ESSAY #Bangvoordebaas

Het ís niet normaal als de baas je vernedert en zich onbeschoft gedraagt

Bazen die hun macht misbruiken om hun personeel onder de duim te houden moeten we niet accepteren, betoogt journalist Ronit Palache. Waarom doen we dat dan toch zo vaak? Op grond van eigen ervaringen bij haar voormalig werkgever analyseert ze de machinaties van grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer. Inclusief haar eigen rol daarin. 

ESSAY #Bangvoordebaas

Het ís niet normaal als de baas je vernedert en zich onbeschoft gedraagt

Bazen die hun macht misbruiken om hun personeel onder de duim te houden moeten we niet accepteren, betoogt journalist Ronit Palache. Waarom doen we dat dan toch zo vaak? Op grond van eigen ervaringen bij haar voormalig werkgever analyseert ze de machinaties van grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer. Inclusief haar eigen rol daarin. 

Verantwoording

Om te benadrukken dat het de auteur niet om de casus zelf gaat maar om het bredere belang, het aan de kaak stellen van grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer, noemt ze in bijgaand essay geen namen.

Evengoed is traceerbaar om wie het gaat en daarom heeft de Volkskrant dertig mensen gesproken die bij het bedrijf betrokken waren of zijn, en daarnaast deskundigen en anderen die in het essay worden opgevoerd, om na te gaan of de werksfeer bij het bedrijf waar het om gaat – uitgeverij Prometheus, opgericht door en eigendom van Mai Spijkers – zo was als hoe de auteur die beschrijft, en of die ook zo werd ervaren door andere (ex-)werknemers. De weerslag van dat onderzoek vindt u hier.

Het was drie uur in de nacht toen ik wakker schrok met een onbestendig, dof gevoel in mijn buik. M’n hart bonkte sneller dan normaal en ik voelde alleen maar weerzin bij de gedachte dat ik de volgende ochtend weer naar mijn werk zou moeten. Werk dat ook leuk was en veelzijdig; ik leerde veel bij de uitgeverij, ontmoette talloze interessante mensen en kreeg de kans mezelf intellectueel te ontwikkelen. Uiteindelijk zou ik er negen jaar werken.

De weerzin had zich in de loop der jaren opgestapeld; waarschuwingen voor mijn toenmalige baas – hij had een behoorlijk slechte reputatie – hadden mij er niet van weerhouden de stap te nemen voor hem te gaan werken in 2010. Ik dacht dat het niet zo erg kon zijn als uit krantenartikelen bleek die met enige regelmaat over hem verschenen. Bovendien, als hij inderdaad zo onhebbelijk en machtsbelust was als uit de stukken op te maken viel, zou ik voor mezelf opkomen en mijn mond opentrekken. Mijn omgeving noemde me voor de duvel niet bang.

Toen ik kwam solliciteren ontvouwde zich een hilarisch gesprek waarin hij bekende schrijvers persifleerde en mij na amper tien minuten met een behoorlijke precisie typeerde. Zijn mensenkennis, zuidelijke accent, rapheid en brutaliteit spraken me aan. ‘Je lijkt me niet echt een vakbondstype’, besloot hij en hij bewoog zijn wenkbrauwen, meer dan ik ooit iemand anders had zien doen, op en neer. ‘Dus ik geef je meteen maar een vast contract, maar dan wel een beetje je best doen, ja?’ Ik voelde me gevleid en begon vol energie aan de baan bij zijn uitgeverij.

Een man van aanzien

Mensen die ik alleen kende uit de krant en van televisie liepen er de deur plat. Mijn baas was een man van aanzien, dat zag ik ook aan hoe de bezoekers hun jasjes en jurken rechttrokken alvorens ze naar zijn kamer werden gesommeerd. Hij was zeer belezen, kende veel van mijn nieuwe literaire helden persoonlijk en leek sowieso bekend met iedereen die er een beetje toe deed. Bovendien had deze selfmade man menig literaire ontdekking op zijn naam staan en beloofde hij mij me de kneepjes van het vak te leren. Hij droeg op maat gemaakte pakken die door personal shoppers op zijn kantoor werden afgeleverd, at ’s middags én ’s avonds in de beste restaurants, was in topconditie door het vele sporten en had alles bij elkaar een voorkomen dat tot de verbeelding sprak, ontzag afdwong en afschrikte tegelijk.

Datzelfde gold voor de manier waarop hij leiding gaf aan zijn personeel. Ik hoorde hoe hij eens uit het niets begon te schreeuwen tegen zijn secretaresse. En als hij naar iemand op zoek was, en diegene telefonisch in gesprek was, schreeuwde hij ‘ophangen!’ en diens naam door het hele pand.

Erg onder de indruk was ik er in eerste instantie niet van, want het was niet voor het eerst dat ik een baas zag tieren; ik had eerder gewerkt onder een chef die meermalen per week tegen zijn medewerkers brulde dat hij de baas was. Niemand leek mij minder de baas dan een man die dat luid kenbaar moest maken. Dat een leidinggevende af en toe uit zijn slof schiet hoorde erbij, concludeerde ik. Ikzelf werd grotendeels ontzien, waar ik een ongemakkelijk, en bovenal onterecht superioriteitsgevoel aan ontleende. Maar het knaagde dat ik ook niet echt voor mijn collega’s durfde op te komen.

