jonas: hij is de profeet die weigert de mensen van Ninevé te redden omdat hun cultuur hem niets zegt en ze niet in zijn god geloven; Jonas kijkt liever de andere kant op.

‘De Bijbelse mythologie belichaamt de condition humaine’, zegt Daoud. ‘Profeten verbeelden de keuzen waar we ook nu voor staan. De vraag om onbekenden te redden is actueel. Er is die bekende foto, gemaakt in het zuiden van Spanje, van een koppel dat zonnebaadt terwijl verderop vluchtelingen zijn aangespoeld. Die zonnebader, dat is Jonas. Ik duw die Bijbelse personages naar hun limieten, want ze belichamen onze eigen paradoxen. Stel dat ik met mijn vrouw en zoon in Amsterdam zou verblijven en dan zomaar naar Algerije zou vertrekken. Dat zou schandalig zijn. Maar Abraham deed dat. Als ik mijn zoon probeer te vermoorden, kom ik in de gevangenis. Abraham deed dat. Profeten belichamen de uitwassen van de mens, diens egoïsme. Ik hou van hen.’

Het dilemma van Jonas

In zijn lezing in de Amsterdamse Stadsschouwburg zei Daoud over zijn keuze in Algerije te blijven: ‘De intellectueel wordt geconfronteerd met het dilemma van Jonas: moet je blijven en je opofferen voor het heil van je naasten, voor de mogelijkheid dat het over twee of drie generaties goedkomt, of vertrekken en je leven, je lichaam en je kinderen redden? Moet je je inzetten voor het welzijn van een bevolking die misschien onverschillig staat tegenover je argumenten, boeken en artikelen, of moet je naar Tarsis vertrekken? Jonas vertrok en keerde terug. De les van deze fabel – een van de lessen – is dat de reikwijdte van de intellectuele verantwoordelijkheid kan worden uitgebreid tot het gebied van de onbekende Ander, de vreemdeling.’ 

Gebruikt u die gedeelde verhalen ook om zowel door uw thuispubliek als in het Westen te worden begrepen?

‘Zo denk ik niet. Het gaat me om de gedachtevorming, pas daarna om het bereiken van een publiek. Het lastige is wel dat je in de islam niet aan dergelijke verhalen mag komen. Dat wordt gezien als een aanval op het heilige boek, zoals in het christendom tussen de 14de en 17de eeuw ook gedacht werd.’

U publiceert veel. Vanwaar die haast?

‘Het leven is niet eindeloos. We hebben in de moslimwereld een Calvijn en een Luther nodig. Ik lees nu over hun levens. Ik geloof dat zoiets zich nu ontwikkelt, vanuit het westen is dat door de taalbarrière nog niet goed te zien. Ik doel op de koranisten, die terug willen naar de letter van de tekst, zoals bij de reformatie gebeurde. Om die reden worden ze door de conservatieven fel bestreden. Velen zitten in de gevangenis. Dergelijke veranderingen vind je vooral bij moslims in het westen. Ze zullen duidelijker worden als de koran in lokale talen wordt vertaald, zoals het berbers. Er is niets wat dat verbiedt. De koran is in het Nederlands vertaald, waarom dan niet in het Egyptisch of het Algerijns? Pas toen er een Engelse vertaling van de Latijnse Bijbel kwam, ontstond er ruimte voor discussie.’

Stemmen die veranderingen u optimistisch?

‘Voor mijn eigen generatie wordt het alleen maar moeilijker. Er gaan desastreuze religieuze botsingen komen, daar ben ik zeker van. Kinderen geven je de verantwoordelijkheid optimistisch te zijn. In mijn toestand moet ik lucide blijven en schrijven over wat er kan gebeuren, ook als ik niet zeker ben van de uitkomst. De nederlaag accepteren is geen optie. Voor Algerije zie ik intussen niets anders dan een status quo. Niets beweegt. Niet ten goede, niet ten kwade.’

Hoe bent u zelf geslaagd in beweging te komen?

‘Tijdens de burgeroorlog waren we vreemd genoeg heel vrij. Voor het regime was het nuttig dat de pers positie koos tegen de islamisten. Journalisten, columnisten en politiek tekenaars kregen bekendheid, de Algerijnse pers behoorde tot de meest vrije van de Arabische wereld. Na de overwinning van het regime ging de boel op slot. Maar die journalisten gingen niet zomaar weg. Dus werd de markt aan islamistische kranten gegeven. Nieuwkomers worden tegengehouden en wij mogen oud worden in het vak. Zo creëren ze een verloren generatie. Erfgenamen zijn er niet. Het is een tactiek van de verschroeide aarde; mij vastzetten zou maar kabaal geven.’

Daoud zegt zijn angst te onderdrukken door te blijven schrijven, precies zoals Zabor. Venijnige stukken soms, zoals wanneer hij in zijn column beschrijft hoe de piloot van Air Algérie voor vertrek driemaal ‘Allah Akhbar’ roept via de boordspeakers en dan het Gebed van de Reiziger declameert. Alsof een vliegtuig een aerodynamische kameel is of een vliegend tapijt, schrijft Daoud, waarvan je maar moet afwachten of alles het doet: ‘Er wordt een show gemaakt van het geloof. Dit zijn perfectionisten in de religieuze gebruiken, die hun ogen sluiten voor al het andere. Die niets zeggen over corruptie en smerigheid, ballingschap en de cultus van een presidentschap waaraan geen einde lijkt te komen, maar de pennen slijpen als je het waagt iets te zeggen over die godsdienst die hen toebehoort, in heel zijn goddelijke uniciteit.’ In Algerije kun je dan de tanden van de geestelijken en het regime horen knarsen. Daoud is hun onverschrokken criticaster, die door zijn reizen nieuwe inspiratie opdoet.

Tot slot wil hij graag zelf wat vragen stellen. Over hoe Nederland omgaat met zijn koloniale verleden. Of de standbeelden van de helden uit die tijd worden weggehaald, of hun namen uit het straatbeeld verdwijnen. Hoe in schoolboeken de slavernij wordt behandeld, en hoe het ook weer precies zat met Sinterklaas en Zwarte Piet.

Hou Le Quotidien d’Oran in de gaten. Daar zit een column aan te komen.

Kamel Daoud: Zabor, Ambo Anthos, 21,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.