De Nederlandse arts die voor Mengele moest werken

In Auschwitz werd de jonge dokter Marie Stoppelman gedwongen te werken voor kamparts Josef Mengele. Deze week is het 77 jaar geleden dat ze werd bevrijd. Hoe is het haar vergaan?

I

Een niet te stuiten woordenstroom

Het gesprek is in het Duits, de toon wat snauwerig en die combinatie treft kinderarts Marie Stoppelman aan het einde van haar leven als een mokerslag. De oorlog is al meer dan veertig jaar voorbij als ze de vraag krijgt om opnieuw te getuigen over wat ze in Auschwitz heeft meegemaakt en dan vooral om te vertellen over de meestgezochte oorlogsmisdadiger van dat moment, een man die al decennialang uit handen van de Duitse justitie heeft weten te blijven: Josef Mengele, de kamparts die afgrijselijke experimenten op willoze gevangenen heeft uitgevoerd.

De Joodse Marie, kampnummer 82325, heeft als jonge dokter in het vernietigingskamp noodgedwongen met Mengele samengewerkt. Ze weet wie hij was, hoe hij eruitzag, welke misdaden hij heeft gepleegd. De vragen die ze die middag in het Duits beantwoordt, brengen beelden terug die ze voor altijd had willen vergeten. Als ze na afloop van het gesprek naar buiten loopt, is ze zo overstuur dat de portier haar tegenhoudt. ‘U kunt zo niet weg mevrouw’, zegt hij haar.

Kaart van de Joodse Raad met de gegevens van Marie Stoppelman.
Foto: Arolsen Archives

Ze belt naar Groningen, naar kinderarts Hugo Heymans, die daar net hoogleraar is geworden. ‘Ik wil je spreken’, zegt ze, en nog diezelfde middag rijdt ze vanuit Amsterdam naar hem toe. Hugo is een Joodse jongen, ze heeft hem zelf opgeleid, hij zal haar begrijpen. Heymans herinnert zich dat hij haar moet helpen inparkeren; ze is uit Auschwitz teruggekomen met ernstige spierklachten, ze kan het autostuur niet goed draaien.

Al die jaren heeft Heymans het getatoeëerde kampnummer op haar linkeronderarm gezien – een brandmerk onder de korte mouwen van haar doktersjas. Nooit heeft hij haar durven vragen wat er achter die vijf cijfers schuilgaat. Die avond vertelt ze hem dat, in een niet te stuiten woordenstroom.

Als ze tegen 11 uur terugrijdt naar Amsterdam, laat ze Heymans en zijn vrouw ontdaan achter.

In de jaren erna verliest Hugo Heymans Marie uit het oog. Ze overlijdt voordat hij terugkeert naar Amsterdam, om daar directeur te worden van het Emma Kinderziekenhuis. Als hij op een vroege decembermorgen in 1994 in het crematorium van Velsen afscheid van haar neemt, luistert hij naar de ontroerende woorden van de vriend die zich in de laatste jaren van haar leven over de ongetrouwde Marie heeft ontfermd. Hij spreekt bewonderend over de manier waarop zij zich door het leven heeft geslagen.

Na al die jaren is Heymans de meeste details van die indrukwekkende avond in Groningen kwijt. ‘Ik heb er veel van weggestopt’, erkent hij. De oorlog heeft ook in zijn leven sporen nagelaten, zijn ouders overleefden het getto van Theresienstadt. Maar de flarden die hij zich nog herinnert, zijn zo intrigerend dat ze uitnodigden tot een zoektocht. Wie was deze arts die met Mengele heeft samengewerkt? Wat heeft ze meegemaakt en hoe is het haar na de oorlog vergaan?

Deze week was het 77 jaar geleden dat de 30-jarige Marie Stoppelman samen met een paar duizend andere uitgemergelde gevangenen in Auschwitz werd bevrijd. Wat daarna kwam, zou Auschwitz-overlevende Primo Levi beschrijven als een beproeving, ‘vrij maar niet verlost’.