Terug naar de uitgeverij.

Ik werd binnen korte tijd hoofd publiciteit. Een collega die er al acht jaar werkte en volgens mijn baas geen leidinggevende ambities had, werd op een zijspoor gezet. Ik had inmiddels een bijzondere band met hem opgebouwd. Eentje die verder ging dan een uitsluitend professionele. Hij nam mij als enige personeelslid regelmatig mee uit eten. Ik luisterde ademloos naar al zijn geweldig vertelde anekdotes, zoog ze op, en door zijn nieuwsgierigheid kon ook ík vaak niet achterblijven met het delen van persoonlijke informatie. Dat waardeerde hij, de meeste mensen hoorden hem alleen maar uit. Toch voelde ook dat ongemakkelijk, omdat hij mijn baas was en mijn salaris betaalde. En niet alleen dat; hij was de eigenaar van het bedrijf.

De uitgeverij, dat was hij.

Ik sprak met hem over mijn verleden, familie, liefdes, onzekerheden, angsten en ambities terwijl hij de obers om hem heen afblafte als het eten of de wijn niet voldeden. Meestal besloot hij voor mij wat ik moest bestellen. Het kwam niet in me op om te zeggen dat ik meer zin had in iets anders. ‘De meest gehate horecabezoeker van Amsterdam,’ noemde een invloedrijke culinair recensent hem eens. Zijn auteurs vertelden me regelmatig dat ze met schaamte vervuld waren als ze met hem aten. Toch vonden ze het heerlijk gefêteerd te worden. Ze bleven op zijn uitnodigingen ingaan. Net als ik.

Hij vroeg me ook weleens mee op stap te gaan voor dingen die niet niets met mijn werk te maken hadden, op zaterdagmiddag een bril voor hem uitzoeken bijvoorbeeld. Nee zeggen tegen mijn baas durfde ik niet. ‘Ik wil niet horen waarom iets níet kan,’ was een van zijn gevleugelde uitspraken. Ik was een van zijn lievelingswerknemers en het laatste dat ik wilde was hem teleurstellen.

Krankzinnige eisen aan zijn personeel

Daarin ging ik ver. Mijn loyaliteit kende geen grenzen. Mensen die negatief over hem praatten, zette ik op hun nummer, ik verdedigde hem te pas en te onpas. Ook in zaken die ik diep van binnen veroordeelde of te ver vond gaan. Toen hij besloot auteurs en politici van extreemrechtse signatuur uit te geven bijvoorbeeld. Een aantal schrijvers had er bezwaar tegen gemaakt, maar hij deed uitsluitend wat híj vond dat door de beugel kon en daarmee uit. Dat deed hij ook toen hij Mein Kampf uitbracht. Het raakte me dat hij dat had besloten zonder even aan mij, notabene zijn enige Joodse werknemer, te vragen wat ik daarvan zou vinden. Al zag ik de historische relevantie van de publicatie omdat het om een geannoteerde versie zou gaan en er waren ook ‘koosjere’ mensen bij betrokken. Dat zijn beslissing later alsnog de spreekwoordelijke laatste druppel werd die me ertoe bracht mijn ontslag in te dienen, kon ik op dat moment nog niet bevroeden.

Ik rekte mijn eigen (morele) grenzen steeds verder op. Hij stelde krankzinnige eisen aan zijn personeel, dat met gemiddeld vijftien man sterk voor zo’n tweehonderd boeken per jaar buitensporig overbelast was. Zo moest je telefoon altijd aanstaan, was een afwezigheidsassistent not done en als je niet binnen tien minuten antwoordde, werd je gebeld, avond, weekend of vakantie incluis. Een deel van die veeleisendheid, met name het tempo waarin gewerkt moest worden, voerde ik door in mijn eigen team en als iemand zich beklaagde over het wispelturige gedrag van onze baas, zei ik triomfantelijk dat dat erbij hoorde. ‘Zo gaat het hier nou eenmaal. Hij is wel de beste uitgever van Nederland, een uniek talent’, hoorde ik mezelf dan zeggen.

Die woorden werkten ook bezwerend naar mezelf; toegeven dat zulk talent dergelijk gedrag niet legitimeerde, dorst ik niet. Het zorgde ervoor dat mensen ook bang waren voor míj. Hoewel ik nooit tegen werknemers geschreeuwd heb of ze uitschold, ben ik te veeleisend en hard geweest, niet aardig. Ik kon ook bits reageren als iemand naar mijn idee sloom was of fouten maakte. In de perceptie van collega's hoorde ik bij de macht, als een verlengstuk van hem, en dat telt net zo goed.

