jonge vluchtelingen

In hun tweede jeugd
moeten ze alles nog verwerken

Na een levensgevaarlijke reis bereiken sommige alleenreizende jongeren uiteindelijk Nederland. Nu ze niet meer in de overlevingsstand staan, komen hun trauma’s bovendrijven. Voor velen is het moeilijk om over hun ervaringen te praten.

jonge vluchtelingen

In hun tweede jeugd
moeten ze alles nog verwerken

Na een levensgevaarlijke reis bereiken sommige alleenreizende jongeren uiteindelijk Nederland. Nu ze niet meer in de overlevingsstand staan, komen hun trauma’s bovendrijven. Voor velen is het moeilijk om over hun ervaringen te praten.

‘Geef jouw hand ik neem je in mijn wereld’, staat er op Amins arm. Hij was 16 en net alleen in Nederland aangekomen toen hij de tatoeage liet zetten. ‘Ik begon te beseffen dat als iemand je vraagt waar je vandaan komt, ze niet echt naar je luisteren. Mensen willen niet weten wat voor persoon je bent. Ze geloven alleen maar wat ze op het nieuws of sociale media zien. Ze denken: Afghanen zijn agressief, elke dag ontploft er wel een bom daar. Dat is hoe mensen mij zien. Daarom heb ik dit geschreven, ik zeg ermee: vertrouw op me, ik ga een stukje van mijn wereld delen met je.’

Amin is een van de jongvolwassenen die als kind zonder ouders naar Nederland vluchtte. Alleenreizende minderjarige vreemdelingen (AMV’ers) heten ze in ambtelijke taal. Ze komen vooral uit Afghanistan, Marokko, Eritrea, Irak, Soedan en Syrië. Op zoek naar veiligheid en een beter leven zijn ze soms maanden of zelfs jarenlang onderweg.

  • Amin (20) luistert graag naar Afghaanse rap. De beats en lyrics geven hem moed. Zijn asielaanvraag is meerdere keren afgewezen.

  • Abdulaal (22) wil acteur worden. Hij houdt van aandacht, in de spotlights staan. Hij kwam op 17-jarige leeftijd vanuit Soedan alleen naar Nederland.

Abdulaal kwam op 17-jarige leeftijd vanuit Soedan alleen naar Nederland. Per ongeluk, want eigenlijk was hij onderweg naar Engeland. ‘Ik stapte in de verkeerde trein.’ Ruim anderhalf jaar was hij onderweg, waarvan hij elf maanden in Libië wachtte op een mogelijkheid om over te steken. Onderweg leerde hij de volksliederen van twaalf landen uit zijn hoofd. ‘Het Soedanese, Eritrese, Ethiopische, Libische, Syrische, Iraakse, Afghaanse, Marokkaanse, Algerijnse, Franse en Duitse’, somt Abdulaal op. ‘En het Wilhelmus natuurlijk.’ Het zijn de landen waar hij doorheen reisde of waar hij mensen uit ontmoette die net als hij hun land ontvlucht waren. ‘Dat deed ik om contact te maken. Mensen vinden het sympathiek als je iets van hun land weet.’

Het was een overlevingsmechanisme, maar ook een uiting van zijn talent en ambitie. Abdulaal wil acteur worden. En beroemd. Breed lachend laat hij op zijn telefoon zijn bonte verzameling selfies met BN’ers zien: Abdulaal met Humberto Tan, met Hanneke Groenteman, Arjen Lubach, Gerard Cox, Ronnie Flex. Meer dan tweehonderd selfies met BN’er heeft hij inmiddels. ‘Ik wil worden zoals zij’, vertelt hij. ‘Ik stap gewoon op ze af. Ik zorg er altijd voor dat ik minimaal vijf minuten met die mensen praat, dan neem ik een foto.’

Op Instagram is Abdulaals selfie-collectie te volgen onder de naam selfiesafari1. Als kind al nam Abdulaal zich voor iemand te worden. In het door oorlog geteisterde Soedan kreeg hij die kansen niet. Zijn vader is overleden, zijn moeder, broertjes en zusjes zijn nog daar. ‘Ik ben hierheen gekomen voor de veiligheid en vrijheid’, vertelt hij. ‘De vrijheid om iemand te mogen zijn.’ Een theateropleiding aan het MBO is de eerste stap naar de verwezenlijking van zijn droom.