II

Ondergedoken en ontdekt

Vanuit het raam van de woonkamer kan ze de Rijn zien, en weilanden zover het oog reikt. Als ze ergens veilig kan schuilen, dan is het hier, op de eerste verdieping van het statige voormalige veerhuis aan de rand van Wageningen. Een lang, smal, door bomen omzoomd pad vormt de enige toegangsweg, aan de achterzijde ligt een moeras waar een schuilhut is gebouwd.

Marie is gevlucht uit een bezet en grimmig Amsterdam. De stad waar ze zich na haar studie geneeskunde als jonge, enthousiaste huisarts heeft gevestigd is een onheilsplek geworden. Nadat de Duitsers een behandelverbod hebben uitgevaardigd en Joodse artsen alleen nog maar Joodse patiënten mogen behandelen, heeft ze nog een tijdlang in het Portugees-Israëlitisch ziekenhuis gewerkt, een klein ziekenhuis met 55 bedden. Maar in de zomer van 1942 zijn de deportaties begonnen, er zijn razzia’s en nachtelijke invallen, collega-artsen zijn weggevoerd, zelfs patiënten zijn vanuit hun ziekbed in Duitse overvalwagens geladen. Het net sluit zich, dat is duidelijk; samen met haar twee jaar oudere broer Theo, student economie in Rotterdam, heeft ze besloten om niet af te wachten.

De Wolfswaard, onderduikplek.
Foto: Wageningen 1940-1945

Op 9 september 1942 stappen ze apart van elkaar in de trein naar Ede; na vier onderduikadressen komen ze in november op de bovenverdieping van de Wolfswaard terecht, een afgelegen herenboerderij in de Gelderse vallei. Daar wonen ze in bij Neeltje en Eltien Krijthe, tweeling in het verzet, beiden ingenieur aan de Landbouwhogeschool in Wageningen.

Vijf kamers, koken op een petroleumstel en water uit de pomp. Marie doet er overdag het huishouden, als de zussen op de hogeschool bezig zijn met onderzoek naar de spruitvorming van pootaardappelen of het stekken van seringen. Theo luistert naar de Engelse zender en typt het nieuws uit, op briefjes die door de twee zussen illegaal worden rondgebracht.

’s Avonds kunnen de Joodse onderduikers vaak even luchten en langs de Rijn wandelen. Een studievriend van Theo brengt boeken en brieven van hun economiedocent. Zelfs vader en moeder Stoppelman, elders in Wageningen ondergedoken, komen een paar keer op bezoek. Van de benedenburen hebben ze niets te vrezen: daar woont de jonge Jan van Roekel, die zich met jeugdige overmoed op het verzetswerk heeft gestort, onder de vleugels van zijn moeder Zwaantje Bosman, verzetsnaam tante Zwaan.

Maar wat aanvankelijk bescherming lijkt te bieden, begint geleidelijk aan gevaar op te leveren. De Wolfswaard wordt het hoofdkwartier van een belangrijke verzetsgroep, die er vergadert, wapens opslaat en zelfs een radiozender bouwt waarmee proefuitzendingen worden gehouden. In de nacht van 2 op 3 januari 1943 ontvreemdt de groep rond Van Roekel het complete Wageningse bevolkingsregister, de jutezakken met kaarten worden in het kippenschuurtje naast het huis verstopt.

Keer op keer vragen Neeltje en Eltien hun benedenburen om toch voorzichtig te zijn, om een andere uitvalsbasis te zoeken. Anderhalf jaar gaat het goed, al die tijd functioneert het zelfbedachte waarschuwingssysteem. Al een paar keer is de Sicherheitspolizei onverwachts langsgekomen, maar dan tikt tante Zwaan met een bezemsteel tegen het plafond. Zo zijn Marie en Theo steeds tijdig ontkomen, door de balkondeur, trap af en dan via de struiken door naar het wilgenbosje.

De zussen Neeltje en Eltien Krijthe (onderduikgevers) in hun jonge jaren.
Foto: Wageningen 1940-1945

Op zaterdag 20 mei 1944 gaat het dan toch mis. Om 5 uur ’s morgens horen de zussen in hun slaapkamer aan de voorkant van het huis een auto stoppen en dan blijkt vluchten opeens niet meer mogelijk. De balkondeur aan de zuidkant van het huis is van buitenaf vergrendeld. De plank op de zolderverdieping, eerder losgewrikt om zo een alternatieve route naar de schuur te bieden, is vastgeschroefd. Het kan niet anders of er is verraad in het spel. Als geüniformeerde Duitsers aankloppen bij de bovenwoning, zitten de twee zussen en hun onderduikers als ratten in de val.