Al zijn personeelsleden waren beurtelings de pineut. Ook ik, toch een van zijn lievelingen, regelmatig. Dan viel hij zomaar tegen me uit vanwege futiele dingen. Bijvoorbeeld die keer dat ik lang met een auteur die hij vervelend vond in de gang had staan praten, of toen ik vertelde bevriend te zijn met iemand die hij niet mocht. Dan vielen woorden als loser en maakte hij die vriendschap met de grond gelijk. Maar ook als het me niet gelukt was een boek te laten bespreken in de krant, hoezeer ik er ook mijn best voor had gedaan. Dan kon hij me een tijd negeren en beledigd snauwen dat het hem niks kon schelen waarom het niet gelukt was. Zijn mails eindigden steevast met ‘hup!’

Het was altijd weer een verrassing met welke bui hij de dag zou beginnen en eindigen. Die grilligheid zorgde ervoor dat er continu een gespannen sfeer heerste op kantoor. Iedereen probeerde problemen op anderen af te schuiven, doodsbang als men was voor zijn toorn. De gezichten van de door hem uitgescholden collega’s zie ik nog steeds voor me als ik aan die tijd terugdenk. Het wanhopig naar de grond kijken als hij tekeer ging wanneer er een boek niet meer leverbaar was. Dan zei hij dingen als ‘sukkel’ of ‘waarom werk jij hier’. Het zinloos tegensputteren, de misplaatste verontschuldigingen, de pogingen hem tot bedaren te brengen: niets hielp op dat soort momenten.

Gif in onze lijven

Als er vervelende dingen speelden in zijn privéleven, waarover hij mij regelmatig in vertrouwen nam, was dat direct te merken aan zijn gedrag. Dan schreeuwde hij nog vaker of gooide hij driftig met stapels papier. Je kon het vaak al merken aan de manier waarop hij het kantoorpand binnenkwam. Als zijn tred sneller was dan normaal en hij de deur luidruchtig achter zich dichtsloeg, wist iedereen al hoe laat het was. Hij schold personeel uit aan de telefoon, negeerde werknemers die uit zijn gratie waren geraakt en besprak zijn plannen die mensen, collega’s dus, te ontslaan tijdens vergaderingen.

Tijdens de beruchte maandagochtendvergaderingen kreeg iedereen die niet had voldaan aan zijn absurde wensen de volle laag. Velen van ons gingen met lood in de schoenen naar die meetings. Ik zelf ook. Ik kan me niet herinneren ooit te hebben gehoord dat ik iets góed deed, ook niet tijdens de vele etentjes. Opscheppen over zijn personeel deed hij tegen anderen, ons viel bijna nooit een compliment ten deel. De zeldzame keren dat ik me daarover beklaagde zei hij dat ik daar meer behoefte aan had dan de rest. Dat erkenning mijn zwakke plek was. Dat nam ik van hem aan terwijl ik met de dag onzekerder werd en regelmatig thuis in huilen uitbarstte.

Toch werd er tijdens die vergaderingen ook een hoop gelachen. Dat er regelmatig homofobe of zogenaamd grappig bedoelde racistische en andere grievende dingen werden gezegd, lachten we weg of erger: soms deden we mee. Een belangrijke auteur van hem die een transitie van vrouw naar man had ondergaan en een vriend van mij was geworden, bleef hij consequent een vrouw noemen tijdens vergaderingen. Homo’s heetten flikkers, vrouwen lekkere wijven en als iemand iets deed wat hem niet beviel, was dat ‘een jodenstreek’. Mijn herhaaldelijke verzoeken dat soort dingen liever niet te zeggen, lachte hij weg.

Als je niet om zijn grappen lachte of hem oordelend aankeek, kon dat al genoeg zijn voor een snauw of een honende grimas, ook tegen mij. Soms vroeg hij dan een paar uur later doodleuk of ik die avond mee ging eten. Het dedain waarmee hij sprak over iedereen die hij kende, vriend of vijand, nestelde zich als een gif in onze lijven. Ergens positief over zijn lukte nauwelijks nog. En die negativiteit was besmettelijk. Ik was niet aardig in die tijd, altijd op mijn hoede, kortaf; soms zeiden mensen dat het leek alsof ze hém hoorden in plaats van mij. Mijn moraal en ethiek werden continu ondermijnd door de vernederingen die we gewend waren te ondergaan. En toch was ik verantwoordelijk voor mijn eigen gedrag.

Van jongen uit de klei tot gevierd uitgever

Auteurs vroegen me vaak hoe ik het zo lang volhield onder zijn bewind, dat hadden ze zelden eerder gezien; de meeste werknemers waren na hooguit een jaar wel weer verdwenen. Ik voelde daar een mengeling van trots en schaamte bij. Voor weinigen was het een geheim hoe hij zich tegen personeel gedroeg. Ver voor mijn tijd al: in alle kranten en bladen had wel een stuk gestaan over hem, de beroemdste uitgever van Nederland. Maar die artikelen benadrukten keer op keer hetzelfde heldenverhaal van de jongen die zichzelf uit de klei omhoog had weten te trekken en het, gewapend met borsalino, had geschopt tot puissant rijke en gevierde uitgever. Hij kwam als personage voor in boeken, dramaseries en films. Maar als personage was hij geslaagder dan als baas van vlees en bloed.

