REPORTAGE FILM

De Oost toont de oorlog in Nederlands-Indië: ‘Welke oorlog?’

Anders dan van bijvoorbeeld de Vietnamoorlog hebben we van de oorlog in Nederlands-Indië, eind jaren veertig, amper een beeld. Als Jim Taihuttu daar met zijn film De Oost verandering in kan brengen, heeft hij zijn hoogste doel bereikt, zegt de regisseur in gesprek met de Volkskrant.

REPORTAGE FILM

De Oost toont de oorlog in Nederlands-Indië: ‘Welke oorlog?’

Anders dan van bijvoorbeeld de Vietnamoorlog hebben we van de oorlog in Nederlands-Indië, eind jaren veertig, amper een beeld. Als Jim Taihuttu daar met zijn film De Oost verandering in kan brengen, heeft hij zijn hoogste doel bereikt, zegt de regisseur in gesprek met de Volkskrant.

Jim Taihuttu aan de telefoon, vanuit zijn hotel in Yogyakarta. Een paar honderd kilometer verderop, nabij een bergkam, draaide hij de afgelopen dagen scènes uit De Oost waarin Nederlandse militairen kampongs ‘zuiveren’. En het zit hem hoog.

‘Je hebt alles voorbereid’, zegt de 39-jarige regisseur. ‘Zó lang voorbereid dat het in je hoofd alleen nog gaat om aantallen figuranten, hoeveel tijd er is om iets om te bouwen, hoe het zit met make-up, special effects. Er staan zestig militairen en honderdvijftig figuranten klaar, bij een nagebouwd dorp. Alle posities zijn doorgesproken, de acties getimed. En dan begin je, en wordt alles ineens echt. Ik had niet verwacht dat het zo... waarachtig zou zijn.

‘Mensen huilen, schreeuwen, er wordt geslagen, geschoten. Je ziet die blanke jongens in uniform, en de Indonesische mensen gekleed naar de tijd, heel magere mensen, want daar zijn ze op gecast. ’s Ochtends zag je ze nog gewoon, maar nu... onder het bloed.’

Na de eerste take was het volkomen stil op de set. ‘Ik zag een aantal van de Nederlandse jongens er even niet zo goed op gaan, vooral de jonge acteurs. Twee pinkten een traantje weg. Dan ben je 18 en moet je iemand met je geweerkolf neerdrukken, een vrouw aan het haar uit een hut slepen. Het is een stuntvrouw, maar toch...

‘Heel eerlijk: het flitste ook door mij heen: wat the fuck ben ik aan het doen? Maar ik móést die hardheid doorzetten. Als je dit wilt filmen moet het bot zijn. Het was een take van vier minuten, het gaat maar door en door. Er waren ook wat baby’s op de set, die gaan dan huilen. Dat is kut. Oké, dacht ik. Diep ademhalen. En nóg een take draaien.’

Jim Taihuttu op de set van De Oost. Foto Milan van Dril

Een paar zinnetjes in het geschiedenisboek, op de havo, dat was alles wat Taihuttu had geleerd over de koloniale oorlog in Nederlands-Indië, in het lesmateriaal aangeduid als de ‘politionele acties’. En meer wist hij ook niet. Zijn vader, muzikant Gino Taihuttu, had het er thuis niet over. En diens vader evenmin. De verhalen bleven achter in Bandung, waar de overgrootvader van de regisseur begraven ligt – een van de witte kruisjes op het ereveld voor Nederlandse oorlogsslachtoffers en militairen. Johan Taihuttu was sergeant in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL); de Ambonees bezweek aan zijn verwondingen tijdens het staartje van de strijd, in 1949.

‘Ik denk aan de infectie van een schotwond’, zegt zijn achterkleinzoon, die de begraafplaats al eens heeft bezocht. ‘Maar in de papieren van het militair hospitaal stond alleen: verwondingen.’

Het portret van de sergeant hing in de woonkamer van de Taihuttu’s in Venlo, de stad waar de Molukse KNIL-gezinnen in 1953 werden ondergebracht in de barakken van Kamp Blerick. Het was pas na z’n 30ste dat de regisseur zich begon te interesseren voor de Nederlands-Indische oorlogsjaren. Wolf (2013), zijn tweede speelfilm, was net uit in de bioscoop. Een beklemmend straatdrama over kickbokser Majid, die zich almaar dieper vastdraait in het criminele circuit. De politieacademie nam Wolf op in het curriculum: huiswerk voor degenen die zich bezighielden met ’s lands jongste gewelddadige criminelen.

