'Beklaagdenbank zit na rapport-Deetman veel te vol'

De reacties op het misbruik in de rooms-katholieke kerk zijn ongenuanceerd. De achthonderd daders en verdachten vormen slechts tussen de 1 en 2 procent van alle religieuzen die destijds actief waren. Dat zegt Sjaak van der Geest.

Wim Deetman bij de presentatie van het rapport over misbruik in de rooms-katholieke kerk. Beeld epa

Het rapport-Deetman en de discussie over het daaraan ten grondslag liggende onderzoek roepen veel vragen op. Ik wil er drie uit lichten. Maar laat ik eerst zeggen wie ik ben, want kennelijk heeft niet iedereen evenveel recht van spreken. De slachtoffers krijgen de meeste ruimte; de daders en verdachten de minste. Bisschoppen en kerkelijke oversten kunnen beter ook niet te veel zeggen; ze moeten zich en hun mede-broeders/zusters zeker niet gaan verdedigen. Iedere nuance maakt ook hen 'verdacht'.

Ik heb als kind op een rooms-katholieke lagere school gezeten die werd geleid door de Broeders van Maastricht, een onderwijscongregatie die tot eind jaren zestig een groot aandeel had in het katholieke lager en lager-middelbaar onderwijs. Daarna heb ik van mijn 12de tot mijn 18de op een kleinseminarie gezeten, een internaat dus, om priester-missionaris te worden, en vervolgens nog zes jaar op een grootseminarie van waaruit ik filosofie en theologie volgde, onder andere aan de Katholieke Universiteit Tilburg. Priester-missionaris ben ik echter niet geworden, wel cultureel antropoloog.

Kortom, ik heb in totaal zo'n achttien jaar in katholieke instellingen doorgebracht, waarvan twaalf jaar intern. Ik weet dus waar ik het over heb, als ik de sfeer in deze gemeenschappen beschrijf. Maar ik ben tegelijkertijd een buitenstaander. Ik heb geen banden met de instellingen. Wel heb ik enkele zeer goede vrienden overgehouden uit deze jaren en ook denk ik met respect en dankbaarheid terug aan degenen die toen hebben bijgedragen aan de vorming van wie ik nu ben. In mijn vak, de antropologie, wordt dit beschouwd als een ideale uitgangspositie voor het doen van onderzoek: betrokkenheid en distantie, tegelijkertijd een insiders- en outsidersperspectief.

Celibaat
Een opvallende conclusie van het rapport-Deetman is dat er geen aanwijzingen zijn dat het celibaat een rol heeft gespeeld bij het seksueel misbruik door katholieke geestelijken. De statistieken, die overigens op onzekere cijfers en schattingen zijn gebaseerd, zoals de schrijvers zelf benadrukken, suggereren dat althans. Mijn ervaringen leren echter iets anders.

In kostscholen en seminaries heerste, zeker in de beginjaren die Deetman en zijn commissieleden beschrijven, niet bepaald een sfeer van warme affectiviteit. Al te hartelijke relaties tussen de diverse bewoners van deze instellingen werden afgekeurd en de kop ingedrukt. Dat gold niet alleen voor relaties tussen volwassenen en pupillen, maar ook voor die tussen leerlingen onderling. Deze strikte discipline vormde het impliciete bewijs dat men zich wel degelijk bewust was van het 'gevaar' van ongewenst seksueel gedrag. Voor veel jongens die heimwee hadden of zich om andere reden eenzaam voelden (over meisjes-kostscholen durf ik niets te zeggen) vormde dit strenge en kille beleid de doodsklap.

De vakterm van die dagen was 'particuliere vriendschap'; dat was verboden. Alles moest groepsgewijs gebeuren. Zich met zijn tweeën afzonderen werd niet toegelaten. Ook was het verboden voor een jongen van een hogere klas om te gaan met een jongen van een lagere klas. Ik kan me diverse keren herinneren dat twee jongens van verschillende klassen die samen buiten liepen, uit elkaar werden gehaald, klaarblijkelijk om die reden.

