Reportage Oekraïne

Koeien melken
tussen Russische bommen en granaten

In Irpin, een voorstad van Kyiv, werd wekenlang zwaar gevochten. Veel inwoners trokken weg. Niet Tetjana en drie vrouwen in haar straat. Zij bleven om de dieren te verzorgen en te koken voor de burgers en soldaten aan het front. ‘Ze heeft ballen van staal.’

De kleine groene papegaai in zijn kooi op Tetjana’s koelkast in Irpin houdt maar niet op met kwetteren. ‘Rustig Tosha’ zegt de 47-jarige vrouw om de paar minuten tegen de vogel. Tevergeefs. ‘Het was het enige dier dat nog leefde in de dierenwinkel in het centrum toen onze soldaten daar gingen kijken. De rest was gestorven door de kou. Mijn man heeft haar naar mij gebracht.’

Tetjana

Tetjana is een van de drie vrouwen in de woonwijk die niet vertrokken toen begin maart duidelijk werd dat de Russen deze voorstad van Kyiv wilden innemen. Terwijl de meeste vrouwen vluchtten, of werden geëvacueerd, weigerde zij te vertrekken en haar man achter te laten.

Koken tussen de bommen

Iprin ligt naast Boetsja, maar hoewel dat snel werd ingenomen heeft in Irpin drie weken lang een hevige strijd gewoed, waarbij de Russen telkens een stuk oprukten richting Tetjana's huis.

Toen haar man samen met de Oekraïense soldaten probeerde de Russen uit de stad te houden, stond Tetjana hele dagen te koken voor de soldaten en burgers die de stad verdedigden. Buiten, op een houtbrander, een klei-oven en een barbecue, terwijl vliegtuigen af en aan vlogen, en bommen huizen om haar heen in puin legden. Het huis van Tetjana's buren is volledig verwoest door een mortiergranaat.

Tetjana praat snel, en beweegt schrikachtig. ‘De mannen kwamen langs als ze honger hadden, meestal wel zo’n vijftig per dag. Ze aten snel wat en gingen weer vechten’, vertelt ze. Nog steeds komen er af en toe mannen binnenlopen voor een bord warme borsj. Vechten doen ze niet meer; ze zijn nu bezig de verwoeste stad op te ruimen. Daarbij worden ze geholpen door honderden vrijwilligers die na de bevrijding op 31 maart uit Kyiv zijn gekomen om de straten mee te helpen schoonmaken en de lijken te bergen van 269 inwoners - voor een groot deel geëxecuteerd in het bezette deel van de stad.

De meeste mensen hebben weer water, maar nog geen elektriciteit. Er worden nu nauwelijks nog doden gevonden. ‘Alleen soms door terugkeerders, die een lijk in hun huis aantreffen’, vertelt Tetjanas man Volodimir (50). Maar veel mensen kunnen niet terugkomen, want zeker een derde van de woningen in de stad is onbewoonbaar.

Overdag vechten, 's avonds slapen in de sauna

Volodimir is jager en wilde niet vluchten toen de het Russische leger naar Irpin kwam, vertelt hij terwijl hij over de weg scheurt in zijn Toyota Helius en de plekken laat zien waar hij gevochten heeft. Details wil hij niet kwijt. ‘Ik ben een goede schutter. De rest is militair geheim’, zegt hij. In zijn auto hangt een legerembleem van een paratroeper. ‘Van een dode Rus.’

Terug in de keuken grapt het stel dat ze tijdens de hevige strijd een soort werkritme vonden. Rond 10 uur 's morgens stapte Volodimir in zijn Toyota Helius om naar ‘zijn werk’ te gaan. Tetjana ging bij de andere twee vrouwen in de buurt langs om te kijken of ze de nacht hadden overleefd en om melk te halen. ‘s Avonds kwam hij thuis, dan aten ze en wachtten tot de bombardementen stopten, om een paar uur te gaan slapen in de sauna van de buren: de enige plek die een beetje warm was. Heel grappig was het niet, zegt Volodimir zachtjes, als zijn vrouw naar buiten loopt. ‘Ik was iedere dag bang wat ik thuis zou aantreffen.’ Ook in Irpin vonden verkrachtingen plaats.

‘Waar ik melk haalde? Ik zal het je laten zien’, zegt Tetjana. Ze loopt op haar pantoffels de straat op. Bij een paar huizen verderop hangt een penetrante mestgeur, nogal onverwacht in een keurige woonwijk als deze. Als de poort opengaat wordt een klein erf zichtbaar met daarop een twee meter hoge hoop met koeienmest. In een schuurtje ernaast, van zo’n tien vierkante meter, staat Ludmilla, een kleine vrouw van 82, tussen vier koeien. ‘Hoe ze dit al die tijd heeft gedaan, het is ongelofelijk’, zegt Tetjana.

