Interview Terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf

Beatrice de Graaf: ‘We zijn er pas echt als er ook luie, slechte vrouwen aan de top komen’

Een potje smalltalk met de mensen op haar afdeling moet terreurdeskundige en hoogleraar Beatrice de Graaf in haar agenda zetten. Want ze heeft altijd haast.

Beatrice de Graaf: ‘Ik werd socialer door te kijken hoe anderen zich gedragen.’ Beeld Bianca Pilet

Een paar jaar geleden ging terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf ineens slecht slapen, vertelt ze. ‘Ik kreeg last van angstdromen, zeker na de geboorten van mijn kinderen. Waarschijnlijk kwam het ook door de hormonen. Ik zag mezelf met mijn kinderen het water inrijden of het huis stond in de fik. Ik róók de brandlucht. Ik heb mijn man toen niets verteld om thuis de rust te bewaren.’

We zitten in haar werkkamer aan de universiteit in het centrum van Utrecht waar De Graaf (42) hoogleraar Internationale Betrekkingen is, twee kartonnen bekertjes koffie voor ons.

De toon is vertrouwelijk als ze vertelt hoe haar hoofd een snelkookpan werd die dreigde over te koken. Ze somt de ingrediënten op van deze ‘enorm stressvolle periode’: ze richtte het Centre for Terrorism and Counterterrorism in Leiden op, kreeg kort na elkaar drie kinderen en was veel te gast in talkshows om terreuraanslagen te analyseren. ‘Vooral die televisieoptredens waren heftig,’ zegt De Graaf. ‘Ik wil meerdere oorzaken en patronen van terrorisme laten zien, maar mensen raken volledig van de leg als je niet roept: het is allemaal de schuld van de islam, sluit de moskeeën! Ik kreeg veel verwensingen en dreigementen via Twitter en heb daar echt last van gehad. Sindsdien let ik op mijn woorden: zeg ik niets verkeerds, doe ik geen uitspraken die makkelijk uit de context kunnen worden gelicht?’

U wilt meerdere oorzaken van terrorisme laten zien, zegt u. Welke? 

‘Er zijn pakweg twee kampen onder wetenschappers en opiniemakers. Volgens het ene kamp komt terrorisme voort uit armoede, uitsluiting, uitbuiting en discriminatie. Het andere kamp zegt: nee, het komt door de islam, door religieuze overtuigingen. Ik vind beide zienswijzen te simplistisch en betrek ze allebei in mijn analyses: het is én én. Ik probeer altijd per geval en in de context te kijken in plaats van in grote wetmatigheden te denken. De een wordt geronseld, de ander zoekt avontuur, sommige terroristen zijn home grown en anderen gerekruteerd, is het in Nigeria of Nederland? Pas als je weet waar het terrorisme vandaan komt, kun je het bestrijden.’

U zou met die genuanceerde benadering een gutmensch of wegkijker zijn.

‘Ik vind dat zo’n gek verwijt. Ik kijk niet weg, ik ben vaak op televisie om erover te praten. Ga dan met mij in debat over mijn opvattingen! Ik vind terrorisme een manifestatie van het kwaad en wil weten hoe er een eind aan kan worden gemaakt. Dan moet je de oorzaken niet negeren. Het is een complex probleem dat je kunt oplossen met een complex arsenaal aan middelen, van preventie tot harde repressie. Ik zit niet op sociale media, maar soms jeuken mijn handen als mijn mening karikaturaal wordt verdraaid. Ik blijf hopen dat mensen de moeite nemen zich erin te verdiepen in plaats van meteen te gaan schreeuwen.’

Dat De Graaf tegenwoordig angstvallig op haar woorden zou letten, daar is weinig van te merken. Op televisie geeft ze nog altijd even uitgesproken als genuanceerd haar wetenschappelijk onderbouwde analyse van terroristische gebeurtenissen. Haar werk werd onlangs bekroond met de prestigieuze Spinoza-Stevinprijs, voor topwetenschappers met een grote maatschappelijke impact. Afgelopen week verscheen haar nieuwe boek Tegen de terreur, een lijvig werk waarvoor ze zes jaar lang in archieven dook. Op basis van niet eerder onderzochte bronnen reconstrueert De Graaf hoe er vanaf 1815 een Europese veiligheidsstaat werd gebouwd, nadat Napoleon definitief was verslagen; de eerste gezamenlijke strijd tegen terreur, met de hertog van Wellington als aanjager.