In de jaren zestig begon dit echter te veranderen, parallel aan andere ontwikkelingen in de Nederlandse Katholieke Kerk. Ik herinner me een artikel van de pedagoog Perquin in het toenmalige tijdschrift Dux, die een pleidooi hield voor een opener houding tegenover affectie en vriendschap in religieuze gemeenschappen.

Het klimaat veranderde inderdaad en binnen communiteiten groeide meer vrijheid voor het aangaan van affectieve relaties. Dat was echter tegelijkertijd de periode dat seminaries leegliepen en de Nederlandse kerk door Rome een halt werd toegeroepen, zoals ook het rapport-Deetman beschrijft.

Bij dit alles dient men te beseffen dat deze ontwikkelingen - eerst het strenge anti-affectieve beleid en daarna de versoepeling - plaatsvonden in de context van het verplichte celibaat. De mannen die de verantwoordelijkheid hadden voor de opvoeding van jongens tussen de 12 en 18 jaar, hadden geen enkele lichamelijk-affectieve relatie, althans mochten die niet hebben.

Degenen voor wie dit gemis te zwaar was, hadden nauwelijks de optie een vriendin te zoeken zonder daarmee hun plek in de gemeenschap en de kerk te verliezen (om over een homoseksuele relatie tussen volwassenen maar helemaal te zwijgen). Een relatie met een vrouw werd gezien als een directe breuk met de celibaatsgelofte. Bovendien waren 'vriendinnen' niet echt beschikbaar, zeker niet in het aanvankelijke strenge regime.

Lichamelijke intimiteit met kinderen die zij altijd om zich heen hadden, had daarentegen een veel minder 'deviant' karakter - hoe anders men daar nu ook over moge denken. De intimiteit met kinderen of opgroeiende jongens was bovendien vaag gedefinieerd en fluïde. Zij kon variëren van onschuldige aanrakingen die door beide partijen als positief, normaal en prettig werden ervaren, tot het andere uiterste, ernstig seksueel geweld. Cijfers in het rapport-Deetman die betrekking hebben op dit onderwerp, zijn uiterst vaag en speculatief en daarom moeilijk te interpreteren.

Mijn 'punt' is, kortom, dat het in deze context nauwelijks is voor te stellen dat het opgelegde celibaat bij opvoeders in deze instellingen niet een factor is geweest die heeft geleid tot het zoeken naar lichamelijke affectiviteit bij minderjarigen. Dezen maakten immers deel uit van hun dagelijks leven terwijl vrouwen onbereikbaar ver weg en meer 'verboden' waren. Daarbij moet men beseffen dat voor vele van deze opvoeders en leraren het celibaat absoluut geen bewuste keuze was geweest, toen ze zich als 12-jarigen meldden in het seminarie of juvenaat. Toen ze zich bij het ouder worden bewuster werden van de realiteit van het celibaat, verkeerden ze vaak in een situatie waarin weggaan geen optie meer was wegens zelf gekoesterd toekomstperspectief, sociale druk en hooggespannen verwachtingen bij ouders of anderen.

Hetze
Wat mij in de huidige discussie het meest verontrust, is de ongenuanceerdheid van de reacties van de media en het grote publiek. We leven in een tijd (maar eigenlijk zijn zulke tijden er altijd geweest) dat de islam wordt verguisd omdat een uiterst kleine minderheid excessief religieus geweld pleegt. De verstandigen onder ons wijzen op het onrecht dat we daarmee de islamitische gelovigen aandoen. Maar wie waagt het vandaag om op te komen voor al die mannen en vrouwen die zich in hun hele -- ongetrouwde - leven hebben ingezet voor de opvoeding van andermans kinderen in seminaries en internaten? De achthonderd daders en verdachten vormen tussen de 1 en 2 procent van alle religieuzen die in die jaren actief waren. Het lijkt er sterk op dat al die anderen nu in een moeite met die kleine minderheid in de beklaagdenbank worden gezet. Misschien overdrijf ik; het wordt zelden zo zwart-wit gezegd, maar de insinuaties kom je overal tegen. De kerk heeft voor velen - althans voor degenen die zich uitspreken - afgedaan als sociaal instituut met moreel kapitaal. Waarom? Omdat er een paar Al Qaida's tussen zitten.

