REPORTAGE BIOLOGISCHE LANDBOUW

Wat kan Nederland leren van Oostenrijk,
de Weltmeister biologische landbouw?

Vanaf 2030 moet 25 procent van de landbouw in de EU biologisch zijn. Waar de Nederlandse boeren nog mijlenver achterlopen, hebben hun Oostenrijkse collega’s het quotum al bereikt. Met 24.500 biologische boeren is er ervaring te over in het Alpenland. Wat kan Nederland leren, en waar liggen de valkuilen?

Klokslag kwart voor 9 ’s morgens opent Christoph Holzbauer (34) de luiken van zijn stal met biologische leghennen in het Oostenrijkse Krumbach, een dorp ten zuiden van Wenen, in de uitlopers van de Alpen. Aanvankelijk nog aarzelend, maar al snel enthousiaster lopen de bruine kippen de nieuwe dag tegemoet.

Buiten wacht ze een brede strook met welig tierend onkruid en bomen, met daarachter een groene weide van 5 hectare. Niet dat veel kippen ooit zover komen, zegt Holzbauer die zijn biceps regelmatig traint in de plaatselijke sportschool. Maar het is nu eenmaal verplicht: Oostenrijkse leghennen moeten minimaal 8 vierkante meter vrije uitloop hebben. En hij heeft toch ruimte zat hier, in de Bucklige Welt, zoals het dunbevolkte heuvellandschap in dit deel van Oostenrijk wordt genoemd.

Christoph Holzbauer

13 duizend leghennen heeft Holzbauer, witte en bruine, die wekelijks ruim 70 duizend eieren produceren. Daar eet hij een goedbelegde boterham van. De Holzbauers wonen in een mooi huis dat tegen de heuvels aan is gebouwd. Voor de deur staat een glimmende zwarte elektrisch aangedreven Jaguar. ‘Tweedehands. En ook gesubsidieerd’, grijnst Christoph.

Zo is het niet alleen bij Holzbauer. Kijk bij Isabella (30) en Lukas (30) Übertsberger , een jong stel met biologische melkkoeien in Straßwalchen, vlak bij Salzburg, zie het imposante biologische wijngoed Geyerhof aan de Donau, of ga op bezoek bij Ludwig Rumetshofer en zijn vrouw Katherine op hun biologische akkerbouwbedrijf in Braunau aan de Inn: het is een al Oostenrijks welvaren van mooie huizen, blinkende machines en tiptop bedrijven. Met biologisch boeren is in Oostenrijk blijkbaar goed geld te verdienen.

Wereldkampioen

Het wordt met trots verkondigd: Oostenrijk is Europees en zelfs wereldkampioen bio. ‘Wat ons met voetbal nog niet is gelukt’, stelt een persbericht van het Oostenrijkse ministerie van Landbouw met gevoel voor ironie, ‘dat hebben we in de biologische landbouw wel bereikt. Oostenrijk is Weltmeister.’

Ruim 26 procent van de landbouw in het Alpenland is biologisch. Daarmee voldoet het op dit moment als enige EU-land aan de doelstelling die de landen zichzelf hebben gesteld voor 2030, dan moet 25 procent van de EU-landbouw biologisch zijn.

  • Kippen en eieren van Christoph Holzbauer.

Dat heeft vooral ecologische redenen, stelt de Europese Commissie in haar in maart gepubliceerde actieplan. Op biologisch bewerkt land is de biodiversiteit 30 procent hoger dan op gangbare landbouwgrond; de toepassing van kunstmest en pesticiden is verboden. In biologische veehouderijen is het dierenwelzijn hoger en wordt geen antibiotica gebruikt.

Nederland is met een schamele 3,8 procent nog mijlenver verwijderd van die 25 procent. Dat roept de vraag op: hoe hebben de Oostenrijkers dat gefikst? En kan Nederland daar iets van leren?

