'Zij sloeg haar arm om zijn schouder. Daar schrok hij zó van dat hij zich verslikte'

Sylvia Witteman spotte een jongen, een kind nog en een meisje, volop vrouw al

.

Op de hoek van de Potgieterstraat had ik bij een mij onbekende viskraam een lekkerbekje gekocht, dat ik op een bankje bij de aanpalende speeltuin ging zitten opeten. De vis smaakte alsof hij eergisteren gebakken was en halfslachtig opgewarmd in een magnetron, dat oneerlijk zeemansgraf voor maritieme frituurwaren. Een viesbekje dus, maar ik at het toch op, want het was koud en ik had honger.

De speeltuin bleek zo'n koortsdroom van een rubberfetisjist waarin een kind zich zelfs met uiterste wilskracht niet zou kunnen bezeren. Aan een paal hing een groot bord vol wishful thinking: 'Afval gooien we in de prullenbak'; 'We houden het speelplein mooi'; 'We hebben respect voor elkaar'; 'Iedereen die wil spelen is welkom'.