‘Mensen waren enthousiast en vroegen: waarom maak je niet Wolf 2? Of Wolf de serie? Dat wilde ik niet. Ik wilde iets anders doen. Mijn eerdere films – en zeker Rabat – maakten dat ik me afvroeg hoe ík hier terecht was gekomen. Wat was mijn verhaal?’

Rabat was de onverwachte bioscoophit uit 2003 over de vriendschap van Nadir, Abdel en Zakaria, die in een oude taxi van Amsterdam naar de Marokkaanse hoofdstad rijden. Taihuttu’s debuut, dat hij samen met collega Victor D. Ponten regisseerde, bracht de groeipijn van Noord-Afrikaanse adolescenten van de tweede generatie te berde met humor en sympathie. En de regisseur herkende iets van zichzelf in het drietal. ‘Ik was wel Nederlander, maar soms ook weer niet Nederlands genoeg. Dat voelde ik als tiener, aan de manier waarop mensen naar me keken: toch een soort buitenlander. Als ik erover nadacht, kwam ik uit bij die militair in Bandung, die werd neergeschoten, waardoor zijn tienerzoon onverhoopt naar Nederland moest verhuizen.’

Een film over zijn overgrootvader was nooit het plan. Wel een film over diens oorlog. ‘Die oorlog is de reden dat ik hier ben.’

Marwan Kenzari als Raymond Westerling. Foto Milan van Dril

Raymond Westerling sprong vlot in het oog, toen Taihuttu zich inlas en speurde naar historische personages die een oorlogsdrama konden dragen. Hoe kon het ook anders. Weinig figuren in de Nederlandse militaire geschiedenis zijn zo kleurrijk en omstreden als de in Istanbul geboren Nederlandse kapitein, bijgenaamd ‘de Turk’, die met zijn compacte elite-eenheid, het Depot Speciale Troepen, Zuid-Celebes ‘pacificeerde’. Met standrechtelijke executies, ook persoonlijk uitgevoerd door scherpschutter Westerling, werd vanaf december 1946 het ene na het andere dorp gevrijwaard van rampokkers en revolutiegezinde strijders (pemoeda’s). Eenmaal aangewezen door verklikkers werden de bosjes verdachten gefusilleerd, onder het oog van familieleden en kinderen, zonder kans op verweer tegen de beschuldigingen.

De door zijn manschappen geadoreerde Westerling was na de oorlog de enige officier die uitkwam voor het systematisch executeren, in een door de omroepen als ‘te gevoelig’ beoordeeld tv-interview, dat uiteindelijk pas in 2012 werd uitgezonden. Zo voerde je nu eenmaal een contraguerrilla, redeneerde de in 1987 overleden kapitein.

Taihuttu wist meteen wie ‘de Turk’ moest spelen: Marwan Kenzari, die sinds zijn hoofdrol in Wolf al bezig was door te breken in Hollywood. ‘Dit is het, zei ik tegen hem. En hoe vet: Westerling had een Griekse moeder, die was wat donkerder van uiterlijk. Waarschijnlijk is dit de enige keer dat Marwan in een Nederlandse oorlogsfilm over de jaren veertig kan spelen.’

Er waren meer geïnteresseerde partijen. San Fu Maltha kondigde in 2010 een door Martin Koolhoven te regisseren speelfilm aan, werktitel Westerling. ‘Apocalypse Now zonder helikopters’, schetste de producent. Vanwege de gevoeligheden in Indonesië, waar Westerling als prominent oorlogsmisdadiger geldt, dacht Maltha voor de opnamen mogelijk te moeten uitwijken naar de Filipijnen of Thailand. Koolhoven stapte alweer vlot uit het project en overwoog nog even zijn eigen Westerling-speelfilm te maken. Maltha ging verder met regisseur Pieter Kuijpers, maar uiteindelijk kwam er niets van de grond.

Maar ook de film van Taihuttu zou wankelen.

Eind 2019 kijkt een gezelschap filmfinanciers in een zaaltje in Amsterdam naar de eerste beelden van het legerkampement uit De Oost. Hulde voor de afdeling production design: het aan de rand van de Indonesische jungle opgetrokken fort oogt volkomen getrouw.

Maar ook leeg. Er had al gedraaid moeten worden, maar de visumaanvragen van zo’n honderdvijftig Nederlandse figuranten zijn afgekeurd, pal voor het afreizen. Die figuratie kan best worden vervuld door in Indonesië wonende expats, besloot een radertje van de plaatselijke overheid. Ook de Indonesische coproducenten stonden perplex.