Jaren geleden las ik een boekje waarin achttien hulpverleners in de jeugdzorg over intimiteit spraken. Ze beschreven hoe hun werk in de verdenking van seksueel misbruik was komen te staan. Ze klaagden er niet eens over; ze konden er begrip voor opbrengen, want ze wisten hoe traumatisch de gevolgen konden zijn voor kinderen als het misging. Maar ondertussen krijgt omgang tussen opvoeder en kinderen wel een eng en krampachtig karakter. De prijs is hoog. Het middel is misschien wel erger dan de kwaal, maar toch lijkt er geen andere keus mogelijk. Een opvoeder zegt: 'Als er 's nachts een kind voor je deur staat, moet je meteen een collega wakker maken. Je moet ervoor zorgen dat je altijd met zijn tweeën bent. (...) Vroeger stopten we jongeren in als ze naar bed gingen en wensten we ze uitgebreid welterusten. Nu doen we dat vanuit de deuropening.'

Ik kijk naar een oude klassefoto, mijn 4de klas van de lagere school. Broeder Germanus zit midden tussen zijn kinderen. Hij heeft zijn arm om de schouders van een jongen die zich blijkbaar zeer bevoorrecht voelt. Een ander legt zijn arm over schouder en borst van de broeder. Een ontroerend detail. Ben ik nostalgisch? Is dit iets wat voorgoed voorbij is?

Zwijgen
Wat me, tot slot, intrigeert is het zwijgen van de meeste (veronderstelde) slachtoffers. Deetman en zijn collega's schatten dat er in de periode 1945-1981 tussen de 10.000 en 20.000 personen onder de 18 jaar misbruikt zijn door rooms-katholieke geestelijken; een kleine 2.000 slachtoffers of vermeende slachtoffers hebben zich bij de Commissie gemeld. De vraag rijst: wie waren al die andere door de commissie vermoede 8- tot 18 duizend slachtoffers die zich niet hebben gemeld en waarom hebben zij dat niet gedaan?

We kunnen er slechts naar gissen (of onderzoek naar doen!). Durft deze grote meerderheid nog steeds niet voor de dag te komen? Ook niet anoniem? Of vinden ze het niet nodig? En waarom dan niet? Ondervinden ze geen 'last' meer van die gebeurtenissen in het verleden? Of hebben ze er nooit last van gehad? Hebben ze het nooit als 'misbruik' ervaren? Of durven ze in de huidige discussie niet uit te komen voor het feit dat het hun leven niet heeft beschadigd? Kortom: worden de grote getallen voor een belangrijk deel gevormd door personen die niet als 'slachtoffer' zijn aan te merken? Deze vragen over de werkelijke omvang van het probleem van het misbruik blijven de huidige discussie parten spelen.

Ik ben gelukkig geen bisschop, overste of broeder-onderwijzer, anders had ik dit nooit durven schrijven. Ik heb niet de bedoeling het leed van slachtoffers te bagatelliseren, al zullen velen dat wel roepen. Ik probeer fair te zijn voor alle partijen, maar ten behoeve van het herstel van de balans voor een eerlijke beoordeling van de situatie vooral aandacht te vragen voor de partij die nu onrecht wordt aangedaan en monddood wordt gemaakt: de meer dan 50.000 geestelijken die zich in het verleden met grote toewijding hebben ingezet voor de opvoeding en het onderwijs van mijzelf en van tallozen van mijn leeftijdsgenoten.

Sjaak van der Geest is oud-hoogleraar medische antropologie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.