Neeltje en Eltien gaan op transport naar kamp Vught, Marie en Theo worden overgebracht naar kamp Westerbork, waarvandaan dan al zo’n 100 duizend Joden in lange treinen naar een onbekende bestemming in het oosten zijn gebracht. Kennelijk beschouwt de Sicherheitsdienst, de inlichtingendienst van de nazi’s, broer en zus Stoppelman als leden van de Wageningse verzetsgroep die hen uiteindelijk noodlottig is geworden, want na drie weken Westerbork worden ze overgebracht naar het Oranjehotel, de strafgevangenis in Scheveningen, verzamelplaats voor politieke gevangenen.

Van daaruit volgt alsnog de route die zovelen voor hen al hebben afgelegd, de lange reis naar Auschwitz. Maar anders dan al die anderen reizen Marie en Theo in een gereserveerde coupé van de sneltrein, onder bewaking van twee leden van de Sicherheitspolizei. ‘Waaraan wij de eer van deze uitzonderlijke maatregel te danken hebben, weet ik niet’, zal Marie na de oorlog met gevoel voor cynisme verklaren.

Als ze op 30 juni 1944 in het kamp aankomt, heeft de massamoord daar een hoogtepunt bereikt. Er breken zeven maanden aan die de rest van haar leven zullen bepalen.

III

Werken voor Mengele

De treinen komen bijna dagelijks. Als ze vanuit de ziekenbarak de hoek omslaat, heeft ze zicht op het pas aangelegde aankomstperron midden in het kamp, waar volgepakte wagons duizenden en duizenden Joodse gevangenen uitspugen. Links, op loopafstand, de gaskamers, die de vernietiging van de immense stroom gedoemden nauwelijks nog aankunnen.

Aankomst van Hongaarse Joden op het station van Auschwitz-Birkenau, juni 1944. Op 30 juni komt ook Marie Stoppelman aan in het kamp.
Beeld: Getty

Theo is in werkkamp Auschwitz I achtergebleven, Marie is te voet naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau overgebracht, 3 kilometer verderop. Daar heeft ze van collega’s het advies gekregen om onmiddellijk bij de kampleiding te melden dat ze arts is; een beroep, zo heeft ze begrepen, waar gevangenen nog iets aan kunnen hebben. Ze wordt aangesteld als chef van het laboratorium, tevens eerste hulp, in de ziekenboeg van het vrouwenkamp. Niet dat ze veel kan uitrichten: medicijnen zijn er nauwelijks, de zieken onder haar hoede zijn levende doden.

Maar zieken beter maken is ook helemaal haar taak niet, beseft ze als na een paar weken een knappe, slanke dertiger de barak komt binnengewandeld en zich voorstelt als haar chef. Josef Mengele, de hoogste SS-arts in Birkenau, beschouwt het kamp als een groot menselijk laboratorium waar hij ongehinderd kan experimenteren. Met de afgedwongen hulp van Joodse artsen. Ook Marie wordt geacht hem van dienst te zijn.

Ze is erbij als Mengele zo veel bloed aftapt bij verzwakte gevangenen dat ze bewusteloos raken. Ze ziet welke vreselijke complicaties ontstaan na bloedtransfusies met een verkeerde bloedgroep. Ze moet preparaten maken van de beenmergpuncties die hij onhandig en onverdoofd uitvoert. En ze vangt de vrouwen op die terugkeren uit blok 10, waar ze gruwelijke proeven hebben ondergaan: sterilisaties, hoge doses röntgenstraling, injecties met petroleum. Gevangenen zijn in de ogen van de nazi-artsen slechts Untermenschen op wie iedere denkbare hypothese kan worden getoetst. Hun nieuw verworven kennis komt ten dienste van de nazi-ideologie, het kweken van een superieur ras.

Mengele heeft nog een macabere liefhebberij: na aankomst van elke nieuwe trein voert hij op het perron van Auschwitz-Birkenau de selectie uit. Opgewekt veroordeelt hij de schuifelende rij kersverse gevangenen met een licht wuiven van de hand tot leven of dood. Links: de gaskamer, rechts: het werkkamp.