Laatst nog werd hij besproken in een podcast. Zijn intimiderende kant werd in eerste instantie benoemd, maar, concludeerden de makers, uiteindelijk was hij toch een markant figuur, wel ‘leuk’. Het romantische beeld van het bijzondere type, de markante figuur, won het van zijn intimiderende karaktereigenschappen.

De auteurs van de oude garde nam ik soms in vertrouwen. Een van hen, een goede vriend van mijn toenmalige baas, beloofde me met hem te zullen praten. Hij zag ook wel in dat dat gedrag zo niet langer kon. ‘Hij moet inderdaad gewoon eens even normaal doen’, zei hij.

Maar dat gesprek kwam er nooit. En nooit verbond een van de andere auteurs consequenties aan zijn gedrag of dreigde met weggaan naar de concurrent. Dat gebeurde alleen als hij een boek te vroeg verramsjte of niet van plan was het gevraagde voorschot neer te tellen. En ondertussen draaide ik op zijn beroemde feestjes mijn inmiddels sleets geworden riedeltje af tegen klagende auteurs: hij was écht de beste uitgever van Nederland, natuurlijk moest je dat volgende boek ook bij hem uitbrengen, je gaat toch niet naar die concurrerende loser in zijn karige kantoor in Amsterdam-Noord? Zelfs zijn negatieve vocabulaire had ik gekopieerd. Ik denk dat ik het meende toen ik het zei. Ik wilde erin geloven, dus geloofde ik erin. En ik was zijn woorden niet vergeten die hij sprak op mijn eerste werkdag: ‘Je loyaliteit ligt altijd bij mij, niet bij de auteurs.’

Steeds wanhopiger

Lange tijd probeerde ik de goede dingen tegen de kwade weg te strepen, zoals ik me voorstel dat mensen in een structureel gewelddadige relatie dat ook doen.

Regelmatig vroeg ik me af of de situatie anders was geweest als het grensoverschrijdende gedrag seksueel was geweest. Zouden er in dat geval wél auteurs zijn weggegaan? Zelfs schrijvers die publiceerden over fysiek en seksueel geweld leken op geen enkele manier iets van loyaliteit te voelen met ons, toch ook de dupe van een vorm van geweld, voor zover ze op de hoogte waren natuurlijk. Andere grote auteurs, in talkshows opgevoerd als het nationale geweten van Nederland, zaten regelmatig met mijn baas aan de dis en lieten zich in de watten leggen. Zelfs als ik ze, inmiddels steeds wanhopiger, voor mijn gevoel gevangen in mijn situatie, luid en duidelijk uit de doeken had gedaan hoe schadelijk het gedrag van mijn baas was en ze dus op de hoogte waren. Ik voelde me verraden en in de steek gelaten. Zoals ik zelf mijn collega’s in de steek liet.

De hoofdredacteur van de uitgeverij, een goede vriend van me, die er in tegenstelling tot veel anderen heel lang werkte, liet het meeste van zich afglijden en vond, als ik hem af en toe in vertrouwen nam, dat ik me aanstelde. ‘Je weet hoe hij is’, zei hij dan. Iedereen beschermt zichzelf op zijn eigen manier.

Kun je elkaar wel troosten als je min of meer in hetzelfde schuitje verkeert? Als je gevoel voor wat normaal is en wat niet, geen rechte koers meer volgt?

Maar meestal zei ik niets en keek ik weg, net als hij. Want kritiek was niet gewenst. Kritiek werd ervaren als een persoonlijke afwijzing. Wie kritiek had kon vertrekken. Ooit durfde een goed gebekte receptioniste hem na afloop van een personeelsfeestje in niet mis te verstane woorden aan te spreken op zijn gedrag. De ochtend erop was haar bureau leeg. Misschien was mijn lafheid uiteindelijk de motor van het gevoel medeplichtig te zijn aan een grensoverschrijdende cultuur.

Wederhoor

De ‘auteur van de oude garde’ ontkent te hebben gezegd dat Spijkers ‘even normaal moet doen’. Volgens hem heeft hij wel afzonderlijk tegen zowel Palache als Spijkers gezegd dat ze moeten proberen hun werkzaamheden weer op goede voet voort te zetten.

De culinair recensent zegt dat Spijkers inderdaad bekendstaat als ‘de meest gehate horecabezoeker van Amsterdam’.

Oorlogssituatie

Toen ik een in 2018 gepubliceerd stuk las in een van de maandbladen over de werkwijze van een oud NRC-hoofdredacteur, voelde ik mijn hart tekeer gaan van herkenning. Een redacteur liet optekenen dat wat zij meemaakte bij de krant ‘voelde als verbale aanranding’. Die woorden resoneerden. Het was misschien niet fysiek wat mijn baas deed, maar door de onverbiddelijke heftigheid voelde dat wel zo. Maar ik werkte er al negen jaar. Wat voor recht van spreken had ik dan?