‘Het archiefwerk was heilzaam’, zegt De Graaf. ‘De wereld kwam op dat moment zó binnen, mijn hoofd ging kolken van al die stemmen, alle onrust en frustratie. Ik zocht houvast en troost. Die vond ik in de geschiedenis. Elke avond na het eten pluisde ik een uurtje eeuwenoude Duitse handschriften uit voor mijn boek, heerlijk. Zo kwam ik weer op adem.’

U ontdekte dat er een Europese Verdedigingsgemeenschap heeft bestaan, een Navo avant la lettre. Hoe kreeg u die vergeten geschiedenis boven water?

‘Ik vermoedde het bestaan ervan en heb een fles whisky uitgeloofd aan degene in mijn onderzoeksteam die het bewijs vond. Na veel research in Berlijnse archieven stuitte een collega op notulen van deze veiligheidsraad. Daarna ben ik zelf die geschriften in oud-Duits gaan ontrafelen, met hulp van een gepensioneerde vriendin, een archivaris die mij dat leerde.’

Wat is uw belangrijkste inzicht?

‘Dat we op dit moment in Europa in een vergelijkbare situatie zitten. Na de Franse Revolutie en napoleontische oorlogen waren de mensen zo getraumatiseerd door de terreur van anarchisten, dat ze alleen nog maar naar veiligheid verlangden en bereid waren hun burgerschap op te geven. Er ontstond een centrale overheid met vérstrekkende bevoegdheden voor grens- en paspoortcontroles. Ook nu verwachten we alles van de zogenaamd machtige staat. We eisen van politici in Den Haag repressieve maatregelen, zoals de sleepnetwetgeving, en tegelijkertijd rekenen we ze er snoeihard op af omdat geen maatregel naar ons gevoel ooit toereikend zal zijn. Na de steekpartij in Amsterdam Centraal waren mensen oprecht boos: waarom laat de regering een Afghaan uit Duitsland hier zomaar rondlopen? Dan denk ik: hoe kan de regering dat nu voorkomen zonder het land in een Noord-Korea te veranderen?’

‘Die neerwaartse spiraal kunnen we alleen doorbreken door meer verantwoordelijkheid bij de burger te leggen en na te gaan: hoe kan die lokaal zijn talenten inzetten?

Hoe dan?

‘Ik heb daar nog geen antwoord op. Met het onderzoeksgeld van de Stevinprijs (2,5 miljoen euro, red.) wil ik onderzoeken waar onze torenhoge verwachtingen van en frustraties over de veiligheidsstaat vandaan komen, hoe we ermee om moeten gaan en ze kunnen terugbrengen tot realistische proporties.’

Een geruststellend boek is Tegen de terreur niet geworden. Het oorlogsgeweld spat van de pagina’s.

‘Nee, maar ik hoop wel dat je het spannend vond. Ik heb geprobeerd me in te leven in een historische figuur als de hertog van Wellington. Hoe is het om weken achtereen op een natte paardenrug door de Pyreneeën te klauteren terwijl je beste makkers aan flarden worden geschoten? Ik duik graag in het leven van een terrorist of historische figuur dat bol staat van de heftige gebeurtenissen en moeilijke keuzen. Zelf heb ik voor een veilig leventje gekozen. Mijn geest is misschien avontuurlijk, maar ik ben gewoon een moeder en ik woon in een rijtjeshuis in Utrecht.’ Ze lacht besmuikt.

U schreef in uw kraambed uw boek over vrouwelijke terroristen.

‘Ja, dat gaf rust. Ik had alle tijd om me te verdiepen in de verscheurde wereld van RAF-kopstuk Ulrike Meinhof en de dilemma’s waar zij voor stond. Wat ik wél heftig vind, zijn de filmpjes van terroristen die ik beroepshalve moet zien. Die kijk ik met de stopwatch in de hand om er niet te lang in te blijven hangen. Ken je dat filmpje waarin christenen op hun knieën aan de rand van het water één voor één worden afgeslacht? Ik vind dat zó verschrikkelijk. Zo’n beeld blijft me bij.’

Hoe zorgt u dat angst niet de overhand krijgt met het werk dat u doet?

