De Heksennacht

De Volkskrant Zomerspeurtocht - deel 1

De komende weken publiceert de Volkskrant zes sprookjes. De verhalen en hun illustraties zitten boordevol aanwijzingen die u leiden naar een plaats in Nederland, waar een schat is verstopt: een prent van illustrator Raoul Deleo. Vandaag aflevering 1. (Zie uitleg onderaan).

Lang, lang geleden, tijdens de donkere nacht voor Allerheiligen, zaten drie boosaardige heksen bijeen in een houten hut in een pijnbomendal. Rond de kachel vertelden ze elkaar naargeestige verhalen en gemene leugens over buren en kennissen, al roerend in hun heksenmaaltijd die op het vuur stond. Om twaalf uur die nacht zouden ze weer op pad gaan om de mensen in de buurt de stuipen op het lijf te jagen met hun hekserijen.

Goudkoorts

Verbeelding, raadsels en een hele zomer lang de tijd om te zoeken naar de oplossing.

Toen, terwijl de wind suisde om hun hutje, hoorden ze een kloppend geluid. Was het een tak, die tegen de muren zwiepte? Het kloppen hield aan in een zacht ritme. Tok-tok, tok-tok, tok-tok. Het was een vreemdeling, die met zijn schamele bezittingen de wereld rondzwierf en toevallig in het pijnbomenbos was beland. Daar zag hij licht uit het hutje komen en hoopte op een goede ontvangst.

'Wie is daar? Wie-oe-hoe-hoe-oewie?', krijsten de heksen en de stem antwoordde: 'Een vreemdeling die hongerig is en het koud heeft.' Gillend lachten de heksen en ze zongen: 'Wij koken voor onszelf, heus niet voor jou!'

'Laat me erin, toe! Ik heb het zo koud en ben zo moe!', piepte de vreemdeling

De heksen begonnen te eten van het brood en de soep en zij negeerden het kloppen dat aanhield als gefluister in de nacht. Maar na een poosje schreeuwde een van hen weer: 'Wie klopt daar? Wie-oe-hoe-hoe-oe-wie?'

'Laat me erin, toe! Ik heb het zo koud en ben zo moe!', piepte de vreemdeling, 'en ik heb honger, en hoe!'

Weer lachten de heksen, krijsend als papegaaien en zongen: 'Scheer je weg, boe-hoe-oe!' Warmpjes rond het vuur aten ze zich rond en rond. Toen het kloppen aanhield, voelden ze zich ongemakkelijker worden. Een van hen stelde voor de vreemdeling weg te sturen met één stukje brood, een piepklein stukje. Ze legden een kruimeltje deeg in de pan om te bakken.

Deeg

Zodra dat kruimeltje in de pan lag echter, begon het te rijzen en te rijzen. Het rees over de pan, over de kachel en viel op de grond. En daar stopte het niet; het deeg rees en rees zodat de heksen uit vrees naar de deur renden om te vluchten. Maar de deur was dicht! Met geen mogelijkheid kregen ze hem open. Gillend klommen de boosaardige vrouwen op de stoelen, terwijl het deeg zwol en zwol. De heksen schrokken, hun ogen werden groot en rond van angst en ze maakten zich zo klein mogelijk.

Ondertussen hield het kloppen aan, als de zachte drum in een liedje. Piepend riepen de heksen vanaf hun stoelen: 'Wie klopt daar? Wie-oe-hoe -hoe-wie?' En de stem klonk door de kieren, op de melodie van de wind:

Piepend riepen de heksen vanaf hun stoelen: 'Wie klopt daar? Wie-oe-hoe -hoe-wie?

'Niks te geef en niks te leen, vrienden hebben jullie geen, en die valse tongen maar gaan! Stop het geroddel, stil dat gepraat, zwijg nu, want vol is de maat, geen been meer om op te staan!' Toen begonnen de benen van de heksen te krimpen. Hun grote ogen knipperden en hun hoofden draaiden helemaal rond. Nu waren ze geen heksen meer; ze waren uilen geworden. En zachtjes drongen de woorden het hutje binnen:

'Jullie deur bleef dicht, je bent niet gezwicht, mij liet je staan in de kou.

Verlaat voorgoed dit warme thuis, zie maar om naar een ander huis, een holle boom vind je algauw.'

De heksen konden alleen nog weg uit een piepklein raampje, boven in de hut. Ze spreidden hun vleugels, angstig en dringend, om weg te komen uit het volle huis. Ze vlogen het bos in en riepen steeds: 'Wie klopt daar? Wie-oe-hoe-hoe-wie?'En nog steeds roepen ze dat altijd: 'Wie-oe-hoe-hoe-wie?'

Behalve op Allerheiligen, de avond van hun onheil. Dan, één nacht per jaar, zijn ze weer heksen en jagen ze met hun gemene hekserijen de mensen de stuipen op het lijf.

Oorsprong: Zwart Amerika. Dit verhaal bevat elementen van Europese en Afrikaanse motieven waaruit een Zwart-Amerikaans volksverhaal is ontstaan. Voor het eerst opgetekend door Martha Young, Plantation Bird Legends (1916) Basis voor deze vertelling: Margaret Mayo en Jane Ray, Sprookjes uit alle windstreken, 1994.

Vind de schat!

Dit jaar bestaat het katern V van de Volkskrant vijf jaar - 5 maart was onze verjaardag. Om dat te vieren hebben we fraaie sprookjes van over de hele wereld verzameld, die we zes weken lang publiceren. Dit onder het motto van Albert Einstein: wie slim wil worden, moet sprookjes lezen. Elk sprookje wordt schitterend geïllustreerd door de Rotterdamse illustrator en tekenaar Raoul Deleo (1968).

En dan het cadeau: van de laatste prent van Deleo hebben we ergens in Nederland het origineel verstopt, ter waarde van 4.000 euro. Wie die prent als eerste vindt, mag hem hebben. De sprookjespagina's zitten boordevol (cryptische, cijfermatige, associatieve en/of beeldende) aanwijzingen die naar de vindplaats leiden. U hoeft nergens anders te zoeken: op de pagina's is alles te vinden.

Wie de schat vindt, is waarschijnlijk een genie. Maar hé, u bent een Volkskrant-lezer.