Zo ketst de eerste landingspoging van de figurant-soldaten af, die nu juist om hun oer-Hollandse uiterlijk waren gecast. De hele productie schuift noodgedwongen door, tot na het regenseizoen. Financieel bezien een ramp: crews, locaties, apparatuur: alles was al geboekt. Om te kunnen doorstarten moet ieder schema en contract op de schop. Sommige acteurs vallen noodgedwongen af. Anderen zijn zo vastbesloten om mee te doen, dat ze bereid blijken drie keer heen en weer te vliegen naar Indonesië, steeds voor een paar draaidagen.

En er is nieuw geld nodig, boven op het aanvankelijk op 6 miljoen euro geraamde budget. Er komt een fundraising, met een Indische rijsttafel. Er hangen posters van de hoofdpersonages: Kenzari als de Turk en Martijn Lakemeier als Johan, de jonge soldaat die samen met honderdduizend lotgenoten wordt verscheept naar Nederlands-Indië.

De producenten, Julius Ponten en Sander Verdonk, zetten de schaal van hun film uiteen voor de genodigden; ze vertellen hoe De Oost wordt gekoppeld aan een lesproject voor middelbare scholen. Taihuttu draagt bij via een videoverbinding met Indonesië: ‘Ik wil dat elke geschiedenisleraar straks een dvd van de film in de klas heeft liggen.’

Lakemeier is er ook. De acteur die als 15-jarige schitterde in Oorlogswinter vat de leemte die De Oost kan vullen in één enkel zinnetje: ‘Mijn vrienden zeiden: welke oorlog?’

Denise Aznam en Martijn Lakemeier. Foto Milan van Dril

Helemaal aan het begin flitst het scenario van De Oost vooruit naar de thuiskomst van soldaat Johan in Nederland. In die proloog varen met boze spandoeken behangen bootjes de uit Indië teruggekeerde Nederlandse militairen tegemoet. ‘Nazi’s!’, klinkt het. ‘Moordenaars!’

‘Zo was het precies’, zegt Jaap Tuinder (92) aan de telefoon. ‘Toen we de haven van Rotterdam binnenvoeren, werden we uitgescholden. Ze wierpen bierflesjes naar ons.’

Tuinder is één uit een dozijn oud-soldaten dat door Taihuttu en diens researcher Edward Liddiard werd opgespoord. De Groninger gaf zijn in Indië bijgehouden dagboek mee aan de regisseur. ‘Ik heb zo’n vier of vijf dagboeken meegekregen’, zegt die. ‘Vaak uitgetypt, misschien met de bedoeling dat het ooit gepubliceerd zou worden. Ik had daar veel aan, bij het schrijven van het script, die ongefilterde gedachten. Het besef dat het tieners waren, jongens uit dorpen in Limburg of Zeeland. Voor het eerst weg zonder ouders. Ze hadden de Amerikaanse en Canadese soldaten gezien, die panty’s en chocola uitdeelden. En wilden mee, optrekken naar Berlijn. Waar kan ik tekenen? Zes maanden later kregen ze bericht: je gaat naar Indië. Kon je niet onderuit.’

Ook de taal van de soldaten sloop in de film, mede dankzij de dagboeken. ‘Er was veel vuile praat, grof over vrouwen, alsof je op voetbalkamp gaat. Seksueel getint ook. Er werden vrouwen bezocht, prostituees. Als je aan 1945 of 1946 denkt, hoor je meteen die Polygoonstem in je hoofd. Maar zo was het helemaal niet. Reinout Scholten van Aschat (de acteur die een van de militairen speelt, red.) zei tegen me: hè, ik vind het wel heftig man, om dat soort dingen te zeggen: zwartjes, stinkapen. Snap ik, zei ik, het ís ook fucked up. Maar zo werd er gepraat.’

Op de weg terug van Tuinder, die als soldaat in Indië geen deel uitmaakte van Westerlings eenheid, kantelde Taihuttu’s idee over de film. ‘Dat sentiment van een boerenjongen die daarheen gaat om goed te doen, en dan zó thuiskomt: daar moest het over gaan.’

De Oost dompelt de kijker eerst onder in het leven van zo’n jonge soldaat: Johan uit Arcen, die zijn rite de passage meemaakt. Van het gamelanorkestje dat het Wilhelmus speelt bij aankomst in Jakarta tot de eerste orders van de kampcommandant: ‘Dat dit een vies land is, betekent niet dat we ook vies moeten leven!’

Over kameraadschap gaat het, verveling, frustratie en lust. De vijand lokt en prikt, maar blijft veelal onzichtbaar. ‘Ik wil de kijker een beetje om de tuin leiden. Eerst die onderlinge sfeer, dat gelul, het gelach. En dan bám, ineens ben je in de oorlog.’