Bio-Wende

Voor het antwoord op die eerste vraag moeten we terug naar begin jaren negentig, nog vóór de toetreding van Oostenrijk tot de EU in 1995, zegt Susanne Kummer. Zij is verbonden aan het FIBL, het onderzoeksinstituut voor biologische landbouw dat kantoor houdt op een rommelige etage van een imposant herenhuis in het centrum van Wenen.

Binnen de EU zijn open grenzen voor de export van goederen en diensten. Het was van meet af aan duidelijk dat Oostenrijk met zijn kleinschalige boerenbedrijven niet zou kunnen opboksen tegen grote boeren uit andere EU-landen, zegt Kummer, ‘daartegen maakten onze boeren geen kans.’

De toenmalige regering besloot tot een vlucht naar voren. In plaats van op kwantiteit zou Oostenrijk gaan inzetten op kwaliteit. Oostenrijk moest de Feinkostladen, de delicatessenwinkel, van Europa worden, heette het. Biologisch was zo’n kwaliteitskenmerk.

Onder het cruijffiaanse motto ‘elk nadeel heeft zijn voordeel’ werden vanaf begin jaren negentig miljarden Oostenrijkse shillings gepompt in de biologische landbouw, die weliswaar al decennia voet aan de grond had in Oostenrijk maar toch nog vooral een niche was.

Dat had resultaat. Tussen 1990 en 2000 groeide het aantal biologische boerderijen in Oostenrijk met een factor tien tot ruim 18 duizend. Een stijging die in de jaren daarna, zij het iets geleidelijker, werd voortgezet. Nu telt Oostenrijk 24.500 biologische boerenbedrijven. Het aantal conventionele boerderijen neemt juist af.

Wat daarbij hielp is dat voor veel kleine boeren, met name traditionele melkveehouders in de bergen, de overstap naar biologisch niet zo groot was. Zij gebruikten al nauwelijks kunstmest of pesticiden.

Opmerkelijk is dat die Bio-Wende werd gemaakt onder auspiciën van de Österreichische Volkspartei (ÖVP), de Oostenrijkse evenknie van het CDA die niet bepaald bekendstaat om haar progressieve landbouwideeën. Het is ook de partij die traditiegetrouw de minister van Landbouw levert.

‘Wij zijn de partij die het meest voor de boeren opkomt’, zegt de huidige minister Elisabeth Köstinger in haar kantoor aan de statige Stubenring, hartje Wenen. Köstinger is een jonge (42) politicus met stevige boerenwortels; ze was vicevoorzitter van de Oostenrijkse boerenbond, haar familie heeft een biologische boerderij in de zuidelijke provincie Karinthië. Ze hoort tot de inner circle van bondskanselier Sebastian Kurz.

‘In de landbouw gaat het niet om ideologie’, benadrukt Köstinger. ‘Voor ons was al snel duidelijk dat we niet mee konden met landen als Duitsland en Nederland. De vraag was hoe we onze landbouw konden behouden voor de toekomst. Dat hebben wij grotendeels met bio gedaan. Dat is voor ons geen ecologische droom, maar een economische realiteit.’

Na de toetreding tot de EU ging Oostenrijk daarmee door. In tegenstelling tot een land als Nederland dat de EU-landbouwsubsidies vooral gebruikt als inkomensondersteuning voor alle boeren, steekt Oostenrijk een groot deel van zijn EU-geld in gerichte steun aan de biologische landbouw met premies voor overschakelende boeren, investeringssubsidies en toeslagen op biologisch bewerkte grond.

Per jaar, zegt Köstinger trots, pompt Oostenrijk alles bij elkaar 500 miljoen euro in de biologische landbouw. ‘We hebben het samen met de boeren gedaan.’

Culinair patriottisme

Gelijktijdig met de grootschalige overheidssteun deed zich een andere ontwikkeling voor die van net zo groot belang is voor de opkomst van biologisch in Oostenrijk: grote supermarkten stortten zich vanaf halverwege de jaren negentig massaal op de markt voor bioproducten.

