Interview Peter Buwalda

‘Het was een van de meest glorieuze periodes uit mijn leven’

Voor schrijver Peter Buwalda ( 46 ) was de middelbare school genieten geblazen. Met hun opgerolde broekspijpen en hagelwitte Adidasjes hadden zijn beste vriend Sander en hij mateloze swag. ‘Dat zag je verder nergens, dat was een zelfbedacht ding.’

Peter Buwalda in de schoolbanken. Beeld Lars van den Brink

Als schrijver Peter Buwalda (46) terugdenkt aan zijn middelbare schooltijd, op het vwo aan het Blariacumcollege in Blerick, denkt hij aan Sander Leistra, zijn beste vriend. ‘Wij hadden een symbiotische vriendschap. Het kwam voor dat ik na schooltijd de hoorn van zo’n grote grijze plastic telefoon met draaischijf tegen mijn oor zette met de bedoeling Sander te bellen, en dat ik geen kiestoon hoorde. Na een tijdje hoorde ik dan zacht geadem aan de andere kant van de lijn; had hij me precies op dat moment gebeld.’

Ze zagen elkaar op de eerste dag in de brugklas en het was meteen een uitgemaakte zaak dat ze beste vrienden zouden worden. Buwalda: ‘We hielden allebei zo overduidelijk van muziek, dat bond ons. Alle belangrijke popmuziek die ik ken, heb ik met Sander ontdekt: Little Feat, Led Zeppelin, Prince, Beatles, Stones. Alles waar we onze handen op konden leggen hebben we bestudeerd, uitgewisseld en beluisterd. We werkten in de vakanties om cassettedecks en versterkers te kopen. Ik herinner me dat wij Led Zeppelin II voor het eerst hoorden. We waren zo euforisch, dat we uit het raam stonden te schreeuwen en met die plaat zwaaiden naar voorbijgangers.

In ‘Hoe was jij op school’ bezoekt rockmuzikant en presentator Ryanne van Dorst met bekende Nederlanders hun oude middelbare school. Wat voor type waren ze toen? Bij welk groepje hoorden ze? Hoe heeft die periode ze gevormd tot wie ze nu zijn? En hoe is het om die ene leraar van toen nu tegen het lijf te lopen? Bekijk de serie hier. 

‘Het is de enige periode die ik me herinner waarin ik geen vriendinnetje had. Je zou kunnen zeggen dat ik in plaats daarvan Sander had. We zaten naast elkaar in de klas, deden samen huiswerk en organiseerden klassenfuiven, bij Sander of bij mij op zolder. Met crêpepapier over de lamp en een platenspeler. Ouderwets, jongen. En dan was het hoogste doel: dansen met een meisje.’

Wat is je slechtste herinnering uit die tijd?

‘Iemand heeft me een keer een joekel van een blauw oog geslagen. Dat was in de derde klas, we waren aan het basketballen op het schoolplein. Er waren natuurlijk meisjes bij betrokken op wie ik indruk wilde maken. Vanaf de rand van het veld zat een grote blonde jongen toe te kijken. Hij zat niet bij ons op school, hij kwam van de mavo. Hij ging zich met het spel bemoeien en ik vond het nodig hem vast te pakken en weg te duwen. Terwijl ik dat deed, ging zijn hand naar achteren en sloeg hij me keihard op mijn oog. Ik viel achteruit, er was geen sprake van een gevecht. Hij was een kop groter dan ik. Ik heb drie maanden met zó’n oog rondgelopen, ik schaamde me te pletter. Ik ben nog lang bang geweest dat hij van de mavo naar de havo zou gaan en bij ons op school zou komen. Daan, heette die jongen.’

In welk jaar voelde je je het best?

‘Voor mij was mijn middelbare schooltijd een van de meest glorieuze periodes uit mijn leven. Ik heb er eigenlijk geen slechte herinneringen aan, ik vond het ronduit leuk.’

Wat voor leerling was je?

‘Ik ben nooit blijven zitten. Ik was vaak bezig met dingen die niets met de les te maken hadden, en dat compenseerde ik met goede cijfers. Ik had een enorme hekel aan talen, eigenlijk is het heel gek dat ik Nederlands ben gaan studeren. Ik was ook slecht in Duits en Frans. Die vakken verwaarloosde ik volstrekt. Ik had een exact pakket, scheikunde, wiskunde B en natuurkunde.