Diezelfde vrolijke stemming legt hij aan de dag als hij in de ziekenboeg van Marie vrouwen voor de gaskamer komt uitzoeken. ‘Ik herinner me dat hij altijd deuntjes floot. Alsof hij er lol in had’, zal ze later verklaren.

In een paar maanden tijd ziet Marie hoe de kamparts honderden vrouwen vanuit hun ziekbed naar de gaskamers stuurt. In het Krankenrevier heerst een voortdurende doodsangst. Als Mengele zijn SS-uniform heeft omgeruild voor zijn witte doktersjas, weten ze wat er staat te gebeuren, alsof hij op die manier wil benadrukken dat zijn selecties medisch verantwoord zijn. Terwijl hij in de naakte parade die hij aan zich voorbij laat trekken louter op het oog selecteert, merkt Marie: wie te mager is, moet dood. Daarna hoort ze alleen nog het schreeuwen en huilen van de vrouwen en het geluid van de wegrijdende vrachtwagen.

Als de ziekenboeg eind november 1944 wordt verplaatst naar een barak even verderop, maakt ze de kamparts van zijn meest barbaarse kant mee. Hij gooit de allerzwakste vrouwen, die niet meer kunnen lopen, als zandzakken achter in de laadbak van een vrachtauto, boven op elkaar, onverschillig hoe ze terechtkomen. Bij aankomst is een aantal van hen al gestorven – gestikt of dodelijk verwond. Mengele staat erbij te schelden, het aantal doden valt hem tegen.

Josef Mengele, ca. 1935.
Beeld: Getty

In de getuigenverklaringen die ze na de oorlog zal afleggen, sijpelt de machteloosheid tussen de regels door. Slechts één keer lukt het haar om in te grijpen en om twee Nederlandse zusjes met een smoes voor de gaskamer te behoeden, meer kan ze niet doen zonder zichzelf in gevaar te brengen. Haar artsentitel redt haar van de ondergang, Josef Mengele blaft haar af en hoont haar weg, maar spaart haar leven.

Als de Russische troepen op 27 januari om 3 uur ’s middags Birkenau binnen komen rijden, treffen ze Marie ernstig verzwakt en doodziek aan, in een kamp waar de lijken in de sneeuw liggen. Elf dagen eerder hebben de nazi’s Auschwitz geëvacueerd, wie nog kon lopen moest mee. Lange rijen gevangenen zijn vertrokken, dekens op de rug gebonden, veel dokters en verpleegkundigen zijn meegegaan. Marie heeft tbc opgelopen en is achtergebleven, samen met een paar duizend andere vrouwen. Er is nauwelijks voedsel, onvoldoende drinkwater, geen medische hulp, de hygiëne is erbarmelijk, de vrieskou dringt naar binnen door de kapotte ramen. Het is een wonder dat ze in die laatste paar dagen voor de bevrijding overleeft.

In een Pools ziekenhuis komt ze langzaam op krachten. Pas in juli reist ze terug naar Nederland, nadat ze tegenover een Poolse onderzoekscommissie een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd over haar tijd in Auschwitz. Later zal ze de foto’s en de filmbeelden zien die de verbijsterde Russen hebben gemaakt toen ze het kamp binnenkwamen. Een weergave, schrijft ze, die niet in de buurt komt van wat zich daar heeft afgespeeld.

Haar ouders blijken op hun onderduikadres de oorlog te hebben overleefd, maar Theo keert nooit terug uit het kamp waar ze hem op die laatste junidag heeft achtergelaten. Nog jarenlang doet ze navraag naar zijn lot. Ze weet alleen te achterhalen dat hij vlak voor de bevrijding vanuit Auschwitz naar concentratiekamp Gross-Rosen is geëvacueerd en daar ziek is achtergelaten. Case closed, schrijft het Amerikaanse onderzoeksteam in november 1949.

Dan is er nog maar één met wie ze haar lot kan delen: Neeltje, de vrouw bij wie ze een leven geleden mocht schuilen voor het gevaar, en die haar grote verdriet als geen ander begrijpt.