De eerste die daarmee begon was supermarktconcern Rewe dat Werner Lampert, een pionier uit de biologische beweging, voor zijn karretje wist te spannen. Lampert ontwikkelde in 1994 voor Rewe het biolabel Ja! Natürlich. Toen dat aansloeg, konden andere supermarkten niet achterblijven. Supermarkt Hofer (Aldi) kwam op de markt met Zurück zum Ursprung, Spar volgde met Natur Pur.

Daar zat weinig idealisme achter, legt Clemens Stammler uit, afgevaardigde voor de Grünen in het Oostenrijkse parlement. ‘Billa, een van de formules van Rewe, had een slechte naam. Met biologisch wilde het bedrijf het imago opkrikken.’ Voor de supermarkten, zegt Stammler, was biologisch vooral een marketinginstrument om klanten naar hun winkel te lokken.

‘Het was zeker geen liefdadigheid’, beaamt Kummer van het FIBL, maar het werkte wel. Als gevolg van milieurampen als Tsjernobyl nam het ecologisch bewustzijn toe. ‘Een groeiende groep consumenten was geïnteresseerd in bio. Voor supermarkten lag daar een gat in de markt.’ In groots opgezette reclamecampagnes prezen supermarkten hun biologische waren aan. Daarmee werd biologisch voedsel in één klap bereikbaar voor gewone consumenten.

Wat ook meespeelt, meent Kummer, is dat Oostenrijkse consumenten wat eten betreft behept zijn met een zekere mate van patriottisme: men heeft een voorkeur voor voedsel uit eigen land, liefst nog uit eigen streek. ‘Met biologisch ligt die verbinding voor de hand.’

Biologische wijngaard in Furth.

Dat is te zien in Oostenrijkse supermarkten waar schappen vol staan met Bio aus Österreich: melk, yoghurt, kaas, eieren, groenten en fruit. Het marktaandeel van biologische producten, in Nederland minder dan 4 procent, staat in Oostenrijk op 10 procent, na Denemarken en Zwitserland het hoogste in Europa. En de trend is stijgend.

‘Dit is zeker een succesverhaal’, beaamt Groenen-afgevaardigde Stammler, zelf ook een kleine bioboer met twintig koeien. Maar langzamerhand komen ook de schaduwkanten daarvan naar voren. De drie grote supermarktketens Rewe, Hofer en Spar zijn almachtig in Oostenrijk. Samen beheersen zij 90 procent van de markt in levensmiddelen. Dat geldt ook voor biologisch: 80 procent daarvan vindt zijn weg naar de consument via een van deze drie grootmachten.

Door hun eigen labels te introduceren hebben supermarkten alle macht naar zich toe getrokken en biologische boeren inwisselbaar gemaakt, zegt Stammler. Nu biologisch groter wordt, passen zij daarin dezelfde mechanismen toe als in het gangbare segment: boeren worden onder druk gezet om steeds goedkoper te produceren.

De ‘conventionalisering’ van de biologische landbouw is een actueel thema, bevestigt FIBL-onderzoeker Kummer. Er is een duidelijke trend naar schaalvergroting, ook in de biologische sector; prijzen staan onder druk, boeren hebben steeds minder speelruimte. ‘In de biologische landbouw zijn dezelfde processen gaande als in de gangbare landbouw.’

Het gemiddelde inkomen van biologische boeren is nog steeds hoger dan dat van hun gangbare collega’s, maar het is de afgelopen jaren wel iets gedaald. ‘De prijs voor biologische melk is al jaren niet meer gestegen. Boeren zijn afhankelijk geworden van supermarkten. Wij staan met onze rug tegen de muur, zei een biologische boer tegen mij.’