‘Wat tragisch is aan de middelbare school: op die leeftijd ben je niet erg ontvankelijk voor het aanbod. Ik heb veel laten liggen. Ik was lui, maar op sommige momenten wel begeesterd. Dat heb ik nog steeds. Ik ben selectief actief. Maar ik vind het achteraf gezien ook wel waanzinnig wat je op het vwo voor elkaar moet krijgen, al die vakken, al die stof, in zo’n hoog tempo. De universiteit vond ik daarbij vergeleken eigenlijk tegenvallen.’

Had je een favoriete leraar?

‘Aardrijkskundeleraar Van Wanrooij was veruit favoriet. Hij was droog, geestig en hield van muziek. Met hem ruilden we cassettebandjes. Hij gaf ons oude blues en wij gaven hem een bandje met iets dat wij goed vonden, dat kende hij natuurlijk allang, maar dat liet hij niet merken.’

Hoe ging je gekleed?

‘Ik had Adidasjes, die draag ik nu trouwens ook, maar toen waren Adidas-schoenen héél belangrijk. Ik heb me als een soort arbeider opgewerkt, op dat gebied. Zoals een arbeider steeds een iets duurdere auto koopt, zo kreeg ik steeds betere Adidasjes. Mijn ouders waren niet arm, maar zeker niet rijk, en dure schoenen zaten er eigenlijk niet in. Maar toen ik jarig was had ik ze ervan overtuigd dat ik toch echt Adidasjes nodig had, en elke keer dat we daarna naar de winkel gingen, gaf het natuurlijk geen pas om goedkopere gympen te kopen.

‘Mijn eerste paar kostte 80 gulden, het paar daarna 90, toen 110 gulden, op een gegeven moment had ik Adidas ZX 450, van 140 gulden, dat was echt de top van de top. En dan rolden we onze broekspijpen drie keer op, dat had Sander bedacht. Daaronder zaten witte sokken, en die Adidas-schoenen dus. Dat zag je verder nergens, dat was een zelfbedacht ding. En we droegen oversized T-shirts met teksten erop. Mijn moeder had een shirt voor me gekocht met de opdruk: ‘No Missiles’. Ik heb mijn hele schooltijd niet geweten wat dat waren of hoe je dat woord uitsprak.’

Wat zat er in je broodtrommel?

‘Ik moest zelf mijn brood smeren, soms had ik niks bij me. Dan gingen we naar Sander, die woonde vlakbij school. Ik herinner me dat ik bij hem met een fles cola aan mijn mond stond en zijn moeder het tuinpad op kwam en riep: ‘Het is hier geen cafetaria!’ Bij ons thuis waren we zeer ongeorganiseerd, de deuren stonden altijd open met de verwarmingen aan, zeg maar. Het is wel eens gebeurd dat de hele carport volstond met judoka’s die met mijn vader mee zouden rijden naar een wedstrijd, maar omdat wij de zomertijd waren vergeten, lagen we nog te slapen.’

Was je populair op school?

‘Ik zat aan de goede kant van de streep. Er werd gepest bij ons op school, maar ik hoorde niet bij diegenen die het deden en ik werd ook niet gepest.’

Ik wilde jou uiteraard vragen naar je boekenlijst, maar je hield niet van lezen.

‘Nee, ik drukte me op dat gebied. Ik keek alleen films. Pas op de valreep, toen ik bijna naar de universiteit ging, ben ik aangestoken met liefde voor literatuur. Ik las De donkere kamer van Damocles, en Sander, daar is hij weer, ook. Tot onze verbazing waren we ineens heel lang over dat boek aan het praten. Het kippevel stond op onze armen bij onze theorieën over of die Dorbeck en Osewoudt nou bestonden of niet. Nadat ik zes weken natuurkunde had gestudeerd kreeg ik zo’n heimwee naar dat gevoel, dat ik besloot Nederlands te gaan studeren. Dat zaadje is pas in de laatste maand van mijn middelbareschooltijd geplant.’

Waar droomde je van?

‘Gitaar spelen. Het hoogst haalbare voor mij was om een gitaarheld te worden. We hadden ook een band, met vijf gitaristen erin, en wij wilden allemaal solo’s spelen. Dat was de slechtste band ooit. Sander zat daar niet bij. Ik was er serieus in en deed eigenlijk niks anders meer. Ik kon redelijk blues spelen, maar ik had door moeten gaan om er wat van te maken. In mijn studententijd heb ik die gitaar weer verpatst.’