IV

Terug in Amsterdam

Buiten is het feest, maar in de bovenwoning van Marie aan het Amsterdamse Rokin is Auschwitz in de zomer van 1945 niet ver weg. De ambtenaar die is langsgekomen, vraagt haar of ze informatie kan geven over kampgevangenen die worden vermist. De treurige lijst die ze laat opstellen, telt twee pagina’s. Internist Goudsmit: overleden. Huisarts Aronsohn: vergast. Mevrouw Frank uit Den Haag: vermoord. Dokter Sally de Jong, broer van Loe: met onbekende bestemming geëvacueerd.

Terug in een bevrijd maar verlaten Amsterdam moet de omvang van de verschrikkingen pas goed tot haar zijn doorgedrongen. Van de 107 duizend Nederlandse Joden die zijn gedeporteerd, zijn er slechts 5.200 teruggekomen. De Joodse artsen die, net als zij, naar Auschwitz zijn afgevoerd, hebben iets meer geluk gehad: 14 van de 87 hebben het overleefd. Dat besef zal van haar een ongekend gedreven dokter maken. Twee jaar na de bevrijding promoveert ze, daarna specialiseert ze zich tot kinderarts en vertrekt ze met een beurs naar de Verenigde Staten, waar ze gaat werken bij vermaarde hoogleraren op het gebied van kinderkanker en taaislijmziekte. Eind jaren zestig wordt ze aangesteld als lector aan de Universiteit van Amsterdam en als chef de clinique op de afdeling kindergeneeskunde in het Amsterdamse Binnengasthuis.

De arts-assistenten zijn soms een beetje bang voor die kleine, pinnige vrouw, die plotseling kan uitvallen. Maar ze zien ook hoe begaan ze is met het lot van haar ernstig zieke patiëntjes, die ze allemaal wil redden, ook als de kansen minimaal zijn en de dood al aanklopt. Artsen dragen in die tijd een jas met korte mouwen, de vijf getatoeëerde cijfers op haar onderarm zijn voor iedereen zichtbaar. Niemand vraagt het en zij spreekt het nooit uit, maar het kan niet anders, zeggen de jonge dokters van toen, dan dat haar fanatisme te maken heeft met haar kampverleden. Aan het ziekbed van een kind is ze haar machteloosheid eindelijk de baas.

In Wageningen bijt Neeltje Krijthe zich in de jaren na de oorlog al net zo vast in haar wetenschappelijke carrière. Terwijl Marie publiceert over leukemie en bacteriële infecties bij kinderen, groeit Neeltje, ingenieur aan de Landbouwhogeschool, uit tot een internationaal expert op het gebied van pootaardappelen. Er zijn stapels boekjes van haar bewaard gebleven, publicaties over de oogst van eerstelingen, over vorstschade, spruitvorming en bewaartemperatuur.

Ook Neeltje heeft een hels laatste oorlogsjaar achter de rug: zeven concentratiekampen heeft ze gezien, ze is van kamp naar kamp versleept om de geallieerden voor te blijven. Urenlange appèls in de kou, overvolle barakken, onstilbare honger en dodenmarsen hebben haar zo uitgeput dat ook zij wekenlang in ziekenhuizen heeft moeten aansterken. En terwijl Marie naar Amsterdam is teruggekeerd zonder haar broer Theo, moet Neeltje in Wageningen voorgoed haar tweelingzus missen. Eltien, van wie ze nooit langer dan een dag gescheiden was, heeft ze in september 1944 ziek moeten achterlaten in kamp Ravensbrück, ten noorden van Berlijn. Pas zes jaar na de oorlog komt de bevestiging dat ze daar is overleden.

Vanaf het moment dat Marie en Neeltje elkaar in januari 1946 terugzien, ontstaat een levenslange vriendschap.

In het ziekenhuis blijft de oorlog altijd een gesloten boek. Collega’s zien dat Marie moeilijk loopt en merken dat de spierkracht in haar armen ontbreekt; wie bij haar in de auto stapt, staat doodsangsten uit omdat ze bij het schakelen twee handen nodig heeft en steeds haar stuur loslaat. Maar er is een onuitgesproken collectieve afspraak om te zwijgen, uit respect, omdat iedereen beseft dat er achter dat kampnummer een imponerend verhaal moet schuilgaan waarover ze uit zelfbescherming niet wil praten.