En sowieso: had ik niet meegeholpen deze man in het zadel te houden, was ik zelf niet ook onaardig geweest, had ik niet auteurs voor hem geronseld? Als een behoorlijk heftig tantetje alle talkshowmensen en recensenten gek gebeld dat de boeken die wij uitgaven besproken móesten worden? En hij wás ook echt een goede uitgever, iemand die me bovendien veel kansen bood, verantwoordelijkheden gaf, boeken aanraadde, me liet meedelen in bonussen, mijn eigen eerste boek uitgaf, meebetaalde aan een groot symposium dat ik organiseerde, die ik uitnodigde op mijn verjaardag. Maar dat hij zijn werknemers terroriseerde, was óók zo.

Hoe meer jaren er voorbij gingen, hoe meer ik me het bedrijf en mijn rol daarin als een oorlogssituatie begon voor te stellen. Ik faciliteerde tenslotte zijn mismanagement, ik zweeg min of meer, ik voerde uit, ik werkte mee. Waarom kwamen we niet collectief in opstand, zoals we inmiddels bijna wekelijks na weer een uit de hand gelopen vergadering zo dapper besloten? Waarom ging ik niet weg of trok ik mijn mond niet wat vaker open? Af en toe deed ik een poging, maar de vergelding in de vorm van negeren, snauwen of afblaffen nodigde niet snel uit dat nog eens te doen. Ik kon ontslag nemen, er was me meer dan eens een andere baan aangeboden.

Maar af en toe voelde ik me ook weer bijzonder. Die keer dat hij me vroeg of ik met hem en een bevriende auteur mee wilde naar Parijs, bijvoorbeeld. Ik voelde me uitverkoren, maar wat zei ik tegen de collega’s? Toch ging ik mee. Eenmaal daar stapelde de ene vernedering zich op de andere. De auteur en hij liepen meters voor me uit, en toen ik na een zakelijke afspraak arriveerde op onze afgesproken lunchplek, waren hun borden al leeg. Die avond vroeg mijn baas of ik die en die beroemde auteur al had gestrikt voor een contract. Ik zei hem dat hij niet wilde. ‘Dan zeg je hem maar dat hij niet meer welkom is bij je ouders als jullie Pesach vieren.’ Alles duizelde. ‘Daarom word je nooit een goede uitgever,’ siste hij me toe en lachte naar de auteur die naast me zat. Ik moest huilen en voelde me nooit eerder zo onbetekenend en gekleineerd.

Maar nog steeds ging ik niet weg. Ik was bang dat hij me zwart zou maken bij anderen, bij collega’s uit het boekenvak, bij auteurs, van wie sommigen inmiddels ook goede vrienden geworden waren. Ik zou hem overal tegen het lijf lopen, hij zou me negeren zoals hij steevast deed met mensen die vertrokken, al dan niet op eigen initiatief. De meesten wérden trouwens door hem ontslagen. Nergens in de literaire wereld was het verloop van personeel, van muizig tot mondig, zó groot als daar. Hij droeg dat feit haast als een overwinning: ‘Iedereen in het vak is bij mij begonnen,’ zei hij vaak trots. En sommige collega’s hadden ook het gevoel dat als ze hem hadden overleefd, ze daarna alles aankonden.

En als ik weg zou gaan, wat dan? Ik had verantwoordelijkheden, een huis, een hypotheek te betalen. Hij had macht over mij.

Lafheid en diepe schaamte

Het is precies die machtsongelijkheid die me deed besluiten erover te schrijven toen ik eindelijk, na bijna een jaar hartkloppingen, toch besloot mijn eigen weg te gaan. Ik publiceerde een stuk vol ervaringsdeskundigen en experts in Vrij Nederland over deze thematiek, lanceerde de hashtag #bangvoordebaas, maar was te laf om mijn eigen verhaal en mijn rol erin te verwerken. Het was te vers, de pijn te rauw. Van zijn hoofdredacteur hoorde ik dat mijn inmiddels ex-baas om het stuk had moeten lachen. ‘Typisch’, reageerde ik, alsof het me niets deed.

Toch wilde ik ook na dat stuk verder onderzoeken hoe het zo ver had kunnen komen. Hoe ik, toch niet op mijn mondje gevallen, ontvankelijk had kunnen zijn voor zo’n werkomgeving en er zo lang in had kunnen functioneren. Waarom bleef ik negen jaar lang in zo’n giftige situatie hangen en trotseerde ik zelfs de fysieke klachten? Waarom accepteerde ik mijn eigen onaardigheid? Waarom bleef ik hem zo lang verdedigen? Die vragen en harde oordelen over mezelf vervulden me de periode na mijn vertrek met diepe schaamte.

Maanden, jaren zelfs, brak ik er me het hoofd over. Ik zag de parallellen met #metoo, de beweging die van zo’n groot belang is om seksistische structuren en culturen bloot te leggen die ten grondslag liggen aan grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer. Veel van die verhalen vertoonden gelijkenissen met wat ik had meegemaakt bij de uitgeverij. Alleen ontbrak de seksuele component daarbij en heetten gebeurtenissen zoals ik die meemaakte in de krant niet grensoverschrijdend, maar een angstcultuur.

