'Bij je volle bewustzijn je laatste roman schrijven, dat leek me een opdracht waartegen ik niet was opgewassen'

Voorpublicatie uit Dagelijks werk

Haar laatste boek is geen roman geworden. Renate Dorrestein ontdekte al opruimend zoveel spannends in haar huis dat er iets heel anders ontstond.

Beeld ANP

In de zomer van 2016 had ik een nieuwe koelkast nodig, ter vervanging van het chagrijnige oude beest dat in mijn bijkeuken stroom stond te slurpen. Op dus naar die witgoedwinkel in Haarlem-Noord waar ik eerder zo goed was geslaagd. Omdat het een prachtige middag was en het noordelijke stadsdeel ‘achter het spoor’ mij relatief onbekend was, besloot ik daar na de aanschaf van mijn nieuwe koelkast een wandeling te maken. Het is een stedelijk woongebied, zoals die rond 1900 overal in Nederland zijn gebouwd, met overwegend lage woningbouw en poortachtige toegangen tot de zijstraten.

Al binnen een paar minuten stond ik stil, getroffen door iets wat ik niet eens zozeer zág als wel voelde: ik stond op de locatie waar mijn volgende roman zich zou gaan afspelen.

Je moet al zoveel verzinnen als je een roman schrijft, dus een bestaande locatie biedt in elk geval houvast en grond onder de voeten. Voor iedere schrijver zal het anders zijn, maar voor mij begint alles met die aardende, verankerende plaatsbepaling. Heb ik de plek, dan komt het verhaal vanzelf. Die rare term ‘de plaats van handeling’ is zo gek nog niet. Als ik eenmaal weet wat de plaats van handeling van mijn volgende boek is, dan kom ik al schrijvende ook wel te weten wat die handeling behelst.

Wat mij triggerde op die zonovergoten middag in Haarlem-Noord was dat in één straat de monotonie van eengezinswoningen werd onderbroken door een schoolachtig gebouw dat zich als een schuw dier zo laag mogelijk tegen de stoep gedrukt hield, alsof het aan mijn blik wilde ontsnappen, maar daarmee bereikte het dus het tegendeel. NOORDER KINDERHUIS, stond er in de gevel gebeiteld.

Bij die woorden zag ik een ijsvlakte voor me waarover sneeuwvlagen joegen. Ik wist genoeg. Onguurder dan dit ging ik het niet krijgen. Het Noorder Kinderhuis! Mijn god, dat was een plek waar je als kind niet moest zijn!

Ik stak de straat over en tuurde door een raam naar binnen. Er was een doodgewoon hedendaags kinderdagverblijf gevestigd. Maar dat betekende niets. Als je aan dat soort details gewicht toekent, schrijf je nooit een roman. Dit had best sinds mensenheugenis een goelag voor kleine mensen kunnen zijn. Gemene ouders dumpten hier hun nageslacht als ze er genoeg van hadden.

Op slag vlogen wonderlijke namen mijn hoofd binnen. Zebedee, Hosanne, Anne-Eden, de tweeling Michaël en Daniël. Voor mijn geestesoog rees een compleet, kroostrijk gezin uit de biblebelt op, met van die bleke, langgerekte kinderen die zonder vaccins of mobieltjes door het leven moeten terwijl ze elkaars kleren afdragen en naar bevindelijke zomerkampen gaan. Zo’n gezin met minstens tien kinderen, waarbij niemand het merkt als er opeens een kotertje minder is.

Beeld Tzenko Stoyanov

Ik stond bijna te klappertanden van opwinding. Het gebeurde niet vaak dat ik al een idee voor een nieuwe roman kreeg terwijl ik nog bezig was een ander boek te schrijven, in dit geval Reddende engel. Daarmee was ik pas halverwege. Het vervulde me van een gevoel van enorme rijkdom dat er nu al een nieuw boek in de coulissen op me stond te wachten: ik kon voorlopig voort.