Systeemverschil

Er is een manier om aan deze ratrace te ontsnappen, aldus Josef Maier (32) van wijngoed Geyerhof: zorg dat je zo veel mogelijk in eigen hand houdt. Met zijn vrouw Maria bestiert Josef sinds 2015 de familiewijngaarden in Furth bei Göttweig, aan de oevers van de Donau. Het wijngoed is 800 jaar oud en al veertien generaties in bezit van Josefs familie. In de eeuwenoude keldergewelven liggen flessen onder dikke lagen stof en schimmel.

Josef en Maria Maier.

Het was Josefs moeder Ilse die eind jaren tachtig besloot biologisch te worden. Ze voerde actie tegen de bouw van een energiecentrale in de Donau. ‘Toen kwam het besef dat het bij ons ook anders moest.’ Biologische wijnbouw stond destijds nog in de kinderschoenen. ‘We hebben het uit boekjes moeten leren’, zegt Ilse. ‘Alle fouten die we konden maken, hebben we gemaakt.’ Maar inmiddels heeft Geyerhof een naam opgebouwd met zijn grüner veltliners, rieslings en zweigelts.

Op een rondgang door de 23 hectare wijngaarden laat Josef zien wat biologische wijnbouw inhoudt. Waar zijn gangbare buren al het gras tussen de wijnstokken platspuiten, schiet het onkruid onder Josefs druiven hoog op. Tussen de percelen zijn heggen en bomen geplant. ‘Gewone wijnboeren halen die juist weg’, lacht Josef. ‘Ze zijn bang dat bomen vogels aantrekken die de druiven wegpikken.’

Bomen en hagen zorgen ervoor dat de bodem vocht beter vasthoudt, bovendien voorkomt het erosie. Josef wijst naar de overzijde van de brede vallei waar de Donau doorheen slingert. Daar zijn een paar wijnterrassen ingezakt door hevige regenval. ‘Dat is wat er gebeurt als je alle begroeiing weghaalt.’

Alle druiven van Geyerhof worden met de hand geplukt. Zijn wijngaarden brengen per hectare de helft minder op dan die van een gangbaar bedrijf. Maar daar staat kwaliteit tegenover, zegt Josef als hij een parelend glas bruiswijn uit eigen kelder inschenkt. Er was een tijd dat biologisch stond voor minderwaardige wijnen. ‘Tegenwoordig is het een kwaliteitslabel.’

Geyerhof produceert honderdduizend flessen per jaar die het afzet via een netwerk van gespecialiseerde handelaren in binnen- en buitenland. ‘We hebben hier ooit een vertegenwoordiger van een supermarkt over de vloer gehad. Die wilde een meerjarig contract afsluiten. Het was een moeilijke beslissing, maar we hebben nee gezegd, omdat wij dan niet meer op onze eigen manier zouden kunnen werken. We willen onafhankelijk blijven.’

  • Wijnboerderij van de familie Maier.

Voor een wijnbouwer is het nog te doen om de verkoop in eigen hand te houden, voor producenten van naamloze producten als eieren of melk is dat lastiger. Isabella (30) en Lukas Übertsberger van boerderij Daxerhof in Straßwalchen, 30 kilometer boven Salzburg, hebben 95 koeien. Dat is groot, zeker voor de biologische sector in Oostenrijk, waar veel bergboeren maar een handvol koeien op hun alm hebben lopen. De melk leveren ze aan een coöperatie in Salzburg.

Daxerhof krijgt flinke ondersteuning vanuit de overheid, vertelt Isabella in de stal waar Funny, Heidi en Lea sloom staan te herkauwen. ‘Al onze koeien hebben een eigen naam.’ Boven op de reguliere EU-subsidie krijgen ze een biologische premie van 230 euro per hectare. Daarnaast ontvangen ze een toeslag voor Heumilch (grasmelk): de koeien van Daxerhof eten vrijwel uitsluitend gras en hooi van eigen grond. ‘Dat is toch waar koeien voor bedoeld zijn’, zegt Lukas droog.