Stilte. ‘Ik twijfel of ik eerlijk antwoord zal geven, het is zo kwetsbaar.’ Na enkele overpeinzingen: ‘Op angstige momenten bid ik hardop, op mijn knieën voor mijn bed. Dan vraag ik God of hij ons wil beschermen tegen het kwaad en het deurtje van de waanzin in mijn hoofd dicht wil laten.’ Na nog een stilte. ‘Maar ik krijg ook rust als ik naar mooie muziek luister en vooral als ik zelf piano speel, alleen, of met een vriendin op de cello. Ook het samenspelen in de kerk vind ik rustgevend.’

Vindt u geloof een lastig gespreks-onderwerp?

‘Best wel. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik naar de kerk ga en op de ChristenUnie-lijst in Utrecht heb gestaan, maar ik ben altijd bevreesd om in één tweet als christengekkie weggezet te worden. Ik krijg beurzen, prijzen en erkenning voor mijn wetenschappelijke werk, maar zeg je in Nederland: en ik geloof ook nog in God, dan word je weggehoond.’

Is dat iets typisch Nederlands?

‘Ik vind veel mensen hier weinig tolerant naar godsdienst. Alsof je als christen gevaarlijk zou zijn omdat je God boven de wet zou stellen. Kijk, je mag foeteren op het machtsmisbruik binnen de kerk en mensen scherp bij de les houden: waar in de Bijbel staat dat homoseksuelen niet met elkaar mogen trouwen? Van mij hoeft niemand te geloven. Het is mijn werkelijkheid, maar ik zie ook dat mensen vaak prima zonder religie leven. Maar dat je als wetenschapper niet gelovig zou kunnen zijn, vind ik een denkfout. In grote delen van de wereld is de meerderheid van de wetenschappers christen. Zolang je je als christen naar de wetenschappelijke mores voegt is het oké.’

Hoe kijkt u als christen naar het kwaad?

‘Ik denk dat de mens geneigd is tot het kwaad, maar ook geroepen is om dat te overstijgen. Dat kan, mits je hulp krijgt van hogerhand, je eigen fouten wilt inzien en omkeert naar het goede. Seculariseer je dat omkeren of bekeren, dan komt het erop neer dat je je eigen tekortkomingen onder ogen leert zien. Wie het kwaad alleen maar op de ander projecteert vergist zich. Je hebt een eigen verantwoordelijkheid en er is altijd een uitweg. We kunnen niet zonder pre-politieke waarden als verzoening, vertrouwen en barmhartigheid.’ Na een stilte. ‘Ik denk dat het geloof ons iets te melden heeft in deze onbarmhartige tijd.

‘Verder heb ik er altijd voor gezorgd dat ik qua kennis een voorsprong had. Die les heb ik van mijn oma geleerd.’ Beeld Bianca Pilet

Hoe ziet u dan een terrorist?

‘Een terrorist denkt vaak dat hij zélf de verlosser is. Dat hij moet optreden als een soort goddelijke held en dat de heilstaat ontstaat wanneer je alles opblaast. Zo iemand is niet bereid zijn eigen tekortkomingen te zien en lijdt aan schromelijke zelfoverschatting. Dat maakt hem zo gevaarlijk.’

De Graaf groeide op in een gelovig en intellectueel gezin in Putten, als oudste dochter met later nog twee broertjes. Haar vader was geschiedenisleraar, haar moeder was eerst onderwijzeres en werd huisvrouw toen er kinderen kwamen. Op zondag ging het gezin twee keer naar de hervormde kerk. Vrijwilligerswerk en op zaterdagmiddag oma helpen met het huishouden hoorden erbij. Streng in de leer waren haar ouders niet. ‘Ik droeg broeken, kort haar en mocht gewoon uit.’ Beatrice kreeg veel vrijheid en ging geregeld uit logeren. ‘Mijn moeder zette me toen ik 4 was gewoon op bus 105 naar Ede, waar mijn grootouders woonden. Daar bleef ik dan logeren. Of ik ging mee met een vrachtwagen die naar Genemuiden reed waar mijn tante en nichtjes woonden, zat ik met mijn koffertje naast de chauffeur voorin. Thuis was het druk voor mijn moeder, ze was snel moe.’