Slechts één keer valt ze uit haar rol, als collega’s nietsvermoedend een Zwitserse hoogleraar vragen om mee te kijken naar een patiëntje met een ernstige botontsteking. De man spreekt Duits, Marie ontsteekt in woede en gooit de verbouwereerde professor de afdeling af. ‘Duits wordt hier niet gesproken’, bijt ze haar Joodse collega Hugo Heymans toe. ‘Dat ik jou dat moet vertellen.’

Geen van haar collega’s weet dan dat Marie met Justitie samenwerkt om de beulen van Auschwitz veroordeeld te krijgen. Vijf keer legt ze een uitgebreide verklaring af, tegenover Poolse, Nederlandse en Duitse rechters en advocaten. Haar eerste getuigenis maakt deel uit van het proces tegen Rudolf Höss, de kampcommandant van Auschwitz die twee jaar na de oorlog wordt berecht en in het kamp wordt opgehangen. Maar haar woede richt zich vooral op die ene SS’er die na de bevrijding onvindbaar blijft, kamparts Josef Mengele.

Pas in 1959 vaardigt de Duitse justitie een arrestatiebevel tegen Mengele uit, die dan al jaren onbekommerd in Zuid-Amerika verblijft. ‘Weet u, uit eigen waarneming of van anderen, dat gevangenen gefolterd of mishandeld zijn?’, luidt vraag 4 op de lijst die Marie, ter voorbereiding op haar getuigenverhoor, van de openbaar aanklager in Frankfurt am Main krijgt toegestuurd. Ze komt ruimte tekort voor haar antwoord.

Begin jaren zeventig begint rechter-commissaris Horst von Glasenapp een gerechtelijk vooronderzoek naar de voortvluchtige oorlogsmisdadiger. Het is een ultieme poging om zo veel mogelijk bewijsmateriaal tegen Mengele te verzamelen, zodat er bij een mogelijke uitlevering meteen een rechtszaak tegen hem kan worden begonnen. Von Glasenapp reist de wereld over: alle driehonderd getuigen die in 1959 zijn gehoord, wil hij opnieuw spreken. Op de Duitse ambassade in Den Haag deelt Marie in mei 1973 andermaal haar herinneringen aan de kampbeul.

Het is vooral de uitdrukking in zijn ogen die ze nooit zal vergeten, vertelt ze de Duitse rechter: grausam, wreed. ‘Die indruk komt overeen met alles wat ik inmiddels over hem weet’, zegt ze. ‘Hij was de grootste sadist die ik me voor kan stellen.’

Naar de Wolfswaard keert Marie nooit terug, Neeltje trekt na de oorlog bij haar ouders in. Maar dertig jaar nadat twee zussen hadden besloten om met gevaar voor eigen leven hun huis open te stellen voor twee onbekenden, vraagt de onderduikster van weleer de staat Israël per brief om de hoogste onderscheiding. En zo keren ze in augustus 1973 in gedachten nog één keer terug naar het huis aan de Rijn, als Neeltje in herinneringscentrum Yad Vashem in Jeruzalem tot Rechtvaardige onder de Volkeren wordt benoemd, een eretitel die postuum ook aan haar tweelingzus wordt toegekend. Marie is erbij als Neeltje daarna haar eigen johannesbroodboom plant, langs het pad waar iedere boom de naam van de redder draagt.

Op de foto staat Marie, mouwloze jurk, stevige schoenen, serieuze blik, naast een trotse Neeltje, de schep nog in haar hand – portret van een oorlogsvriendschap die bijna vijftig jaar troost zou bieden.

Marie en Neeltje in Jeruzalem, bij het planten van de boom.
Foto: Herinneringscentrum Yad Vashem

V

Een herbeleving

Haar pensionering wordt groots gevierd in het Apollo Hotel, met een diner en een zelfgeschreven cabaret, en Amerikaanse collega’s die speciaal voor haar naar Nederland komen. Maar de rust en de stilte die daarna hun intrede doen, werpen Marie terug in de tijd. Als ze begin jaren tachtig in het ziekenhuis ligt en oud-collega Dick Winterberg haar opzoekt, vertelt ze hem over de herinneringen die zich niet meer laten wegdrukken. ‘Ik zat aan haar bed en ze zei: o Dick, het is zo vreselijk, alles komt weer naar boven. Toen pas heeft ze me verteld dat ze voor Mengele moest werken en dat het elke dag Russische roulette was: deed ze iets wat hem niet beviel, dan kon haar dat de kop kosten.’

