• In het Oekraïense Jahidne, niet ver van Tsjernihiv, zijn geen forensische experts actief zoals in de voorsteden van Kyiv. Dus moeten de dorpelingen zelf op zoek naar de graven van vermiste verwanten en buren.

  • Dat is niet zonder gevaar, behalve op graven kunnen ze ook op landmijnen stuiten.

  • De bewijzen voor oorlogsmisdaden stapelen zich op: veel van de gevonden lichamen dragen sporen van martelingen en zijn door het hoofd geschoten. 

Reportage Oekraïne

‘Wacht even,
ik herken die kleren…
Is dat niet? O, fuck’

Dag 17 na de bevrijding van het boerendorp. De leden van het forensisch team staan in een kapotgeschoten bos met in hun handen: een intact gebleven bijl, drie oude schoppen en een plumeau in regenboogkleuren. Bij gebrek aan speurhonden doen ze het snuffelen zelf.

‘Ruiken jullie dat’, zegt Michail Lesjtsjenko, een dertiger in een joggingbroek en het minst uitgeputte teamlid. Hij is begonnen een kuil te graven op de plek waar het team een kruis van twee dunne berkentakken heeft ontdekt. Het kruis stak kaarsrecht uit de grond tussen de gesneuvelde bomen. Michail inhaleert nog eens diep door zijn neus en trekt een smerig gezicht. ‘We zitten goed. Doorgraven!’

Michail Lesjtsjenko voert het forensisch team van Jahidne aan. ‘Mijn grootvader had pas een mooie schop. Een Amerikaanse, echt een prachtding.’

Maar als er na een paar scheppen geen lichaam tevoorschijn komt, gooit een van Michails makkers zijn schop weg. Hij is bang dat de Russische militairen geen lichaam hebben begraven onder het kruis, maar een landmijn die door elke volgende schep kan ontploffen. ‘Ik kap ermee, waarom moeten wij dit eigenlijk doen? Dit is een karwei voor deskundigen!’

26 dagen in de kelder van de dorpsschool

De deskundigen zitten met hun speurhonden in de voorsteden van Kyiv, waar de meeste massagraven zijn gemeld. Niet hier in Jahidne, een dorp 140 kilometer ten noorden van de hoofdstad, vlak bij de grens met Belarus en Rusland. Dan maar zelf graven, besloten de dorpelingen. Want er ontbreken nogal wat mensen.

En dus bestaat het forensisch team in Jahidne uit wat dorpelingen, een vrouw in camouflagepak die het Oekraïense volkslied zingt en een groepje burgers die zich tijdens de oorlog aansloten bij het leger en ook nieuw zijn in de forensische wetenschap.

Jahidne was een maand lang bezet. Russische militairen gebruikten het dorp voor de beschieting van Tsjernihiv, een stad van een kwart miljoen inwoners die ze omsingeld hadden en wilden veroveren. Hun uitgebrande tankwagens, raketinstallaties en munitiekisten staan nog tussen de overblijfselen van de kleurrijke huisjes.

Michail en driehonderd andere dorpelingen zagen de gevechten niet, maar hoorden en voelden ze wel. Ze waren door de Russen uit hun huizen gehaald en onder schot naar de kelder van de dorpsschool geleid. Daar zaten ze opgesloten, 26 dagen lang. In een onverlichte kelder zonder ventilatiegaten die bedoeld was voor de opslag van tafels en stoelen, niet voor de hele dorpsbevolking.

‘Mensen liepen op eigen kracht binnen, maar stortten na een paar dagen in, zo snel ging de aftakeling’, zegt Oleksandr Chlistoen, een vijftiger die zat opgevouwen op een houten bankje in de gang. ‘De man naast mij op het bankje viel gewoon om. Dood.’

Waar is Tolik? En waar is zijn broer?

Dertien mensen kwamen om in de kelder. De dorpelingen schreven er hun namen op een muur, met vermeldingen van de sterfdag. 20 maart Dotsenko, 21 maart Boedtsjenko, 24 maart Bojko.

Die graven zijn het makkelijkst terug te vinden voor Michail en de anderen van het forensisch team. Ze moesten de lichamen immers zelf begraven van de Russische militairen terwijl die hun kalasjnikovs op hen richtten, vertellen ze. Meestal drie lichamen per graf, allemaal in de buurt van de school.

Maar waar zijn de andere dorpelingen gebleven? In de eerste dagen van de bezetting raakten zeker vijf inwoners vermist. Tolik, de visser die altijd in een camouflagebroek rondliep, is aangetroffen met een kogel in zijn hoofd. Maar waar is Toliks broer? En waar zijn de drie anderen die geëxecuteerd zouden zijn?

Michail denkt ook aan de imker uit het naastgelegen dorp die een dag voor de bevrijding in de kelder werd gegooid. De imker vertelde Michail dat hij door het bos was komen lopen om eten te brengen naar de inwoners van Jahidne. Na een uur werd de imker weer uit de kelder gehaald door Russische militairen. Michail had even later een enkel kogelschot gehoord.

Bang voor een landmijn is hij niet. Met al zijn kracht duwt hij zijn botte schop de grond in voor een tweede kuil, vlak naast de eerste. ‘Mijn grootvader had pas een mooie schop’, zegt hij tegen de anderen. ‘Een Amerikaanse, echt een prachtding.’