Medeplichtig

En toch – toen de Boos-aflevering over The Voice werd uitgezonden, kreeg ik opnieuw nachtmerries over die tijd, mijn hart klopte weer hevig. Dat kwam door de raakvlakken. Iedereen wist ervan, check. Niemand deed zijn mond open, check. Niemand kwam in verzet of nam het voor je op, check. Er was sprake van een machtsverhouding, check. De meerderheid in het bedrijf had er last van, check. Het waren geen eenmalige uitbarstingen, maar er was sprake van een patroon, check. Macht werd oneigenlijk ingezet, check. Grenzen werden steeds verder opgerekt, check, en eenmaal thuis bekroop me een gevoel van onrecht, van trauma eigenlijk, check. Maar mijn baas had me nooit een seksueel oneerbaar voorstel gedaan. Wel had hij mij achter mijn rug om, bij invloedrijke recensenten door wie ik voor mijn werk serieus genomen wilde worden, getypeerd als ‘lekker ding’. En hij had mijn collega’s en mij en plein public vernederd, tegen ons geschreeuwd, gedaan alsof we zijn eigendom waren, alsof we geen eigen levens hadden. Alsof dat gedrag niet grensoverschrijdend is.

De reacties van veel mensen om me heen spraken boekdelen als ik de vergelijking trok met #MeToo. ‘Ja, maar seks is toch iets anders.’ Of ik kreeg het verwijt dat ik er zelf toch ook negen jaar had gewerkt en dat iemand nooit in zijn eentje zo kan opereren. Victim blaming heet dat tegenwoordig, geloof ik. Maar de jas van slachtoffer paste me niet. Ik wilde dat niet zijn, verzette me er zelfs tegen, maar daardoor keerde de woede zich naar binnen. Ik was inderdaad uit vrije wil gebleven. Niemand dan ik zelf was dus verantwoordelijk. Ik was medeplichtig. Geen slachtoffer.

Gierende angst

De beslissing het bedrijf te verlaten, kwam ondanks alles toch nog onverwacht. Ik schreef al over de publicatie van Mein Kampf. Kennelijk was daar een persbericht over verstuurd. Ik zat op dat moment in het buitenland voor werk. Journalisten buitelden over elkaar heen om erover te berichten en die dag kreeg ik telefoontjes van alle kanten waarin om opheldering werd gevraagd. ‘We moeten het hier even over hebben als ik maandag terug ben, want dit voelt niet goed,’ stuurde ik, secuur formulerend, aan mijn baas. Ik kreeg geen antwoord. Het hele weekend werd ik geplaagd door hartkloppingen. Ik was te vrijpostig geweest. Hij was vast woedend. Wie dacht ik wel niet dat ik was om me met zijn beleid te bemoeien? Een gierende angst nam mijn lichaam over.

Die maandag zei hij tegen me dat hij niet meer wilde dat ik bij het bedrijf werkte. ‘Zo’n toon sla je niet aan tegen je baas.’ Ik gaf mezelf stilletjes de opdracht niet in huilen uit te barsten. Ik hoorde mezelf slijmen dat ik het zo niet had bedoeld, maar dat ik ervan geschrokken was dat die beslissing tot publicatie genomen was zonder mij daarbij te betrekken. Niet alleen als zijn hoofd publiciteit en rechtenmanager, ook als privépersoon, van wie hij de familiegeschiedenis kende. Wonder boven wonder bond hij in. Hij trok zijn aankondiging van ontslag in. Ik mocht blijven.

In de weken die volgden vroeg ik hem voorzichtig of hij met de opbrengst van dat omstreden boek niet iets moois kon doen, een donatie aan het Holocaustmuseum in aanbouw, bijvoorbeeld. Dat leek hem een goed idee. Een maand voordat ik opzegde, zag hij daar alsnog vanaf. ‘Dan heb ik het gevoel dat ik iets verkeerds doe door dat boek op de markt uit te brengen en dat doe ik niet. Regel jij nou maar dat er een mooie avond omheen wordt georganiseerd in de Rode Hoed.’ En terwijl ik iedereen belde met de vraag of ze wilden optreden tijdens de lancering van de Nederlandse editie van Mein Kampf, waarvan de opbrengsten in de zakken van mijn baas zouden verdwijnen, werd ik misselijk.

Toen ik mijn baas vertelde dat een zekere Volkskrant-columnist en schrijver niet wilde meewerken, reageerde hij met: ‘Wat een jodenstreek. En hij is niet eens een echte jood.’ Ik kreeg een waas voor mijn ogen en barstte in woede uit. Eindelijk. Voor het eerst. Mijn baas verontschuldigde zich lachend, maar nu was hij te ver gegaan. Mijn beslissing was genomen.

Ontslagbrief

In al die jaren had ik nergens officieel mijn beklag over de interne gang van zaken kunnen doen. Er was geen onafhankelijke vertrouwenspersoon en degene die ‘het stukje P&O’ deed, was zijn trouwste werknemer. Dit was zíjn bedrijf, zíjn managementstijl. Als die mij niet beviel, was ík het die moest vertrekken. Bij de rechter zou ik ook geen grote kans maken, vertelde de advocaat bij wie ik advies inwon, al bestond er een precedent van een vrouw die een zaak tegen haar intimiderende baas had gewonnen. Maar dat zou bakken met geld kosten en dat had ik niet.