Op school voelde ze zich eenzaam. Ze kon moeilijk aansluiting vinden bij de kinderen in haar klas en werd gepest. ‘Dan stond ik aan de rand van het schoolplein te kijken naar de spelende kinderen en zei de juffrouw: speel nou gewoon mee, Beatrice! Maar ik wist niet hoe.’ Haar dochtertje heeft het ook, vervolgt ze, die denkt ook zo veel na. ‘Toen ik haar laatst op het schoolplein naar de andere kinderen zag kijken, kwamen de herinneringen weer boven. Vreselijk. Ik zit nog steeds veel in mijn hoofd, soms is het mooi om gewoon mee te rollen. Gelukkig heb je tegenwoordig allerlei cursussen in sociale vaardigheden. Wat had ik die graag gedaan. Het had heel wat houterigheid en eenzaamheid gescheeld. Ik werd uiteindelijk socialer door te observeren hoe anderen zich gedragen, dat doe ik nog.’

Hoe ze haar eenzame jaren dan doorbracht?

‘Ik las veel, was dol op verhalen.’ Haar bijbaantje als patatbakker op het marktplein van Putten bracht haar de nodige mensenkennis. ‘Het was mijn kennismaking met het echte leven’, lacht ze. ‘Daar kwam je het uitschot van Putten tegen, de mannen die ’s avonds per taxi terugkeerden van de hoerenbuurt in Amsterdam en over hun avonturen vertelden. Ik luisterde met rode oortjes. Enig.’

Van haar spaargeld kocht ze haar eerste auto waarmee ze op haar 18de naar haar stageplek in Duitsland reed, land van sprookjes én gruwelen. Haar grootvader was hoogleraar germanistiek aan de Vrije Universiteit en dol op Duitse sagen. Elke zomer huurde hij een vakantiehuis in het Zwarte Woud. Tijdens wandelingen vertelde hij zijn kleinkinderen de gruwelijke sprookjes van Grimm. Van haar vader kreeg Beatrice een andere blik op Duitsland mee. Hij was geschiedenisleraar en had een documentatiecentrum opgebouwd rond de geschiedenis van de razzia in Putten in 1944, waarbij 661 mannen werden afgevoerd; slechts 48 kwamen terug. Hij is vernoemd naar twee vermoorde ooms. Na de oorlog kwam er vanuit de Duitse kerkelijke gemeente in Ladelund een uitwisseling tot stand met Putten waar Duitse jongeren verzoeningsarbeid kwamen doen. ‘Die bleven bij ons logeren. Dan trof ik ineens een Duitse vent bij ons op de bank, gek hoor. Ik vond het wel mooi. De vroegere vijand werd tegemoet getreden vanuit het besef dat we allemaal zondig zijn. Tegenwoordig vergroten we de vijand juist uit door framing, door de zaken versimpeld voor te stellen.’

De Graaf wilde begrijpen wat de oorzaken waren van de Tweede Wereldoorlog en de opkomst van het nationaal-socialisme en hoe dat te rijmen viel met de prachtige Duitse taal en cultuur. Ze ging Duits en geschiedenis studeren en promoveerde op een studie naar de Stasi, de geheime dienst van de voormalige DDR.

U heeft een razendsnelle ontwikkeling doorgemaakt van muurbloempje tot uitblinker.

‘De belangrijkste les die ik van mijn ouders heb geleerd komt uit de Bijbel: vermeerder je talenten. Je moet je nuttig maken in de maatschappij. Luiheid vind ik het allerergst. Doe je best, zeg ik dagelijks tegen mijn kinderen.’

‘We zijn er pas echt als er ook luie, slechte vrouwen aan de top komen.’ Beeld Bianca Pilet

Wat is uw grootste talent, uw intellect?

‘Mijn gezondheid, het feit dat ik uit een stabiel nest kom en alle verhalen die ik meekreeg, zie ik als talenten waarvoor ik niets heb hoeven doen. Intellect is er inderdaad ook een, maar dat ontwikkelen is hard werken. Ora et labora. En als het misgaat, ligt het aan jezelf. Dan moet je niet faalangstig of depressief worden, maar je probleem oplossen en leren van je fout.’

Is het wel eens misgegaan?

‘Vaak genoeg. Ik sta nu onbevreesd op het podium, zolang ik mijn kennis kan delen. Maar tijdens een auditie van het Prinses Christina Concours als tiener kleefden mijn vingers aan de piano vast en viel ik stil. En ik vond het vreselijk dat ik in groep acht de rol van kapitein in de schoolmusical moest spelen. Ik wilde juffrouw Penny zijn die liedjes zong en op wie iedereen verliefd was, maar ik werd de bitch op de boot. En ik was al zo groot en mollig! Wat heb ik mij lelijk gevoeld. Zo kwam ik erachter waar ik slecht in was, maar ook wat ik goed kan: verhalen vertellen. Als ik tijdens de zondagsschool bijbelverhalen vertelde, hingen de kinderen aan mijn lippen.’