Weer een burger

‘Niet te snel, jongens’, waarschuwt Ihor, een ondernemer die voor de oorlog koffiedrab recyclede tot schoenzolen en nu ook lid is van het forensisch team. Vlad, vrijwilliger in het leger, laat een foto rondgaan van een ontploft lijk dat hij een paar dagen eerder heeft gevonden in een bos en zegt dat de Russen mogelijk explosieven hebben achtergelaten bij en in lichamen.

Maar in de tweede kuil steekt al snel iets anders dan een mijn uit het zand. Een neus. En dan een zwarte, lederen herenschoen. ‘Weer een burger’, gromt iemand. Als even later ook een broek met krijtstreep en een blauwe jas zichtbaar worden, vertrekt het gezicht van Michail. ‘Wacht even, ik herken die kleren… Is dat niet? O, fuck.’

Terwijl de massamoorden in de voorsteden van Kyiv worden gedocumenteerd door deskundigen uit Oekraïne en het buitenland, verschijnen er ook steeds meer bewijzen voor Russische oorlogsmisdaden uit de regio Tsjernihiv. Die komen vooral uit een ring boerendorpen rondom de stad, die de hele maand maart bezet waren door het Russische leger. Er worden bijna dagelijks lichamen opgegraven met schotwonden in het hoofd, vastgebonden armen of toegetakelde ledematen.

Joeri Poljoek, patholoog-anatoom bij mortuarium nummer 1 in Tsjernihiv, zegt dat hij 15 tot 20 lichamen op zijn sectietafel heeft zien langskomen met duidelijke tekenen van marteling. ‘De opgravingen zijn nog steeds aan de gang’, zucht hij. ‘Dus dat aantal zal nog wel oplopen.’

Doodskisten zijn op

De omsingeling van zijn stad is voorbij, maar de doden blijven komen. In de afgelopen anderhalve maand heeft hij sectie verricht op zo’n zeshonderd lichamen. Normaal doet hij daar een halfjaar over. En normaal hebben ze geen kogelwonden en granaatscherven.

Onder meer op zijn tafel: de vader van de 13-jarige Bohdan Parasjoek. Vader en zoon liepen over straat om Bohdans telefoon op te laden bij een vriendje dat thuis nog elektriciteit had, toen de Russische raket insloeg. Bohdan hoopt dat hij over een tijdje weer kan lopen en later door Oekraïne kan reizen om zijn vaderland te fotograferen, vertelt hij in het kinderziekenhuis. ‘Maar eerst moet het vrede worden.’

De misère is nauwelijks nog te harden voor mensen in en om Tsjernihiv. In een hoekje van het mortuarium hangen in de vroege ochtend vier aangeschoten mensen. Een vrouw loopt joelend door de gang met lijkzakken. Buiten staan mensen hand in hand te wachten om het lichaam van een familielid te identificeren of op te halen voor een begrafenis.

Plechtigheden zijn sober. Ceremoniële doodskisten zijn op, er zijn alleen nog gratis kisten van wat aan elkaar getimmerde planken. De kisten worden door sjofele dragers in lange schachten op een snel aangelegde, modderige zandvlakte geschoven naast de begraafplaats. Nog tijdens ceremonies duwen bulldozers al zandhopen over de kist.

Horloge afgepakt

De man van Irina, Vadim Mesjtsjerjakov, kreeg als gevallen militair nog wel een echte kist. Irina neemt afscheid van hem tijdens een dienst voor vier militairen tegelijk. Ze zegt: ‘Zijn laatste woorden tegen mij waren: maak je geen zorgen. We gaan voor vrede zorgen en dan gaan we samen hand in hand door Tsjernihiv wandelen.’

  • De dochter van Vadim Mesjtsjerjakov op zijn begrafenis.

In Jahidne hijsen vier mannen van het forensisch team puffend een laken met het grote mannenlichaam uit de kuil. Michail pakt de plumeau van regenboogkleuren en veegt nauwkeurig zand van het gezicht van de man. ‘Het is hem’, mompelt hij weer. ‘Het is de imker.’

‘Controleer zijn zakken eens’, roept hij naar de anderen. Die schudden een strip met hartmedicijnen uit zijn binnenzak. ‘Die nam hij ook in de kelder’, zegt Michail. Hij pakt zijn telefoon en belt een dorpsgenoot die ook met de imker sprak in de kelder. ‘Welke kleur jas had hij aan? Blauw, zeg je? Je weet het zeker? Ja, het is hem. Ze hebben zijn horloge afgepakt, de schooiers.’

Het team tilt de imker op een witte lijkzak en ritst die dicht. Dan komt er een bewoner aanlopen om te zeggen dat er mogelijk weer een graf is gevonden, nu aan de andere kant van het dorp. ‘Je kan het daar ruiken’, zegt hij. De forensische onderzoekers verzamelen meteen hun bijl, drie schoppen, en plumeau om te gaan kijken.

De lijkzak met de imker blijft achter aan de rand van het kapotgeschoten bos. Een vrouw op een fiets ziet de zak liggen en stapt af. Ze vraagt aan een achtergebleven teamlid of die de zak voor haar kan openritsen. Ze zoekt haar broer, zegt ze. De lijkzak gaat open, de vrouw kijkt en schudt haar hoofd. Dan stapt ze weer op haar fiets en slalomt weg tussen de brokstukken, in afwachting van de volgende vondst van het forensisch team van Jahidne.