Marie tijdens haar afscheidsavond.
Foto: privéarchief

Dat is de gemoedstoestand waarin ze een paar jaar later op een avond naar Groningen rijdt, naar kinderarts Hugo Heymans, bij wie ze ontredderd haar hart uitstort. Ze vertelt hem dat ze is verhoord, in het Duits, de taal die ze ooit razendsnel heeft moeten leren om in het kamp te kunnen overleven.

Alleen: de aanloop naar haar verhaal klopt niet. De internationale zoektocht naar Mengele zet zich inderdaad tot in de jaren tachtig voort, in 1985 getuigen in Jeruzalem de overlevenden van zijn wrede experimenten voor een tribunaal en wordt een klemmende internationale oproep gedaan om de nazi-arts op te sporen en te berechten. Maar de verklaring van Marie zit dan al ruim tien jaar in het dossier. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en het Duitse Bundesarchiv laten weten dat zij na 1973 niet meer is gehoord.

Het kan niet anders of Marie heeft een herbeleving gehad, ‘met welke aanleiding dan ook’, zegt Johannes Houwink ten Cate, emeritus hoogleraar holocaust- en genocidestudies. ‘Ze was in de 70, vermoedelijk werd haar verdringingsmechanisme wat broos. En als arts zal ze hebben geweten dat alleen iemand met vakkennis je uit zo’n herbeleving kan halen. Vandaar vermoedelijk de rit naar Groningen. Zelfs tijdens haar herbeleving bleef ze haar verstand gebruiken en dat is heel knap.’

Zo moet het zijn gegaan, zegt Heymans nu: ‘De muur die ze jarenlang rond haar oorlogservaringen had opgetrokken, was aan het afbrokkelen.’

En met elke steen die wegvalt, groeit bij haar de hoop dat Mengele toch nog wordt opgepakt. Maar de inspanningen van Marie en al die andere Auschwitz-overlevenden zullen uiteindelijk niets uithalen: de kampbeul weet zich na de oorlog schuil te houden, hij zal nooit terechtstaan voor zijn misdaden, hij zal zelfs nooit spijt betuigen. In 1985 worden op een kleine begraafplaats aan de rand van de Braziliaanse stad São Paulo stoffelijke resten gevonden die volgens een internationaal team van experts vrijwel zeker van de SS-arts zijn. Hij blijkt zes jaar daarvoor tijdens het zwemmen in zee te zijn bezweken aan een beroerte. Het definitieve bewijs komt in 1992, als de zoon van Mengele dna afstaat.

Marie krijgt dat niet meer mee, ze is dan al aan het dementeren. Ze sterft in 1994, 80 jaar oud, vier jaar na Neeltje. Ze zijn allebei nooit getrouwd, misschien niet zonder reden. Tegen Hugo Heymans bekende Marie eens dat ze een gezin niet aandurfde, omdat ze kinderen niet wilde belasten met haar trauma.

Nu rusten in de archieven de sporen uit het oorlogsverleden van Marie Henriette Rosamunde Stoppelman. Een briefje van het Poolse Rode Kruis dat ze is bevrijd en in het ziekenhuis ligt. De registratiekaart van de Joodse Raad met de datum van haar transport naar Auschwitz, daarboven het handgeschreven, triomfantelijke ‘In leven!’. Haar uitgetypte Duitse getuigenverklaringen in ordner XI, opdruk ‘Auschwitz – Dr. Mengele’. Het aanvraagformulier voor de vergoeding van immateriële oorlogsschade waarop ze heeft moeten aangeven hoeveel dagen ze precies van haar vrijheid is beroofd. Op 16 november 1964 is 2.016 gulden gestort.