Isabella’s vader was een van de pioniers van Bio Austria, de club van biologische boeren. Maar de biologische sector heeft verzuimd een vuist te maken door zelf een sterk merk in de markt te zetten, erkent Isabella. ‘Dat is er wel, maar het is klein en onbekend.’ Daar nu nog mee beginnen is te laat, daarvoor zijn de supermarktmerken al te groot en bekend.

Om supermarkten dat te verwijten gaat Isabella te ver. ‘Het klopt dat supermarkten hard onderhandelen. Maar dankzij hun is bio toegankelijk geworden in Oostenrijk.’ Zelf heeft ze minder last van prijsdruk doordat ze met haar bedrijf een comfortabele niche heeft opgezocht: er zijn maar weinig boeren die grasmelk produceren en een nog kleiner deel doet dat biologisch. ‘Wij krijgen een goede prijs voor onze melk. De vraag naar grasmelk stijgt nog steeds.’

Isabella en Lukas Übertsberger met hun kinderen.

In Braunau, vlak bij de grens met Duitsland, kijkt Ludwig Rumetshofer (37) daar kritischer naar. ‘De biologische landbouw wordt in een model geperst waar het eigenlijk niet in past’, vindt hij. ‘Het is een verdienmodel geworden.’ Terwijl het volgens hem zou moeten gaan over bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit en ecologie.

In 2015 blies Rumetshofer, die zichzelf boer-activist noemt, de boerderij van zijn schoonvader nieuw leven in. Op 24 hectare grond teelt hij groenten en granen. Hij heeft een samenwerkingsverband met zijn buurman, die koeien en kippen houdt. Ludwig levert hem stro, gras en veevoer, in ruil daarvoor krijgt hij mest. Alles wat ze produceren wordt lokaal afgezet, het graan gaat naar een molen in de buurt.

Dat de conservatieve regeringspartij ÖVP de eer opeist voor de bloeiende biosector is volgens Rumetshofer volkomen onterecht. ‘Het waren vooral de boeren zelf die het initiatief namen, en niet per se uit ideologische overwegingen: voor veel boeren was het ook een strijd om te overleven.’

In Oostenrijk is nu sprake van een dubbele spiraal, zegt de bioboer. Aan de ene kant drukken supermarkten de prijzen naar beneden, aan de andere kant schroeven zij hun eisen aan boeren op om elkaar de loef af te steken; de eisen voor bio in Oostenrijk gaan vaak verder dan die in andere EU-landen.

  • Lukas Rumetshofer maait gras voor zijn koeien.

Als gevolg daarvan is nu een biologische landbouw van twee snelheden ontstaan, zegt Rumetshofer. ‘Om een voorbeeld te geven: ik teel op mijn bedrijf met mest van mijn buurman tomaten die ik regionaal afzet. Een stukje verderop staat een modern biologisch kassenbedrijf waar de mest van buitenaf wordt aangevoerd en de tomaten over heel Oostenrijk worden verkocht. Tussen die twee zit een systeemverschil.’

Dat klopt wel, beaamt FIBL-onderzoeker Kummer. Maar, benadrukt ze ook: voor de bodem en de biodiversiteit maakt het natuurlijk niet uit of de producten worden verkocht in de supermarkt of de lokale boerderijwinkel. ‘Ook supermarkten moeten zich houden aan de eisen voor biologisch. Grote bedrijven zijn niet per se slecht.’

Vraag vergroten

Ondertussen heeft de minister in Wenen andere zorgen. Het aanbod van biologisch stijgt sneller dan de vraag kan bijbenen; bioboeren in Oostenrijk leven voor een deel van export. Van biologische melk gaat eenderde naar het buitenland, vooral Duitsland. Als andere EU-landen hun eigen biologische landbouw gaan stimuleren, komen deze exportmarkten onder druk te staan, vreest Köstinger. ‘Dat gaat ten koste van onze boeren. Dat is het spanningsveld waar we nu in zitten.’