Ik vind het knap hoe u als topvrouw in de wetenschap, beleid en media alle ballen in de lucht houdt. U heeft ook nog een gezin.

‘Dankjewel. Als ik aan het werk ben, zie ik mezelf niet in termen van man of vrouw, dan ben ik met de inhoud bezig. Ik heb me nooit geëmancipeerd gevoeld, ik doe gewoon wat ik moet doen. Daar heb je weer die talenten. Het heilige moeten, dat drijft mij.’

‘Verder werk ik gewoon de uren die ervoor staan. Zodra ik kinderen kreeg, zeiden mensen: nu ga je vast minder werken. Ik dacht: waarom? Mijn kinderen maken het goed en ik wil mijn talenten ontwikkelen. In een onderzoek van McKinsey naar gedeclareerde kantooruren las ik dat mannen er stelselmatig de kantjes vanaf lopen. Ze gaan urenlang golfen of wijnleuten onder werktijd. Dat doe ik niet en dus kan ik gerust mijn kind eens naar een schoolactiviteit brengen. Bezet, zet ik dan in mijn agenda. Don’t complain, don’t explain, zei Kate Moss. Dat heb ik jong in mijn oren geknoopt.’

U leidt een onderzoeksafdeling van veertig man.

‘Ja, aansturen is een vak apart. Soms wals ik in een vergadering over mensen heen uit ongeduld. Ik vind het ook moeilijk te accepteren als mensen het niet met me eens zijn. Dan word ik chagrijnig. Ik denk als afdelingshoofd soms te snel: zeur niet. Smalltalk bij het koffieapparaat vind ik tijdverspilling, we zijn met prachtige onderzoeken bezig! Ik ben nu eenmaal van de inhoud. Maar juist bij het koffieapparaat hoor je hoe het écht met de mensen gaat. Laatst gaf een collega me een goede tip: plan nou elke week een paar uur smalltalk. Rondlopen, zet ik sindsdien in mijn agenda. Dan moet ik echt de schakel in mijn hoofd omzetten: mijn werk is nu smalltalk en rondlopen. Ik voel voortdurend haast.’

Is het lastig om als jonge vrouw door te dringen in mannenbolwerken als de wetenschap of de inlichtingendienst?

‘Pas sinds ik leidinggevende ben, voel ik me soms in een hoek gezet. Als ik fel word, zie ik mannen wel denken: daar heb je weer zo’n hysterisch wijf. Dan is het: wat was jij weer fel. Terwijl een uitgesproken man juist als daadkrachtig wordt gezien. Verder heb ik er altijd voor gezorgd dat ik qua kennis een voorsprong had. Die les heb ik van mijn oma geleerd. Zij kwam uit een zwartekousengemeente en sommige dominees die daar kwamen preken, waren van die pedante macho’s, echte mannetjes. Dan zei mijn oma tegen mij: laat ze maar praten, zorg ervoor dat jij de beste bent. Dus als ik dacht: o jee, straks zit ik met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding aan tafel, dan las ik nog dertig studies en leerde de helft uit het hoofd, zodat ik zeker wist: ik weet altijd meer.’

Een waardevolle levensles?

‘Nou, ik vind het eigenlijk tragisch dat je als vrouw drie keer zo goed moet zijn voor je meetelt. We zijn pas echt geëmancipeerd als er ook luie, slechte vrouwen aan de top komen. Genoeg mannen van dat kaliber.’

‘Ja, vond je mijn verhaal mooi?’ De Graaf is opgelucht dat de plechtigheid voorbij is. ‘Ik was zó zenuwachtig!’ In haar getailleerde rode jurk en op fuchsiaroze pumps valt ze op te midden van de donkere pakken. Haar 6-jarige zoontje draait net zolang om haar benen tot ze hem optilt en knuffelt. We ontmoeten elkaar een week na ons eerdere gesprek in haar werkkamer weer, tijdens haar receptie in het zaaltje bovenin de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

Zojuist heeft ze op het podium uit handen van de minister de prestigieuze Spinoza-Stevinprijs gekregen, voor een zaal met hotshots uit de wetenschap. Meestal komt zo’n bekroning laat in de carrière, De Graaf is pas 42 en een beetje overdonderd. ‘Ik ben dankbaar en zie de prijs als een ongelooflijke zegen op mijn werk’, zegt ze terwijl ze van haar wijn nipt. ‘Maar ik denk ook: wat nu?’