Ik betaalde de advocaat 350 euro voor de weinig hoopvolle inschatting van mijn zaak en schreef mijn ontslagbrief. Mijn baas begreep het wel, zei hij. Ik wilde carrière maken en de uitgeverij was te klein voor mij geworden. Hij had geen benul dat ik wegging om hem. Ik probeerde tijdens dat gesprek duidelijk te maken dat ik bang voor hem was en dat ik niet alleen stond, zoals ik wel eerder had geprobeerd aan te kaarten. Hij glimlachte meewarig.

Ik kreeg drie maanden salaris mee ‘voor een zachte landing’, ook al was het mijn eigen keuze geweest om weg te gaan. Hij was al die jaren toch óók echt op me gesteld geweest. Ik deed de suggestie om een dag in de week aan te blijven, omdat ik me zorgen maakte over mijn beginnende bestaan als freelancer. Maar die constructie liep al snel spaak. Ik had hem toch verraden door weg te gaan? En nu ging ik ook nog een bloemlezing publiceren bij een andere uitgeverij (‘Waarom ga je naar die losers?’) dan de zijne.

In zijn wereld ben je vóór hem of tegen hem en nu was ik duidelijk tegen hem. Ik wist dat ik hem daarna nooit meer zou spreken, een man die toch zo’n lange tijd van grote invloed op mijn leven was geweest, die woord had gehouden en me de kneepjes van het vak had geleerd, maar die me tegelijkertijd ernstig had beschadigd onderweg. Hij heeft een paar mensen groot gemaakt, maar vooral een heleboel mensen klein.

Zijn jaarlijkse tuinfeest

Een half jaar na mijn vertrek kwam ik hem per bizar toeval tegen op straat in Parijs. Hij keek ijzig langs me heen. Die nacht kon ik weer niet slapen. Maar ik sprak erover met vrienden, en het ging steeds een beetje beter. Toen ik ‘eruit’ was, realiseerde ik me ook pas goed waarin ik had gezeten. Dat gold voor meer mensen die voor hem werkten. Tijdens het boekenbal sprak ik een oud-collega die de maanden voorafgaand aan haar ontslag tijdens vergaderingen stelselmatig genegeerd werd en, eenmaal weggestuurd, te kampen kreeg met een ernstige depressie. Een oud-auteur die naast haar stond, verontschuldigde zich dat hij nooit voor ons was opgekomen. De collega en ik waren elkaars getuigen dat we dit echt allemaal hadden meegemaakt. Haar durfde ik dit stuk van tevoren te laten lezen, zij begreep waar ik het over had.

Soms speelt het oude gevoel nog op, bij het zien van het nieuws met weer een #MeToo-geval, als mijn ex-baas met zijn karakteristieke uiterlijk door de stad fietst en ik hem van de achterkant zelfs herken, of als hij zijn jaarlijkse tuinfeest houdt en iedereen die van de hoed en de rand weet daar weer opgedirkt naartoe gaat. Dan voel ik me even vreselijk alleen. Maar voor veel auteurs is hij belangrijk en aardig, ze hebben veel aan hem te danken. Soms gaat hij voor ze door het vuur.

Drie jaar duurde het voor ik hier op deze manier over kon schrijven. Het heeft toch vaak iets lafs of hypocriets om iemand een trap na te geven, om een monoloog af te steken, om jezélf ineens te bedienen van de macht door het in een krant te publiceren, en ik had tenslotte ook veel kansen van hem gekregen. Zouden mensen het wel van mij aannemen? Ik was als de dood dat ze aan me zouden twijfelen of me zouden confronteren met dingen die ikzélf verkeerd heb gedaan, me zwart zouden maken. En dat gebeurde ook. In de aanloop naar publicatie van dit stuk werd ik op allerlei manieren geïntimideerd door mensen wier comfortabele positie mede afhankelijk is van de positie van mijn ex-baas. De reactie van mijn oud-collega sterkte me, net zoals die van dierbare vrienden, die me langzamerhand steeds meer zagen ontspannen.

Gordon Ramsey

Toch wilde ik dit stuk met mijn persoonlijke anekdotiek vooral publiceren om een groter verhaal te vertellen, namelijk dat grensoverschrijdend gedrag in vele vormen bestaat en slechts een symptoom is van het onderliggende probleem: dat van machtsmisbruik. Het is inderdaad lastig om juridisch vast te leggen wanneer iets een oneigenlijke manier van macht uitoefenen is. Een typerend voorbeeld daarvan gaf de Volt-politicus die van machtsmisbruik beticht werd en bij talkshow Jinek een voorbeeld schetste van haar vermeende strapatsen. Ze had een document van een ondergeschikte voor diens ogen in de prullenbak gegooid omdat ze er ontevreden over was. ‘Is dát intimidatie?’ hoorde ik haar verwachtingsvol vragen aan de talkshowhost. ‘Ja,’ schreeuwde ik tegen de televisie.