Om daar iets aan te doen heeft de regering programma’s opgezet die de vraag naar bio in eigen land verder moeten aanwakkeren. Zo wordt het gebruik van biologische en regionale producten in kantines van ziekenhuizen, scholen en overheidsgebouwen aangemoedigd. Ook in de gastronomie moet biologisch meer ingang vinden, dat is nu, net als in Nederland, niet of nauwelijks het geval.

Je kunt wel veel biologisch produceren, zegt Köstinger. ‘Maar als het niet wordt gekocht, schiet je je doel voorbij. Dat is voor ons de voornaamste vraag voor de komende jaren: hoe kunnen we de vraag naar biologisch vergroten?’

Amper steun in Nederland

Wat kan Nederland hiervan leren? Om te beginnen: het uitgangspunt van de twee landen is natuurlijk heel verschillend, zegt Michaël Wilde van Bionext, de ketenorganisatie voor de biologische landbouw in Nederland. Nederland, met zijn vlakke en vruchtbare polders, leent zich veel meer voor grootschalige intensieve landbouw dan het Oostenrijkse berglandschap.

Het is ook altijd een handelsland geweest, benadrukt Wilde. ‘Het maximale uit de grond halen, zo veel mogelijk melk uit de koe persen, dat past in de gedachtegang van de bv Nederland. Ons hele beleid was altijd daarop gericht.’ Nederlandse producten staan erom bekend dat ze betrouwbaar en goedkoop zijn, niet omdat ze uitblinken in smaak. ‘Denk maar aan het wasserbombeschandaal.’

Maar beleid speelt volgens Wilde ook een belangrijke rol. Waar in Oostenrijk de biologische landbouw massief wordt ondersteund, is die steun er in Nederland niet of nauwelijks. ‘In het buitenland is dat succesvol geweest. In Nederland moeten biologische boeren hun eigen broek ophouden.’ De markt moet zijn werk maar doen, is de achterliggende gedachte, ‘terwijl juist de gangbare landbouw ongelofelijk veel subsidie krijgt’.

Wilde heeft goede hoop dat daarin iets gaat veranderen met de nieuwe EU-doelstelling. ‘Ik ben heel erg van marktwerking, maar er is echt een rol voor de overheid weggelegd om biologische boeren te stimuleren. Wij vragen heus geen miljarden. Maar er zijn veel boeren die willen overschakelen, die moet je helpen.’

Ook meer betrokkenheid van supermarkten kan helpen. Kijk maar naar de grote rol die ze hebben gespeeld in de opkomst van biologisch in Oostenrijk. ‘Daar zijn we met ze over in gesprek. Die hebben hier ook een enorme verantwoordelijkheid in.’

In haar kantoor in Wenen stelt minister Köstinger zich terughoudend op; ze wil haar Nederlandse collega niet de les lezen. Maar als ze een advies mag geven, dan zou dat tweeledig zijn. Ten eerste: steek geld in de biologische landbouw. ‘Zonder grootschalige subsidies was het nooit van de grond gekomen. En dan nog hebben we er tientallen jaren over gedaan om zover te komen.’

Ten tweede: stimuleer de markt voor biologisch voedsel. ‘Produceren alleen is niet genoeg, consumenten moeten het ook kopen. Je moet werken aan een samenleving die bereid is te betalen voor biologisch.’ In Oostenrijk voert de regering daar campagnes voor en geeft zelf het goede voorbeeld door in zijn eigen gebouwen meer biologisch voedsel te serveren. ‘Je kunt moeilijk van je burgers iets verlangen en zelf niets doen.’

Volgens Groenen-afgevaardigde Stammler leert het Oostenrijkse voorbeeld nog een andere belangrijke les, namelijk dat bioboeren zichzelf moeten organiseren, om te voorkomen dat ze een prooi worden voor supermarkten. ‘Zorg dat je als biologische landbouw zelf marktmacht opbouwt.’ EU-subsidies zouden vooral moeten worden gebruikt om kleine boeren te steunen, pleit Stammler. In het huidige systeem wordt een groot deel van de steun per hectare uitgekeerd. Daarvan profiteren vooral de grote boeren.