Het was zoals ik al schreef de zomer van 2016. De zomer die zou eindigen in de toptien van warmste zomers ooit, de zomer van Pokémon Go, van Theresa May en haar Brexit, van een reeks moorddadige gebeurtenissen in Europa, te beginnen met een vrachtwagen die op Quatorze Juillet tijdens het vuurwerk in Nice inreed op een menigte, de zomer van de staatsgreep van Erdogan, van Chris Froome die voor de derde keer in zijn carrière de Tour de France won, al moest hij een stuk van de mythische Mont Ventoux te voet afleggen, de zomer van verzengende bosbranden in Portugal en Californië.

Ergens was het een zomer als alle andere, en ik werkte ook net als anders met plezier aan mijn Reddende engel, en op onbewaakte momenten dacht ik aan het Noorder Kinderhuis en voelde ik mijn verbeelding alle kanten op schieten. Misschien was het Noorder Kinderhuis in mijn boek straks helemaal niet een fysiek gebouw. Misschien was het een eufemisme voor de Dood. ‘Die is naar het Noorder Kinderhuis,’ zeiden mensen over een kind dat het niet had gehaald en aan de mazelen was bezweken.

Ik wist uiteraard niet dat het mijn eigen laatste zomer als gezond mens zou zijn.

Er werd dat najaar bij toeval slokdarmkanker bij me geconstateerd, ik kwam voor heel iets anders naar het ziekenhuis. Toeval of niet, het ging om een lelijke, agressieve tumor. Er stond een snijgrage chirurg voor me klaar, hij wachtte me bij wijze van spreken al op met in elke hand een mes. Samen met mijn partner Maarten besloot ik dat opereren niet mijn pad zou zijn. De ingreep is niet zonder risico’s en de consequenties voor je dagelijks leven kunnen erg ingrijpend zijn. Daarbovenop: volgens de statistiek is de levensverwachting na de operatie maar drie jaar (en zonder operatie is dat de helft).

Maarten en ik vonden het nogal een investering, met een tamelijk gering rendement. Je moest wel heel radeloos zijn als je je hieraan uitleverde. Ik had gewoon niet genoeg doodsangst in me om tot iedere prijs door te willen gaan met leven. Het leek me bovendien niet dat ik werkelijk onmisbaar was op aarde, zoals een jonge moeder of vader met kleine kinderen dat wel is.

Wij lieten de snijgrage chirurg alleen met zijn messen en ik wierp me in de armen van een jonge radiotherapeut die heel geruststellend dokter Vogel heette. Hij zou mijn tumor met een chemoradiatiekuur ‘wegbombarderen’. Mijn tumor zou daarna terugkeren, zo eentje was het er nu eenmaal, een echte stalker, maar de kuur zou me hopelijk extra tijd van leven geven.

Thuis keek ik in de badkamerspiegel naar de schietschijf die ten behoeve van de bestraling op mijn mooie borst prijkte. Had ik op mijn oude dag toch nog een tatoeage. En aan de drugs was ik eindelijk ook, want van alle kanten droegen goede zielen wietolie aan; als iemand met een drugshond mijn huis zou komen controleren, was ik de sjaak.

Het werd 1 maart 2017. Mijn kuur was klaar. Officieel was ik uitbehandeld. Ik had voor jaren de maximumdosis bestraling gehad en andere mogelijkheden waren er voor mij niet meer. Maar wat gaf dat, aangezien dokter Vogel zijn bombardement geslaagd had verklaard? Ik zag helder voor me hoe ik nu een periode tegemoet ging waarin er verder niet zo veel aan de hand zou zijn. Aan het einde daarvan zou ik, poef, dood neervallen, maar dan zou ik in elk geval intens van het leven hebben genoten.

Vooralsnog voelde ik me wel erg vodderig van de chemoradiatie. Gelukkig had ik mijn Reddende engel, met een geplande verschijningsdatum in het najaar. Dankbaar klampte ik me aan het boek vast. Het bleek mijn reddingsboei. Al kon ik soms maar een paar uur per dag werken, ik was iemand die een roman schreef, zoals ik altijd had gedaan. Dit had ik nog.