Ludmilla stelt haar koeien voor. Strilka, Rabka, Aza en Zilka, heten ze. Was het niet zwaar om alleen voor deze grote dieren te zorgen terwijl de stad werd belegerd? De oude vrouw zucht en kijkt naar de grond. ‘Koeien hebben veel water nodig, dus ik moest vaak op en neer lopen naar de put.’

Ludmilla wilde haar koeien niet achterlaten

Maar het zwaarste waren de zorgen, zegt Ludmilla. Telkens als ze met de buren in de schuilkelder sliep, verlangde ze naar haar koeien. ‘Iedere ochtend om zes uur was het fijn om naar ze toe te gaan, te zien dat ze nog leefden. Dan ging ik ze melken en de schuur schoonmaken. Door hun lijven kon ik ook opwarmen, want het was die dagen zo koud.’

Ludmilla’s zoon Valentin komt aanlopen. Hij is gisteren teruggekomen uit het westen om zijn moeder te helpen. Tijdens de gevechten heeft hij keer op keer geprobeerd zijn moeder over te halen om zich te laten evacueren. ‘Hij zei dat ik de koeien vrij moest laten op straat, maar dat kon ik niet’, zucht Ludmilla. ‘Ik ben met koeien opgegroeid. Als klein meisje verzorgde ik de koeien van mijn vader al. Bovendien kon ik zo ook onze strijders van melk voorzien.’ Haar zoon schudt zijn hoofd. ‘Ze komt uit een andere tijd.’

Ludmilla hoopt dat ze haar koeien gauw weer naar buiten kan laten. Maar het veld waar de dieren altijd grazen, ligt nu vol met mijnen. De berg mest op de binnenplaats moet ook weg. Normaal gesproken verkoopt ze die aan de buren voor hun tuin. ‘Maar veel buren zijn er niet meer natuurlijk.’

De meeste andere dieren bleven niet zo kalm als Ludmilla's koeien, vertelt Tetjana als ze terugloopt naar huis. ‘Deze straat noemden wij trouwens de tunnel, omdat het geluid van de bombardementen hier het hardst te horen was. De zwerfhonden werden helemaal gek van al het geluid.’ Sommige honden probeerden zelfs op auto’s te springen om weg te komen.

Olga bleef in haar geboortehuis

‘Is het goed dat we nog even langsgaan bij Olga?’, vraagt ze dan. Olga is de derde vrouw die bleef. ‘Tijdens de gevechten maakte ik vaak een rondje langs allebei. Wij drieën hielden elkaar op de been. We zijn alle drie in deze straat opgegroeid, maar pas sinds de oorlog erg hecht geworden.’

De tuin van Olga, een kleine vrouw van 76 in fleecetrui, staat vol grote zinken teilen om regenwater op te vangen. Hoewel ze weer stromend water heeft, doet Olga dit nog steeds, voor de zekerheid, vertelt ze. Ook Olga wilde niet geëvacueerd worden toen de mogelijkheid er was. Niet vanwege een man, of dieren, maar omdat ze haar geboortehuis niet wilde verlaten. En dus brachten de buren die wel weggingen, hun katten naar haar. In de tuin lopen er zo’n vijftien rond, binnen zijn er nog meer. ‘Hoeveel? Geen idee, dat heb ik niet bijgehouden’, zegt Olga vermoeid.

Ook Tetjana heeft een kat van een buurvrouw in huis genomen. Ze hield contact met de vluchtelingen, vertelde hen of hun huis nog heel was of niet. ‘Ik heb voor vijf mensen ook hun koelkast opgeruimd omdat ze bang waren dat het eten erin zou gaan rotten. Maar dat deed ik graag, ik moest toch bezig blijven.’

‘Het is te stil. Ik vertrouw het nog niet.’

Volodimir kijkt trots naar zijn vrouw als ze weer samen in hun keuken staan. ‘Ik kan dan gevochten hebben, maar voor mij is zij de echte held. Al die tijd buiten koken, en maar weigeren een kogelvrij vest aan te doen. Ze heeft ballen van staal hoor.’ Zijn vrouw haalt haar schouders op.

Dan gaat zijn telefoon. Het is half tien, een half uur voor de avondklok, het tijdstip waarop hun dochter altijd belt. Zij zit in Beieren en wil heel graag terugkomen. Terwijl Volodimir met haar praat loopt Tetjana naar buiten en vertelt dat ze dat absoluut niet wil. ‘Het is te gevaarlijk. Er zijn mijnen, en we weten niet wat de Russen gaan doen.’

Ze is even stil en schudt dan haar hoofd. ‘Onze zielen zijn nog niet kalm genoeg. Ik wil niet dat onze dochter ons zo ziet.’ In de schemering kijkt ze naar de lucht die leeg is op wat regenwolken na. ‘Vind je het niet stil buiten? Het is te stil hoor. Ik vertrouw het niet.’