‘Mensen raken volledig van de leg als je niet roept: het is allemaal de schuld van de islam!’ Beeld Bianca Pilet

Tijd om erbij stil te staan is er nu niet, het is feest. Voormalig Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding Tjibbe Joustra, in chic kostuum, komt de winnares feliciteren terwijl de jonge wijkagent Rogier iets verderop zijn beurt afwacht. Rogier vertelt dat hij veel met Beatrice op pad gaat om mogelijk radicaliserende jongeren in Utrecht te spreken. Toen hij haar mailde om kennis te maken -‘want zij maakt het beleid, ik voer het uit’ - mocht hij meteen bij haar thuis op de koffie komen. Haar zoontje heeft een Playmobil-politiepoppetje naar hem vernoemd. ‘Beatrice is daadkrachtig en direct,’ voegt een gemeenteraadslid toe. ‘In een vergadering zegt ze gewoon: wat een onzin. Sommigen schrikken daarvan, ik vind het verfrissend.’ Intussen zeult haar man Roland - rossig, rijzig, bril - met glazen limonade voor hun twee dochtertjes die in feestjurken om hem heen drentelen. Hij is als weg- en waterbouwkundig ingenieur verbonden aan ProRail. Natuurlijk vindt hij het een bijzondere dag. ‘Maar’, zegt hij nuchter, ‘we wisten al sinds mei dat die eraan kwam.’ Het meest trots is haar vader, die ze tijdens haar speech als inspirator aanhaalde. ‘We zijn van huis uit echte verhalenvertellers’, glundert hij. ‘En nu wint Beatrice als historica de eerste Stevinprijs.’

En dan te bedenken dat De Graaf aanvankelijk worstelde met haar wetenschappelijke carrière.

Wat deed u twijfelen?

‘Ik heb me vaak afgevraagd hoe ik mijn drive als competitieve onderzoeker kon combineren met mijn rol als christen. Moest ik niet een dienstbaar beroep als verpleegkundige kiezen? Maar de promotieplek die ik destijds kreeg, was meteen mijn droombaan. Ik probeer nu nuttig te zijn voor de maatschappij door mijn werk toegankelijk te maken voor een groter publiek dan de wetenschappelijke elite.’

Waarom voelt u eigenlijk voort-durend zo’n haast?

‘Ik heb steeds het gevoel: wat ik doe is het nét niet. En dan heb ik het vooral over de boeken die ik schrijf. Ik vind het verhaal Leaf of niggle van Tolkien zo aangrijpend. Het gaat over een getalenteerde kunstenaar die de perfecte boom wil schilderen, maar op zijn sterfbed ondanks zijn geploeter maar één blaadje heeft afgekregen. Eenmaal in de hemel ziet hij die prachtige boom en denkt: maar ik had de boom toch niet afgekregen? Jawel, zegt een stem, al die tijd ben je ermee bezig geweest. Ik vind dat troostrijk en herkenbaar, die drive tot aan je doodsbed en dan het gevoel: wat ik heb bijgedragen is een futiliteit. Ik heb jaren geïnvesteerd in mijn boek Tegen de terreur, maar denk nu: is het wel meeslepend geschreven, is het wel goed genoeg? Bij nader inzien is het maar één blaadje aan de boom.’

CV Beatrice de Graaf

19 april 1976 geboren in Putten

Studeerde geschiedenis en Duits aan de universiteit van Utrecht en van Bonn

2004 Promoveert op onderzoek naar de relatie tussen de DDR, de vredes-beweging en de Nederlandse kerken waarvoor ze de Max van der Stoel-mensenrechtenprijs wint

2007 Mede-oprichter Centre for Terrorism and Counterterrorism

2010 Boek Theater van de angst

2014 Hoogleraar History of International Relations & Global Governance aan de Universiteit Utrecht

2015 Voorzitter van de Nationale Wetenschapsagenda, samen met Alexander Rinnooy Kan

2017 Benoeming als lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

2018 Spinoza-Stevinprijs, boek Tegen de terreur

Beatrice de Graaf is getrouwd en heeft drie kinderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.