En dan is daar ook kapitein Raymond, alias ‘de Turk’, die het Maleis machtig is en de ‘inlander’ verstaat. Anders dan de dralende kampcommandant treedt hij kordaat op tegen opstandige nationalisten en rondsluipende bendes die de dorpjes teisteren. De kapitein zoekt vrijwilligers voor zijn speciale eenheid. Wat doe je dan?

Martijn Lakemeier als Johan. Foto Milan van Dril

‘Let erop dat je halverwege het uitbloeden je arm laat zakken’, instrueert Taihuttu, nadat hij de opname van zojuist op zijn monitor heeft teruggekeken. Lakemeier, in donkergroen shirt, knikt met zijn gemillimeterde hoofd.

Regendruppels rollen langs de vegen nepbloed op het gezicht van de 27-jarige acteur. De collega met wie hij zo-even nog over de bosgrond rolde, om hem vervolgens de strot af te snijden, heeft een met markeerstift aangebracht stippellijntje op zijn hals; precies daar zal het digitaal toegevoegde bloed gutsen.

‘Het mes is gesneuveld’, constateert Lakemeier. Inderdaad, er zit een knak in de nepdolk. ‘Waar is dat andere mes?’, spreekt een crewlid in zijn portofoon.

Het is kil en regenachtig in het Utrechtse bos, dat zich deze herfstnacht voordoet als tropisch woud. Setdressers voeren varens, bananenbomen en palmen aan, die worden ingegraven. Het oogt waarlijk tropisch, zo in het door filmlampen uitgelichte halfduister. Het decor zal straks naadloos aansluiten bij de al op Java gedraaide jungle-opnamen.

Na de opnameperiode in Indonesië is de productie neergestreken in Nederland. Het kwam uiteindelijk goed met de Hollandse figuranten: die kregen hun visum bij de tweede ronde. Tegelijk werd het visum van sommige acteurs niet verlengd; Indonesië gooide het land op slot in aanloop naar de presidentsverkiezing. Ook de Volkskrant kreeg geen toestemming om de opnamen ter plekke bij te wonen.

Voorts waren er de gebruikelijke strubbelingen bij het filmen in de tropen. De gemene schorpioenen, die onder meer Taihuttu’s zus, regieassistent Jazzy, te grazen namen. Of de onverwachte krokodillen bij een locatie die toch echt als krokodilvrij was aanbevolen. Ook rees een rivier ineens in sneltreinvaart meters op, waardoor een deel van de set wegspoelde.

Enkele scènes dienen nog in Nederland te worden afgedraaid, en zo komen we in het Utrechtse bos. Daar ligt Lakemeier inmiddels op zijn rug in de modder, terwijl een acteur hem probeert te wurgen.

Taihuttu, muts op het hoofd, regisseert met korte aanwijzingen: ‘Stop, héél vet, pak even wat rust.’

Iemand wurgen voor een film is een rotklus, voor alle betrokkenen. De handen moeten écht knijpen, zodat er zichtbaar druk staat op het strottenhoofd. De gevechtstrainer op de set doet het nog eens voor.

Drie takes later wrijft Lakemeier over zijn hals: ‘Ik begin het wel wat te voelen.’

Er is nazorg: de warme jas, het kruikje, de vragende blik van regieassistent Jazzy.

Lakemeier knikt. ‘Ik ben oké.’

En dan is er corona. Wéér valt de productie van De Oost stil. De allerlaatste scènes kunnen pas na de zomer van 2020 gedraaid, als het virus even gaat liggen. Omdat hij nog steeds budget te kort komt, en de bioscooprelease vanwege de pandemie onzeker is, sluit producent Verdonk een deal met Amazon Prime Video. De betaalzender wil de film dan wel uiterlijk half mei 2021 wereldwijd uitbrengen op het eigen platform. En áls de bioscopen open zijn, zal De Oost daar eveneens te zien zijn.

Ook is er gedoe rondom de teaser van de film, waarin al iets van de beruchte ‘methode-Westerling’ te zien is. De Molukse activist en veteraan Leo Reawaruw, van belangenvereniging Maluku4Maluku, kondigt bij bioscoopketen Pathé aan te zullen demonstreren tegen De Oost. En hij uit zijn woede in de media, samen met enkele hoogbejaarde Molukse KNIL-veteranen. Waarom dragen Westerlings soldaten zwarte uniformen, net als SS’ers? Waarom heeft de film-Westerling een hitlersnor? En waarom prijkt de titel op de poster in gotische letters?