Weinig meisjes

Het zijn meestal jongens die alleen op de vlucht gaan. De meesten zijn tussen de 14 en 18 jaar oud. De reis is gevaarlijk en fysiek zwaar. Onderweg verblijven kinderen op de vlucht veelal buiten, slapen in bossen of geïmproviseerde slaapplaatsen als kraakpanden of onder bruggen. Dat is al gevaarlijk voor jongens, meisjes lopen nog meer risico, onder meer op seksueel geweld. Alleen onder de groep Eritreeërs zijn opvallend veel meisjes.

  • Meron (22) is fan van Beyoncé. Denkt ze aan haar thuisland Eritrea dan ziet ze de kleur geel en mist ze haar moeder.

Meron is een van hen. Op haar Instagram- en Tiktok-accounts kijkt een jonge vrouw zelfverzekerd in de camera. Op de ene foto heeft ze blauw gevlochten haar, op een ander een knalrode bos krullen. Meron is fan van Beyoncé. ‘Als ik me opmaak, mooi aankleed en mijn haren doe krijg ik meer zelfvertrouwen omdat ik mezelf cool vind en mooi. Net zoals Queen B.’ Muziek is voor Meron meer dan amusement, het is het middel waarmee ze haar demonen bestrijdt. ‘Toen ik net in Nederland was en last had van nachtmerries ging ik naar de huisarts. Hij schreef me medicijnen voor en adviseerde om veel water te drinken. Dat hielp niet. Muziek draaien en dansen met mijn huisgenoten, dat helpt wel. Het doet me even vergeten wat ik heb gezien.’

Meron was 14 jaar toen ze vluchtte uit Eritrea, weg van haar boosaardige stiefmoeder. Haar vader vluchtte al eerder en verblijft in een vluchtelingenkamp in Israël, haar biologische moeder had ze al jaren niet gezien. Zij werkt in Saudi-Arabië om haar kinderen te onderhouden. Een plan had Meron niet, en dus strandde ze zonder geld bij de grens van Soedan. ‘Ik had geen geld om de smokkelaars te betalen die mensen via de Sahara naar Libië brengen. Toen ik mijn vader belde, werd die heel boos omdat ik was weggelopen. Ik moest twee maanden wachten voordat hij genoeg geld had verzameld voor de smokkelaars. Twee maanden als meisje alleen. Het was heel zwaar.’

De reis door de woestijn overleefde ze ternauwernood. ‘We hadden geen eten en drinken, we zijn beschoten door IS. Ik had niet gedacht dat ik zou aankomen. Ik had mensen mijn moeders nummer gegeven, mocht ik het niet halen, dan konden ze haar bellen om te vertellen dat ik dood was.’ Uiteindelijk kwam ze via Libië naar Europa en kwam ze terecht in een asielzoekerscentrum in Zwolle. Na drie jaar procederen kreeg ze een tijdelijke verblijfsvergunning. Ondanks haar trauma’s kijkt ze vol optimisme naar haar toekomst: ‘Zodra het mocht, ben ik gaan werken. Ik heb vrienden gemaakt, de taal geleerd. Nu ga ik verder studeren. Over vijf jaar ben ik een ander persoon.’

Ook Abdulaal heeft een traumatische tocht meegemaakt. Tijdens de oversteek van Libië naar Italië viel zijn vriend overboord. ‘De regel was dat er in geval van nood niet teruggegaan zou worden, er was net genoeg benzine aan boord om de overkant te halen. Wie in het water viel werd achtergelaten.’ Abdulaal werd uiteindelijk - samen met 135 anderen - van de rubberboot uit de Middellandse zee gered. Hij was uitgedroogd en sterk vermagerd. Sinds 2016 zijn dergelijke reddingsacties in de Middellandse Zee steeds meer aan banden gelegd. Landen als Malta en Italië sloten hun havens, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) worden gecriminaliseerd, de EU laat het gebeuren.