Kaart met persoonsgegevens van Marie van het Informatiebureau van het Rode Kruis.
Foto: Nationaal Archief Den Haag

Op de Wolfswaard herinnert alleen nog een plaquette aan wat er is gebeurd: ‘schuilplaats in oorlogstijd’. In de boomgaard staan twee geitjes in de miezerregen, in de verte dansen de koplampen van de auto’s op de snelweg – de schemer valt vroeg deze decembermiddag. Op de plek waar Marie ooit schuilde, brandt licht, het balkon waarlangs ze had willen vluchten, is gemoderniseerd. Het kan niet anders of de vier bewoners van de bovenverdieping zijn verraden door iemand met kennis van de situatie. Maar wie in die meinacht van 1944 de ontsnappingsroutes heeft geblokkeerd, is nooit duidelijk geworden.

Bij de bevrijding van Auschwitz was Marie er zo slecht aan toe dat de artsen haar plek in de trein naar Nederland aan een ander gaven. Ze heeft gehoord wat er in het ziekenhuis, in het Duits, over haar werd gezegd: ‘Het heeft geen zin, ze komt niet levend aan.’ Dat moet voor haar een levensles zijn geworden, zegt Hugo Heymans, ze heeft willen bewijzen dat ze niet stuk te krijgen was.

‘Voor ons is het moeilijk voor te stellen, maar om in het kamp te overleven had ze een ongelooflijke levensdrang nodig, ze moest er alles voor overhebben om het leven dat haar afgenomen dreigde te worden, te willen behouden, keer op keer.’

De laatste jaren denkt hij vaak terug aan die avond in Groningen, en beseft hij hoe eenzaam zij zich moet hebben gevoeld. Met herinneringen die zo verschrikkelijk waren dat ze die, om verder te kunnen, een leven lang heeft weggestopt.

Verantwoording

Dit verhaal is gebaseerd op gesprekken met vier oud-collega’s van Marie Stoppelman: Hugo Heymans, Dick Winterberg, Nico Ceelie en André van der Hal haalden herinneringen op aan de arts die hen opleidde in het voormalige Binnengasthuis in Amsterdam, dat later zou overgaan in het AMC.

Veel documenten zijn bewaard gebleven in het Nationaal Archief in Den Haag en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod). Het Bundesarchiv in het Duitse Ludwigsburg gaf de getuigenverklaringen vrij die Marie in 1959 en 1973 heeft afgelegd. Saskia Werner, conservator van de Casteelse Poort in Wageningen, stelde de nalatenschap van Neeltje Krijthe beschikbaar, die na haar overlijden aan het museum is geschonken. Daarin zit onder meer het boekje dat ze vlak voor haar dood over haar laatste oorlogsjaar schreef. Het museum bewaart ook de Yad Vashem-onderscheidingen die aan Neeltje en Eltien (postuum) zijn toegekend.

Het Arolsen-archief, het grootste online archief over slachtoffers van de naziterreur, heeft de registratiekaarten bewaard van de Joodse Raad van Theo en Marie Stoppelman. Ook de naoorlogse zoektocht van Marie naar haar broer Theo is daar gedocumenteerd. Op de website van Yad Vashem staan foto’s van de ceremonie waarbij Neeltje en Eltien werden benoemd tot Rechtvaardigen onder de Volkeren. Op de site van het Amerikaanse Holocaust Memorial Museum zijn sinds kort de transportlijsten van kamp Westerbork in te zien. Daarop valt onder meer te lezen dat Marie en Theo op 24 juni 1944 de strafbarak in het kamp hebben verlaten.

De allereerste getuigenis van Marie is opgenomen in het boek Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, onder redactie van Bettine Siertsema. Het boek (tevens proefschrift) Vergeet niet dat je arts bent van Hannah van den Ende bevat informatie over de situatie van Joodse artsen in bezet Amsterdam en over het aantal Joodse artsen dat levend terugkeerde uit Auschwitz. Details over Auschwitz komen uit het standaardwerk Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen van Nikolaus Wachsmann. Het boek Eindstation Auschwitz van arts Eddy de Wind (die Marie na de bevrijding in het kamp heeft ontmoet) beschrijft de situatie in Birkenau meteen na vertrek van de nazi’s. Het citaat van Auschwitz-overlevende Primo Levi komt uit zijn boek Het respijt.