Voor zover ik zelf kon beoordelen, schreef ik niet beter of beroerder dan anders. Dat zou kunnen liggen aan het feit dat mijn boek al grotendeels klaar was toen ik mijn diagnose kreeg: ik hoefde alleen het laatste hoofdstuk nog te schrijven en me vervolgens uit te leven op wat ik altijd het fijnste fase van het hele proces vind: de herschrijfrondes waarin alles zijn vervulling vindt en op z’n plaats valt. Het ‘verhaal’ was al zo ver gevorderd dat het zijn eigen wetmatigheden had, z’n eigen eisen stelde, en het op geen enkele manier nog van plan was om zich aan mij aan te passen.

Op de dag dat Reddende engel verscheen, bracht een gastroscopie aan het licht dat mijn slokdarm wederom ‘een paar plekjes’ vertoonde, dat meervoud was trouwens nieuw, kijkt u even mee op het scherm? Nog geen half jaar na het bombardement van dokter Vogel waren ze uit het vooronder tevoorschijn gekropen.

Hiervoor had ik nog geen haast gehad. Nu zocht ik koortsachtig de luttele aantekeningen die ik over het Noorder Kinderhuis had gemaakt bij elkaar. Twee blaadjes, één met de namen van de personages, eentje met vragen die ik mezelf stelde over vooral de vertelinstantie. Het drong tot me door dat dit de laatste roman was die ik in mijn leven zou schrijven, en het was alsof ik opjagende, horrorachtige filmmuziek hoorde.

Bij je volle bewustzijn je laatste roman schrijven, bij elke zin weten dat het hier gaat om het sluitstuk van je oeuvre, orgeltoon, orgeltoon, dat leek me een opdracht waartegen ik niet was opgewassen. En hoe zou ik het hoofd moeten bieden aan de angst dat ik dat boek niet meer zou afkrijgen? Hoe zou ik nog een oog kunnen dichtdoen in de wetenschap dat een roman mij gemiddeld nu eenmaal veertien tot zestien maanden kost terwijl ik statistisch gesproken die tijd helemaal niet meer had? Ik kon toch niet met oogkleppen op maar doodleuk beginnen aan een roman waarvan het bijna vást stond dat het een Unvollendete zou blijven? Waar moesten mijn arme personages straks heen, Zebedee, Hosanne, Anne-Eden, en de spichtige tweeling Michaël en Daniël, als ik gedwongen was voortijdig de handdoek in de ring te gooien? Ze zouden voor altijd in het duister rondzwerven. Erger kon je als schrijver niet falen.

Bovendien waren er genoeg andere zaken die mijn aandacht vroegen, nu mijn dagen geteld waren. Om te beginnen moest ik mijn huis uitmesten. Ik moest het zó achterlaten dat Maarten en zijn hulptroepen straks overal goed wijs uit konden worden. Ze hoefden zich dan niet ook nog eens het hoofd te breken over waarom ik dit of dat had bewaard, of wat daarmee moest gebeuren.

Maar wat ik beslist nog niet meteen kon weggooien, waren de honderden reacties die ik kreeg nadat ik in een interview in de Volkskrant over mijn situatie had gesproken. Maandenlang kwamen er dagelijks mails, kaarten en brieven binnen van lezers die me vertelden wat mijn werk voor hen had betekend, vaak zelfs levenslang. Iemand schreef me: ‘Van elk boek van jou weet ik nog waar ik was toen ik het las, en in welke periode van mijn leven ik zat. Tijdens mijn middelbare schooljaren, waarin ik me soms heel alleen voelde, in een wereld waarin niemand me leek te begrijpen, gaf jouw werk me troost.’ Anderen schreven me dat ze hun kinderen hadden vernoemd naar mijn personages. Of ze schreven me bars: ‘Zorg alsjeblieft voor een opvolger!’ Of ze stuurden me foto’s van hun Dorrestein-boekenplankje.

Verder kende ik geen genade met al het papier in mijn huis. Ik verscheurde enorme hoeveelheden persoonlijke correspondentie en mappen vol vergeelde emoties. Tegen mijn assistente Andrea zei ik: ‘Stel je voor dat je na je dood, als je je niet meer kunt verweren, een biográáf achter je aan krijgt.’ Op de achtergrond wrong mijn uitgever gefrustreerd zijn handen.

Het weggooien was louterend. Het voerde me langs mijn hele leven. Al doende haalde ik vele uitgestelde huil-uren in. Op een vage manier was het ook onthechtend. Je moest ergens beginnen met die onmogelijke opdracht om het leven en de levenden los te laten.