Alleen op de vlucht

Jongeren die alleen naar Europa vluchten: het is geen nieuw fenomeen. In de jaren negentig kwamen veel minderjarigen vanuit de door burgeroorlogen geteisterde landen Sierra Leone en Angola. Ook in Nederland steeg hun aantal sterk, tot 7.800 in 2000. Als reactie daarop werd het beleid veel strenger. In de jaren daarna schommelde het aantal tussen de 300 en 1.000. In 2015 bereikte het aantal alleenreizende kinderen een kortstondige piek, met 3.500 kinderen, vooral uit Syrië. Sindsdien daalt het aantal weer fors, tot 1.045 kinderen in 2019.

Ook Mohammed – ‘Mo’ – kwam in 2015 vanuit Syrië naar Nederland. ‘Ik was al een jaar niet buiten geweest uit angst voor ontvoering en de oorlogsgeweld toen mijn vader zei: jullie gaan weg.’ De toen 15-jarige Mo, zijn zus en zwager vertrokken halsoverkop naar Turkije en daarvandaan naar Griekenland. ‘Na vier pogingen kwamen we eindelijk met een bootje aan op een Grieks eiland. De golven waren woest, de landing op de oever was heel onstuimig. We dreigden te pletter te slaan, iedereen vocht om als eerste veilig uit de boot te komen. Op zo’n moment is het ieder voor zich. Ik heb mensen in beesten zien veranderen.’

Mo (22) houdt van de kleur roze. In Syrië mocht hij die kleur niet dragen, dat was voor meisjes. Toen hij als puber zonder ouders in Nederland kwam, voelde hij zich bevrijd. Nu studeert hij aan het Amsterdam Fashion Institute.

Tegelijkertijd zag Mo de goedheid van mensen. ‘De lokale bevolking ontving ons met open armen, we kregen water, bananen en dekens. Het was heel erg bijzonder.’ Terugkijkend beseft Mo dat hij geluk heeft gehad. ‘We kwamen aan vlak voordat de grenzen sloten en de mensen zich tegen vluchtelingen keerden.’

In reactie op de vluchtelingencrisis van 2015 bouwden EU lidstaten hekken aan hun grenzen en intensiveerden de grenscontroles. Het zonder procedure terugsturen van vluchtelingen, is gemeengoed geworden en gaat vaak gepaard met veel geweld. Toch blijven kinderen komen. ‘Er is geen weg terug, alleen vooruit’, zegt Jano, uit Syrisch Koerdistan.

Vooruit gestuurd

De Koerdisch-Syrische broertjes Jano en Shiro vluchtten in 2018 naar Europa. Ze waren toen 18 en 15 jaar. Shiro was op 12-jarige leeftijd al met zijn vader naar Turkije gevlucht. Jano bleef in Afrin in Syrië om voor zijn moeder, broertjes en zusjes te zorgen. In Istanbul maakten Shiro en zijn vader werkdagen van veertien uur in naaiateliers, vaak kregen ze hun loon niet. Een toekomst in Turkije was er niet. Toen het geweld thuis in Afrin toenam besloot hun vader dat Jano naar Turkije zou komen en samen met zijn broertje verder zou vluchten.

‘Natuurlijk wilden we liever met zijn allen vluchten’, vertelt Jano. ‘Maar voor mijn moeder en jongere broertjes en zusjes was de reis te gevaarlijk en zwaar.’ Vluchten is bovendien duur, 10.000 euro per persoon is geen uitzondering. Met het hele gezin vluchten was financieel niet haalbaar. Hun vader bleef in Turkije om te werken en zo het gezin thuis te onderhouden en de reis te bekostigen. De broers waren meer dan negen maanden onderweg, via de Balkanroute. Ze maakten voettochten van vijftien dagen, door besneeuwde berggebieden en mijnenvelden. Meerdere keren werden ze tegengehouden en in elkaar geslagen door Kroatische grenswachten.