Ook de Volkskrant belt met Reawaruw. Die trekt iets bij als hij verneemt dat de uniformen donkergroen zijn, het piramidesnorretje typisch jaren veertig-Amerikaans is (zie George Clooney in The Monuments Men) en Taihuttu het runenschrift eerder óók al inzette voor de poster van Wolf. ‘Goed, die snor van Westerling laten we dan zitten. Al hád hij geen snor.’

De Federatie Indische Nederlanders keert zich eveneens tegen de film en het daaraan gekoppelde lespakket. Dat is niet zomaar; op de achtergrond voeren beide belangenorganisaties ook verzet tegen het lopende onderzoek naar het geweld tijdens de ‘dekolonisatieoorlog’, dat begin 2022 door het Niod wordt gepresenteerd. Die onderzoekers, zo menen de critici, richten zich vooral op de excessen van het Nederlandse leger en staan onvoldoende stil bij de Bersiap, de periode van extreme geweldsuitbarstingen van nationalistische Indonesiërs jegens de Indische Nederlanders en de Molukkers. De onderzoekers ontkennen dit: het onderzoek behelst volgens hen alle zijden van het geweld tussen 1945 en 1950.

Producent Verdonk probeert met de boze partijen in dialoog te gaan. Taihutttu niet, de film is straks zijn antwoord.

De Oost. Foto Milan van Dril

Twee weken voor de release van De Oost is er een voorvertoning voor het Vfonds (het Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg), dat meebetaalde aan het educatietraject. Er kijkt ook een groep militaire afgezanten mee, onder wie bevelhebbers van marine en landmacht, inspecteur-generaal Van Sprang en enkele veteranen. De bevelstructuur tussen Westerling, de militaire top en de politiek loopt goed door de film, vinden zij na afloop. Ook zijn de eerste oorlogservaringen van soldaat Johan sterk verbeeld. Wel is er die terugkerende vraag tijdens het nagesprek met producent Verdonk: waarom nou een film over juist deze, zo zwarte bladzijde?

Oliver Stone kreeg ooit een soortgelijke vraag, over Platoon. Twee redenen gaf de filmmaker en Vietnamveteraan: om de samenleving eraan te herinneren hoe oorlog echt is, en om te laten zien wat de impact ervan is op de jonge mensen die we ernaartoe sturen.

‘Olala, hèhè. Kijk ’m gaan man, toet-toet. Oooh, lekker hoor!’ Abel van Gijlswijk – petje, trainingsbroek – spreekt nog wat flarden achtergronddialoog in onder een scène waarin de uitgezonden militairen het Indonesische nachtleven verkennen. De debuterend acteur (bekend als rapper Abel) speelt een bijrol in De Oost als soldaat en ritselaar, en beheerst het plat-Amsterdamse accent als geen ander. Improviserend in de microfoon: ‘Gore teringleier! Gore smerige poeplap!’

‘Top’, zegt Taihuttu, die voor de laatste geluidsmix een paar weken over is uit Bali. Hij woont daar al enige tijd, samen met zijn gezin. Omwille van de filmopnamen, maar ook vanwege zijn carrière als muzikant; zijn formatie Yellow Claw (met dj Nizzle) is ook in Azië populair.

‘Ik weet in mijn hart dat ik iets heb geprobeerd te maken dat eerlijk is’, zegt de regisseur aan het einde van de lange studiodag. ‘Ik sta aan niemands kant. Ik voel me geen woordvoerder namens de Molukkers, of de Indische Nederlanders, of de Nederlanders. Het gaat me ook meer om de mythe-Westerling dan om de man zelf, het is in die zin geen biografische film. En verder: die excessen zíjn gebeurd. Maar het is nooit mijn doel geweest om een film te maken met alleen shit erin, een aanklacht ofzo.’

Er was in Nederlands-Indië nooit een vrije pers, benadrukt hij. ‘Zoals Rolling Stone en Esquire over Vietnam schreven, dat is bij ons nooit gebeurd. Geen ongecensureerde fotografie. De eerste keer dat ik een plantage in kleur zag, was in Oeroeg – goeie film trouwens. Als ik nu de straat op ga, kan de gemiddelde Nederlander mij wel vertellen hoe het eraan toe ging in Saigon, welke muziek er werd gedraaid tijdens de Vietnamoorlog, wat er werd gerookt – dát weten we. Maar wat weten we nou van Jakarta, of Bandung?

‘Weet je wat mijn hoogste doel is? Dat als je de komende dertig jaar iets wilt weten over Nederlands-Indië, dat er dan ten minste beeld van is. Een film. Dat iemand zegt: je kunt De Oost kijken.’

Volg ons