Toen ik mijn papieren zaken op orde had, begon ik aan het uitbaggeren van mijn computer. Maar algauw raakte ik verstrikt in urenlange leessessies. Lang niet alles wat een schrijver schrijft, komt tussen twee kaften in de boekenkast terecht. Bij velen van ons groeit een soort schaduwoeuvre, namelijk een enorme hoop artikelen, inleidingen, lezingen, losse bijdragen die moeilijk te categoriseren zijn. Het was onverwachts heerlijk om al die stukken weer tegen te komen die ik de afgelopen jaren had geschreven.

En kijk nu toch eens: in mijn kluis bleek een hele stapel ouderwetse diskettes te liggen die materiaal bevatten uit de jaren 1988 tot 1999. Mijn redacteur Harminke Medendorp ontfermde zich er voortvarend over toen ik haar vertelde dat ik razend benieuwd naar de inhoud was. Ze ging ermee naar typograaf Sander Pinkse, die op zolder zowaar nog een apparaat had staan waarmee diskettes konden worden gelezen.

Een overzicht van tien jaar schrijven kwam binnen mijn bereik.

Terwijl ik met rode wangen al die oude stukken herlas, over de lezer als bondgenoot van de schrijver, of over de maatschappelijke gevolgen van de ontdekking van de clitoris, drong het tot mij door dat je beter zou kunnen spreken van een ‘oefenoeuvre’ in plaats van een ‘schaduwoeuvre’: in al die oude artikelen en lezingen zag ik mezelf de thema’s exploreren die later in mijn romans zouden terugkeren. Onderwerpen die me in het werkelijke leven fascineerden (hoe denken we over mannen en vrouwen, over vrijwillige kinderloosheid, over ouder worden – afhankelijk van in welk seizoen van het leven ik me bevond) zouden later in mijn romans hun weerslag krijgen. De artikelen die ik over die onderwerpen schreef waren als proefboringen in een olieveld. Die exploraties van soms decennia geleden lieten me in één klap zien waar mijn schrijverschap vandaan is gekomen en in welke maatschappelijke omstandigheden het wortelt.

Ik stond in mijn werkkamer oog in oog met mijn eigen bronnen.

Het was zonderling troostrijk. Het compenseerde het verlies van het Noorder Kinderhuis. Zeker, het was vreselijk jammer dat ik die roman niet meer kon schrijven. Maar laten we wel wezen, hoe groot was de kans dat dat boek op de valreep opeens nog iets heel nieuws aan mijn oeuvre zou toevoegen? ‘Een echte Dorrestein’ zouden de recensenten er vast zoals altijd over schrijven. Was het niet veel uitdagender om, nu dat nog kon, zelf te onderzoeken wat de grondstoffen voor zo’n ‘echte Dorrestein’ decennia lang waren geweest?

De directeur van het Literatuurmuseum (voorheen het Letterkundig Museum) was al bij me langs geweest om te spreken over een overname van mijn werkarchief. Dat kon je een verzamelaar niet kwalijk nemen. Maar momenteel, met mij nog bovengronds, was alles nog glorieus helemaal alleen van mij. En pal onder mijn neus bevonden zich alle ingrediënten voor een zelfportret – of voor een literaire autobiografie. Voor een boek zoals ik in elk geval nog nooit eerder had geschreven. Een boek over mijn dilemma’s en mijn oplossingen, over de afslagen die ik welbewust nam en de afslagen die ik stom genoeg miste. Een boek dat zou laten zien hoe ik de schrijfster werd die ik nu ben.

Wat een fris vooruitzicht.

Aan de slag.

[Deze tekst is de bewerking van de inleiding uit Dagelijks werk van Renate Dorrestein, dat vanaf komend weekend in de boekhandel verkrijgbaar is.]

Kader

De zomer van 2016 was Renate Dorresteins laatste zomer als gezond mens. Dagelijks werk, dat volgende week verschijnt, is haar terugblik op 45 schrijverschap. En vooral is het een daverend afscheid.

Renate Dorrestein: Dagelijks werk – Een schrijversleven

Podium; 298 pagina’s; € 19,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.