Na aankomst in Nederland kon Shiro, destijds 16 jaar, voor het eerst in zeven jaar weer naar school. Hij is volledig gefocust op zijn toekomst, leert de taal en is hard aan het werk om personal trainer te worden. ‘We hebben meer dan 3.500 kilometer gelopen, onder andere over de Zwarte Bergen van Montenegro. Ik heb er benen als boomstammen van gekregen.’ Veel woorden maakt hij verder niet vuil aan zijn reis: ‘De weg was heel moeilijk, nu is het klaar.’

Alleenreizende jongeren onder de 18 krijgen in Nederland een voogd van voogdijinstelling Nidos, worden opgevangen in speciale woonunits met leeftijdsgenoten en kunnen naar school. Maar ben je 18 dan val je buiten de boot. Jongvolwassenen komen terecht in een regulier asielzoekerscentrum, zonder toegespitste hulp en gaan niet naar school. Dat verschil wordt goed duidelijk bij Jano en Shiro. Terwijl Shiro naar school gaat, begeleiding krijgt en met andere jongeren begeleid samenwoont, verpietert de net 18-jarige Jano in een asielzoekerscentrum. Door de verveling en het gebrek aan perspectief wordt Jano ook meer achtervolgd door zijn trauma’s dan Shiro. ‘Afleiding is het enige wat helpt’, zegt Jano.

De trauma’s waarmee veel van de jongeren kampen worden versterkt door de onzekerheid over hun achtergebleven familieleden. Ook al zijn ze zelf eindelijk in veiligheid, hun gezinsleden zitten veelal nog vast in oorlogsgebieden. Het duurt lang voor er wordt beslist over aanvragen voor gezinshereniging, de bewijslast is hoog en het is vaak lastig voor familieleden om naar diplomatieke posten in buurlanden te reizen. Zo moest Shiro’s moeder vanuit Syrië een levensgevaarlijke tocht naar Turkije ondernemen om de juiste documenten bij de Nederlandse ambassade te krijgen. Shiro heeft zijn moeder al zes jaar niet gezien. Wanneer ze herenigd worden is - twee jaar na aankomst in Nederland - nog steeds niet duidelijk.

Voor sommige jongeren kan de gezinshereniging juist ook lastig zijn. Zoals voor Mo. ‘Ik vertrok als een dik, afhankelijk papa’s kind, maar onderweg moest ik levensbepalende beslissingen nemen. Niet mijn vader, maar ik bepaalde mijn toekomst en dat van ons gezin.’ Aangekomen in Nederland was hij niet meer de jongen die hij ooit was. Binnen een jaar vond een enorme transformatie plaats waarin Mo zijn oude ik van zich afwierp en zichzelf opnieuw uitvond. ‘Vluchten is afschuwelijk, de reis was verschrikkelijk. Tegelijkertijd ben ik blij dat ik heb kunnen ontsnappen aan de verstikkende greep van mijn traditionele gemeenschap. In Syrië, moest ik me gedragen zoals anderen dat van mij verwachten.’

Toen zijn ouders via gezinshereniging naar Nederland kwamen, was Mo bang zijn gewonnen vrijheid weer in te moeten leveren. ‘Feesten, mijn uitbundige kledingstijl, ik wist dat mijn ouders mijn nieuwe levensstijl niet zouden accepteren.’ Een jaar lang woonde Mo weer met zijn ouders en zusjes, het viel hem zwaar. ‘Natuurlijk wilde ik hen wegwijs maken in Nederland. Tegelijkertijd wil ik ook mezelf zijn, maar zij houden vast aan de persoon die ik ooit was, dat is heftig.’ Inmiddels woont Mo weer op zichzelf, in Amsterdam en is hij begonnen aan een modeopleiding. ‘Mijn nieuwe leven kan nu echt beginnen.’

De eerste jaren leren de minderjarige jongeren de taal in een internationale taalklas (ISK) daarna stromen ze door naar het reguliere onderwijs en komen terecht tussen Nederlandse leeftijdgenoten die meestal nauwelijks iets weten van hun achtergrond. ‘Onderweg heb ik veel doden gezien’, vertelt Amin. ‘Rennend de grens over, slapen in bossen, een maand in een Griekse gevangenis, geen geld. Jongeren hier kunnen niet echt snappen hoe heftig de reis is.’