Waar was je onzeker over?

‘Ik moest in de derde klas een bril. Maar dat wilde ik niet toegeven, dus heb ik lang nauwelijks iets kunnen zien. Op een gegeven moment kon ik met Sander naar het EK voetbal in 1988, naar de beroemde halve finale tegen de Duitsers. Maar ik wist al: zonder bril zie ik geen klap vanaf de tribune. Dus verzon ik een smoes waarom ik niet mee wilde: voetbal kijk ik liever thuis, want op televisie kun je de herhalingen zien. Zo miste ik een van de meest legendarische wedstrijden in de Nederlandse voetbalgeschiedenis. Ik heb nooit een bril gekocht, ik heb net zo lang gewacht tot ik lenzen kon nemen. Ik was echt bang voor een bril, ik vond het beschamend, zo’n ding in je gezicht. Ik vond het lelijk en was bang dat andere mensen dat ook zouden vinden.’

Waar schaamde je je nog meer voor toen je op school zat?

‘Ik schaamde me voor materiële dingen. Of eigenlijk voor het gebrek eraan. Bij ons thuis zaten we op het randje van weinig geld. Mijn judopak was stuk bij de knieën en ik had als enige geen judoslippers, ik liep op blote voeten. Achteraf ben ik daar ook wel weer trots op. Ik vind het prettig dat ik weet dat geld niet aan de bomen groeit. Toen vond ik het oncomfortabel, nu reken ik het tot mijn vorming.’

Als je er nu op terugkijkt, had je dan dingen anders willen doen?

‘Ik vind het jammer dat ik Duits en Frans volstrekt verwaarloosd heb. Ik ben ook gemeen geweest tegen sommige leraren. Je empathie is in die tijd nog zo slecht ontwikkeld. Bij Van Maarseveen van Frans had ik gespijbeld bij een proefwerk. Toen ze de proefwerken kwam uitdelen, snapte ze niet dat ze de mijne niet kon vinden. Ze dacht dat ze het was kwijtgeraakt, en ik liet haar in die waan. Ik zei gewoon: tja, dit is heel vervelend, ik had het erg goed gemaakt. Uiteindelijk gaf ze me schuldbewust een 8.’

Hoe kreeg je dat voor elkaar?

‘Door heel brutaal te zijn. Je hebt in die periode een soort ongeremdheid, je wordt mondig en je hebt nog niet door wat dat teweeg kan brengen. Voor een godsdienstleraar moesten we een werkstuk over verlossing maken, en dan leverde ik een songtekst in van de Sex Pistols over de antichrist. Dat zou ik nu niet meer doen, denk ik. Maar op die leeftijd vind je volwassenen oninteressant, omdat je zélf oninteressant bent.’

Hoe is nu je band met Sander?

‘Ik zie hem weinig. De scheurtjes begonnen toen ik gitaar ging spelen. We zijn verder uit elkaar gegroeid toen ik in Utrecht ging studeren en hij in Eindhoven. Dat kwam van beide kanten, hoor. Je kunt elkaar ook een beetje uitwonen. Als ik er op terugkijk was het bijna een soort relatie. We deelden zoveel informatie en tijd, ons hele leven eigenlijk. Dat kon niet voortbestaan. We zijn nog steeds bevriend en we houden elkaar op de hoogte van elkaars leven. Eén keer per jaar zien we elkaar, samen met twee andere vrienden uit die tijd: Mick en Max. Onlangs zijn we in Venlo nog met z’n vieren naar een concert geweest. Maar dat intense, dat komt nooit meer terug.’

CV Peter Buwalda

Geboren op 30 december 1971 in Brussel.

1990 Eindexamen vwo, in Venlo.

1991-1997 Studie Nederlands in Utrecht.

1997 Postdoctorale opleiding journalistiek in Rotterdam.

1998-2002 Redacteur UT-Nieuws, Universiteit Twente.

2003-2004 Redacteur bij uitgeverij L.J. Veen.

2005-2006 Redacteur bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.

2010 Debuutroman Bonita Avenue.

In het najaar verschijnt Buwalda’s tweede roman Otmars zonen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.