Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ingrid van Engelshoven tijdens het debat met de vaste commissie voor OC&W over het begrotingsonderdeel Cultuur in de Groen van Prinstererzaal.
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ingrid van Engelshoven tijdens het debat met de vaste commissie voor OC&W over het begrotingsonderdeel Cultuur in de Groen van Prinstererzaal. © ANP

Raad voor Cultuur opent ogen voor kunst uit de regio en adviseert de nieuwe minister hetzelfde te doen

De Raad voor Cultuur adviseert cultuurminister Ingrid van Engelshoven (D66) om meer oog te hebben voor de regio bij de toekenning van subsidies. Daartoe richt de Raad een nieuwe 'regionale culturele infrastructuur' (RIS) in, naast de bestaande Basisinfrastructuur (BIS).

In de BIS zitten nu geselecteerde instellingen zoals rijksmusea, symfonieorkesten, grote toneelgezelschappen en dansgezelschappen, en een handvol festivals, die allemaal voor vier jaar landelijke subsidie krijgen, tot 2020. Vanaf 2021 moet dat een subsidiegarantie voor zes jaar worden, aldus de Raad in haar maandag gepubliceerde 'verkenning', de eerste onder de nieuwe voorzitter Marijke van Hees. Kleinere gezelschappen en instellingen, die steun krijgen van bijvoorbeeld Fonds Podiumkunsten, komen in een korter, 3-jarig (dat was 4-jarig) kunstenplan terecht.

Landelijk subsidiebeleid moet meer van onderaf, met plannen uit de regio, worden gevoed

Cultureel onderscheiden

De nieuwe infrastructuur op regionaal niveau zal leiden tot een 'bloeiend cultureel ecosysteem in stedelijke regio's', zo verwacht de Raad. Nu sluit het landelijk cultuurbeleid vaak niet aan op keuzes die regionale en lokale overheden maken. De RIS gaat uit van afstemming tussen gemeenten, provincies en Rijk, en breekt met het idee dat gemeenten of provincie het zelf moeten opknappen. De Raad noemt nog geen bedrag dat voor de RIS moet worden vrijgemaakt. Gemeenten en provincies geven samen ongeveer drie keer zo veel uit aan cultuur, dan de landelijke overheid (circa 1,7 miljard euro).

De RIS stoelt op het begrip 'stedelijke regio', dat volgens de raad leidend moet worden in de toekenning van rijksmiddelen aan cultuur. Door intensieve regionale samenwerking kan een bepaald gebied zich cultureel onderscheiden van andere 'stedelijke regio's'. Wanneer hun cultuurbeleid aan de criteria van de Raad voldoet, moet het rijk meefinancieren. Regionaal en landelijk cultuurbeleid moeten zo beter op elkaar worden afgestemd. Oftewel: landelijk subsidiebeleid moet meer van onderaf, met plannen uit de regio, worden gevoed, waarbij geen provinciegrenzen of landsdelen worden aangehouden, maar 'een natuurlijke concentratie van culturele dynamiek'.

We the North

De Raad heeft nu twaalf stedelijke regio's ingetekend in een landkaart van Nederland

Voorbeelden zijn Stedelijke Cultuurregio Zuid (het gezamenlijk optrekken van de steden Maastricht, Sittard-Geleen en Heerlen in Zuid-Limburg), BrabantStad (een gezamenlijke cultuurvisie van de provincie Noord-Brabant en de steden Breda, Eindhoven, Helmond, 's Hertogenbosch en Tilburg) en de Lauwersgracht Alliantie, waarin de gemeente Arnhem, de provincie Gelderland, Toneelgroep Oostpool, het Gelders Orkest, Introdans, Musis en Stadstheater Arnhem zich hebben verenigd.

In het Noorden zetten Assen, Emmen, Groningen en Leeuwarden het talentontwikkelingsprogramma Station Noord op, als invulling van een stedelijke regio onder de naam We The North. In de verkenning heeft de Raad nu twaalf stedelijke regio's ingetekend in een landkaart van Nederland. Dat kan uitgroeien tot zestien. Vanaf 2021 zou er geld voor de RIS beschikbaar moeten zijn. Hoeveel is dus nog niet bekend.