Abdulaal 

Tegelijkertijd is het contact met Nederlandse leeftijdsgenoten essentieel voor de integratie van jonge vluchtelingen. Abdulaal kwam na zijn procedure terecht in een studentenhuis in Utrecht. ‘Ik heb Nederlands vooral van mijn vrienden geleerd.’ Hij ziet er altijd modebewust uit. ‘Ik kies mijn kleding heel zorgvuldig uit. Ik zeg altijd: niemand hoeft te zien dat je honger hebt.’ Abdulaals talent valt op. Zijn vertolking van het nummer Ik woon niet waar ik ben geboren, leidde tot een ontmoeting met Stef Bos. Hij heeft al een grote rol gespeeld in het stuk Caligula van Theater Utrecht. ‘Ik wil bekend worden. Want dan kan ik iets betekenen voor anderen en mensen helpen. Ik wil echt iets van mijn leven maken.’

Die kans is niet alle jonge vluchtelingen gegeven. Vluchtelingenkinderen krijgen in Nederland tot hun 18de bescherming, wat er daarna gebeurt is onzeker. Voor veel tieners hangt hun 18de verjaardag dan ook als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Zo ook voor de Afghaanse Amin. ‘Weet je hoe het is om bijna dood te gaan, te overleven, maar geen toekomst te hebben?’

Amin is in zijn leven al ontelbare keren verhuisd. Gevlucht van Afghanistan naar Iran, in zijn eentje door naar Europa. In Nederland van azc naar azc. ‘Het azc is voor mij als een bushalte. Je wacht op de bus, maar die bus gaat nooit komen.’ De eerste jaren in Nederland waren goed, vertelt Amin. Hij ging naar school, durfde te dromen over de toekomst. ‘Het was een fijne tijd. Maar ondertussen was ik bang. Ik wist dat sommige Afghanen na hun achttiende gedeporteerd worden, ‘naar huis’. Maar ik weet niets van Afghanistan, ik heb er sinds mijn 5de niet gewoond.’

Nederland heeft, net als een aantal andere EU-lidstaten, Afghanistan veilig verklaard voor vluchtelingen. Ondanks dat het land al 40 jaar oorlog kent en al jarenlang bovenaan de ranglijst prijkt van de meest gevaarlijke landen ter wereld. Ook Amin kreeg te horen dat hij naar Afghanistan zou kunnen terugkeren. ‘Dienst Terugkeer en Vertrek zet me onder druk. Ik heb veel stress en kan uit angst voor deportatie niet slapen.’

Amin wacht tot op de dag van vandaag, inmiddels al vijf jaar, op het krijgen van een verblijfsvergunning. Terwijl zijn leeftijdsgenoten die stuk voor stuk krijgen, wil de IND zijn verhaal niet geloven. Na elke afwijzing voelt hij zich meer verloren. ‘Wie ben jij? Voor sommigen is die vraag heel makkelijk te beantwoorden’, zegt Amin. ‘Jij kan zeggen: het land waar ik ben geboren, dat is mijn land. Maar ik kan dat niet. Ik ben geboren in Afghanistan, met mijn familie gevlucht naar Iran. Ik heb geen paspoort van Afghanistan, niet van Iran, ook niet van hier. Dus waar kom ik vandaan? Wat is mijn identiteit? Geen idee.’

Expositie en filmfestival

Wie ben je en wie wil je worden? En wat als je jezelf zou moeten heruitvinden? Voor haar project A New Beginning werkt fotograaf Cigdem Yuksel samen met jongeren die na hun vlucht naar Nederland op zoek gaan naar hun (nieuwe) identiteit. Zij uiten zich met tatoeages, gedichten, rap of Instagramposts. Ze zien er cool en stoer uit, maar zijn ook kwetsbaar. Samen met Yuksel zochten zij een manier om hun verhaal te vertellen.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en Free Press Unlimited.

Volg ons