Wat Ludwig Rumetshofer betreft draait alles om bewustwording, zegt hij op het terras van zijn boerderij in Braunau. ‘We moeten consumenten duidelijk maken waarom biologisch beter is voor de bodemvruchtbaarheid, het klimaat en de biodiversiteit.’

In de winkel zijn biologische producten duurder dan gangbare. In werkelijkheid is het andersom, betoogt Rumetshofer. De schade die de gangbare landbouw veroorzaakt aan de omgeving in de vorm van klimaatkosten en maatregelen voor natuurherstel wordt nu afgewenteld op de gemeenschap. Dat is in feite óók subsidie, zegt hij.

‘De toekomst van boeren ligt niet in het zo groot mogelijk willen worden. We moeten lokale markten opbouwen, zelf onze producten zo veel mogelijk verwerken, kringlopen sluiten. Je moet consumenten uitleggen dat we een andere manier van landbouw nodig hebben.’

Aan de andere kant van het land ziet Christoph Holzbauer de toekomst met vertrouwen tegemoet. Aan zijn voeten pikken kippen nieuwsgierig in het rond. ‘Ik heb het gevoel dat ze gelukkig zijn. Daar word ik vrolijk van.’ Eigenlijk is hij opgeleid tot ingenieur, zegt Holzbauer. Zes jaar geleden begon hij deze leghennenstal op het land van zijn oma in Krumbach.

Hij koos voor biologisch omdat het dier- en milieuvriendelijker is, maar ook omdat er geld mee te verdienen was, zegt hij eerlijk. ‘De vraag naar biologische eieren was groot.’ Iets minder dan de helft van zijn eieren verkoopt hij aan winkels en restaurants in de omgeving. De rest gaat naar een grote inkoper die ook aan supermarkten levert.

Natuurlijk proberen supermarkten altijd de prijs te drukken, zegt hij, ‘daar moet je mee leren leven. Daar kan de kleine Holzbauer niets tegen doen.’ Zolang hij er zijn Jaguar van kan blijven rijden, maakt Holzbauer zich geen zorgen. Gelukkig voor hem: ‘Oostenrijkers zijn gek op eieren.’

Nederland en bio

Nederland heeft geen gericht beleid om de biologische landbouw te ondersteunen, aldus het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De overheid zet vooral in op de omslag naar kringlooplandbouw als een vorm van duurzaam agrarisch ondernemen. Biologische landbouw is daar één voorbeeld van.

Nederland ondersteunt verduurzaming in bredere zin, bijvoorbeeld door de inspanningen die boeren leveren op het gebied van bodembeheer en biodiversiteit. Daaraan kunnen niet alleen biologische maar ook traditionele boeren meedoen. Hoeveel geld biologische boeren hiervoor krijgen, kan het ministerie niet zeggen.

Tussen 2014 en 2020 kreeg Nederland 835 miljoen subsidie uit de pot van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie. Het overgrote deel daarvan (717 miljoen) werd uitgekeerd als inkomenssteun aan boeren. Omdat de GLB per hectare wordt toegekend, profiteren daarvan vooral de boeren met veel land. Een klein deel van het EU-geld (118 miljoen) werd besteed aan plattelandsontwikkeling. Daar vallen ook zaken onder als agrarisch natuurbeheer.

In het kader van de Green Deal hebben de EU-landen afgesproken dat in 2030 een kwart van de landbouw biologisch moet zijn. Dat geldt voor de EU als geheel, dus niet voor elk land afzonderlijk. Naar aanleiding daarvan werkt Nederland nu aan een nationale strategie voor biologische landbouw. Die moet volgend jaar gereed zijn. De Tweede Kamer heeft in een motie uitgesproken dat biologische landbouw een prominente plek moet krijgen in het nieuwe beleid.

Volg ons