Een van haar advocaten zei daarvoor nog even dat ze een krachtige vrouw is die zegt waar het op staat en streng is voor medewerkers. ‘Daar moet je tegen kunnen’, vond zij. Het bleef stil aan de andere kant van de tafel – misschien is het niet toevallig dat ook over talkshows veel verhalen de ronde doen over een bovenmatig intimiderende werksfeer achter de schermen. En zo werd een onbeschofte en vernederende manier van leidinggeven opnieuw genormaliseerd en geïnstitutionaliseerd.

Wij hebben zulke excessen genormaliseerd. Kijken we niet al jaren naar hoe kok Gordon Ramsey op primetime-televisie keukenpersoneel uitscheldt omdat hij daarmee lijkt te suggereren dat dat de enige manier is om een mooi bord eten op tafel te toveren? We lachen erom, maar ook bij Ramsey is het niet normaal. Dan krijg je je eten maar tien minuten later geserveerd – en moet mijn ex-baas er beslist niet gaan eten.

Heel langzaamaan begint er iets te kantelen in de maatschappij. Er werd melding gemaakt van het schrikbewind van een museumdirecteur, maar in plaats van de man te ontslaan, kwam er iemand naast hem zitten om hem in de gaten te houden. Vorige week kwam naar buiten dat deze directeur alsnog moet opstappen. Maar ook bij de politie, de belastingdienst en op de Zuidas doen steeds meer mensen een boekje open over het gedrag van leidinggevenden. Of in de turnwereld, waar veel jongens en meisjes onder krankzinnige druk en stress staan van veel te veeleisende trainers. ‘Dit is nou eenmaal hoe het gaat.’

Geen excuus

En ja, natuurlijk sta je als tv-maker, kok of trainer onder grote druk door de eindverantwoordelijkheid die je hebt, net zoals wanneer je de jaarcijfers veilig moet stellen bij een grote, commerciële uitgeverij. En natuurlijk mag je af en toe uit je slof schieten of een slecht presterende werknemer tot de orde roepen als die niet naar redelijke wens functioneert. Maar over dergelijke situaties gaat het hier nadrukkelijk niet. Die eindverantwoordelijkheid en het al dan niet unieke talent van een baas mogen nooit een excuus zijn om werknemers structureel te intimideren.

Ik doe hierbij een beroep op óns, werknemers, op de maatschappij. Wij komen vóór de rechter. Wíj zijn het die bepalen of gedrag acceptabel is, of ‘dit nou eenmaal is hoe het gaat’.

We zijn, na eeuwenlang zwijgen van alle kanten, verontwaardigd over mannen die met behulp van hun machtsposities seksueel aan hun trekken kwamen. We gingen op een andere manier, met andere ogen, naar elkaar kijken. Precies zo verontwaardigd zouden we moeten zijn over de mannen én over de vrouwen die hun macht misbruiken om personeel op onacceptabele wijze onder de duim te houden en te intimideren. Ik hoop vurig dat dat óók op de agenda komt te staan van de kersverse regeringscommissaris grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, Mariëtte Hamer. En daarbij moeten we de spiegel zeker niet schuwen, want soms worden mensen, zoals ik, ook als machtig gezien omdat ze horen bij de top.

Het ís niet oké. Zulk gedrag hóórt niet bij een uniek talent. Je kunt ook grote hoogtes bereiken als je je wél fatsoenlijk gedraagt tegenover je werknemers. En het gaat hier niet alleen om de beleving van degenen die dergelijk gedrag menen te moeten ondergaan. Als een heel bedrijf gegijzeld wordt door angst, is er sprake van grensoverschrijdend gedrag dat die angstcultuur veroorzaakt. We zijn er samen verantwoordelijk voor dat we ons daarover uitspreken, dat we niet wegkijken, dat we het veroordelen, in de spiegel kijken, dat we het niet goedpraten, dat we het niet normaliseren. Dat we nooit accepteren dat ‘dit nu eenmaal is zoals het hier gaat.’

Ronit Palache is journalist en publicist en werkt aan een roman en een proefschrift over geloofsverlaters in Nederland.

De werksfeer

Woede-uitbarstingen, pesterijen en intimidatie: oud-medewerkers van uitgeverij Prometheus schetsen een beeld van een intimiderende werksfeer. Onder leiding van Mai Spijkers heerste er volgens hen een verstikkende angstcultuur. Medewerkers konden zonder aanwijsbare reden mikpunt worden en wie voor een ander opkwam, had zelf een probleem.

Oud-medewerkers benadrukken dat er ook leuke en avontuurlijke kanten zaten aan werken bij Prometheus. Zij erkennen ook dat ze vaak al op de hoogte waren van de reputatie van Spijkers als een harde baas, en dus tot op zekere hoogte konden weten waar ze aan begonnen. Maar velen ging het veel te ver, en sommigen hielden nog lang last van hun ervaringen. Spijkers zelf zegt altijd in het belang van Prometheus te hebben gehandeld. Lees meer.