REPORTAGE Zwarte levens, zwarte doden

Het onderling
Afro-Amerikaans
geweld laait op in Chicago

In het jaar van de Black Lives Matter-protesten tegen politiegeweld ziet Chicago, net als veel andere grote steden in de VS, ook een piek in het onderlinge geweld tussen Afro-Amerikanen. Dat kost veel meer levens.

Het honkbalpetje van Elbert Craig steekt recht omhoog de lucht in en komt zo precies boven de rand van zijn kist uit. De mensen die naar hem toe schuifelen en zich onder de sluier buigen om hem laatste woorden toe te fluisteren of een afscheidskus te geven, kunnen het logo zien dat erop staat: van de Chicago White Sox, zijn favoriete club. De kist is wit, de sluier is wit, de krans is wit, alles is wit behalve de gezichten van de aanwezigen: er komen geen witte mensen, als je zwart bent en in Chicago wordt doodgeschoten.

Craig (34) werd op 6 december om kwart over 9 door meerdere kogels in de rug geraakt toen hij, een paar blokken van zijn huis in de gewelddadige West Side van Chicago, drie mannen tegenkwam die hij niet tegen had moeten komen. De restanten van de wake zijn nog te zien, aan het hek en op de stoep rond een braakliggend terrein tegenover zijn huis: ballonnen in zwart en goud, verwaaide bloemenfolie zonder bloemen, wat kaarsen en waxinelichtjes die voor het merendeel al zijn platgetrapt.

Het was de 728ste moord in de stad dit jaar. Net als voor andere Amerikaanse grote steden is 2020 voor Chicago een gewelddadig jaar geweest: het aantal moorden is terug op het niveau van de jaren negentig, met 2016 als enige tussenliggende piek. Bijna 95 procent van de slachtoffers is zwart of bruin, en ruim 95 procent van de daders, voor zover bekend, is zwart of bruin. Daarmee is deze zogeheten black-on-black criminaliteit getalsmatig een stuk gruwelijker dan het geweld van de politie tegen Afro-Amerikanen, dat dit jaar aanleiding was voor grote Black Lives Matter-protesten. Het onderlinge geweld kreeg veel minder aandacht.

Zwarte levens doen er dus toe – maar doen alle zwarte doden er evenveel toe?

De zaal van het uitvaartcentrum stroomt vol. De moeder, broers en zussen, tantes en drie kinderen van Craig gaan op de eerste rijen zitten. Daarna komen de tieners en twintigers met hun afgezakte broeken. Sommigen hebben een zwarte sweater aan met daarop een foto van Craig, alias Tudda, met op hun mouw zijn sterfdag, en achterop de tekst King Tudda en het getal 4800: het blok waar hij woonde op Washington Boulevard. ‘Kom binnen’, zegt Zach, zijn oudste broer. ‘Mensen moeten weten dat hij gestorven is. Hij deed weleens wat illegale dingen, maar niets waarvoor hij dood moest. Mensen moeten het zien. Dit moet ophouden.’

Hij weet niet waarom zijn broer is doodgeschoten. Er is niemand opgepakt. De politie heeft een summiere verklaring uitgebracht. ‘Rechercheurs van gebied 4 doen onderzoek.’ Het is goed mogelijk dat dit niet alleen het eerste, maar ook het laatste is dat de politie ooit over de moord zal zeggen.

Oktober 2016, South Central Avenue

Vier jaar geleden was er ook een abrupte stijging in het aantal doden in Chicago en andere Amerikaanse steden. Dat was na een reeks van zwarte slachtoffers van politiegeweld, waarna de politie, zo was de hypothese, zich terughoudender had opgesteld. Het Ferguson-effect, werd het genoemd, naar de stad Ferguson waar in 2014 de ongewapende tiener Michael Brown was doodgeschoten. In Chicago werd in dat jaar Laquan McDonald door politieagenten doorzeefd – de beelden werden een jaar lang achtergehouden door burgemeester Rahm Emanuel, een protegé van Barack Obama. De mogelijke passiviteit van de politie viel samen met een machtsvacuüm in de wijken, omdat juist kort daarvoor veel bendeleiders waren opgepakt.

Dus gingen we toen naar de West Side, na een van de gewelddadigste weekeinden in de geschiedenis van Chicago. Eén moord viel extra op, ook al kon je aan de plaats delict niet zien wat er een paar nachten eerder was gebeurd. Geen bloemen, geen gele lijnen van een politieonderzoek, geen cirkeltjes waar de kogelhulzen waren gevonden. Er zat een stickertje op de deur geplakt van een pistool met een rode streep erdoorheen, maar dat had Demarco Webster niet geholpen.

Hij was net met zijn vader een matras op het dak van de auto aan het vastbinden toen twee mannen voorbijreden en het vuur openden. De familie was aan het verhuizen, omdat de buurt, Austin, te gevaarlijk werd: de week daarvoor was er voor de tweede keer ingebroken in hun huis en waren ze, voor de tweede keer, weer alles kwijt. Demarco werd in zijn zij geraakt en naar het ziekenhuis gebracht. Daar stierf hij twee uur later, 14 jaar oud.

Hij was een jongen met potentie, zeiden ze op zijn school, de Jensen Miller Scholastic Academy, een stukje verderop, een bruine kolos met bordjes die waarschuwen dat er geen leden voor bendes mogen worden geworven. Hij was een van de beste leerlingen van de klas, grappig en geliefd, een basketballer die in de leerlingenraad wilde en geselecteerd was voor de interne leiderschapsopleiding van de burgerrechtenorganisatie NAACP. ‘Hij was een rustige jongen’, zei Chinyere Okafor, de schooldirecteur. ‘Hij deed zo veel dingen goed. Eigenlijk hadden we daar te weinig aandacht voor, we hebben voortdurend onze aandacht nodig voor de kinderen die problemen hebben of problemen maken. We hebben de luxe niet om ons bezig te houden met kinderen met wie het goed gaat.’

Op de straten van Austin waren gele verkeersborden geplaatst met ‘veilige passage’, met een soort klaar-overs langs routes die een kogelvrije doortocht van huis naar school moesten garanderen, omdat kinderen te vaak het slachtoffer werden. Demarco Webster was dat jaar niet het enige kind dat werd doodgeschoten: er stierf er elke week wel eentje van 16 jaar of jonger. Het ergste was: dat was helemaal niet zo bijzonder. Dat was al bijna een halve eeuw aan de hand.

Het was zoeken naar het graf van Demarco. Uiteindelijk bleek hij te liggen op de Glen Oaks-begraafplaats, onder een steen met het nummer 233/234, met nog zeven anderen. Het was een graf van het Leger des Heils, voor mensen die geen uitvaart konden betalen. Zo veelbelovend als Demarco was geweest, zo naamloos zou hij worden.

Glen Oaks-begraafplaats  waar het lichaam van Demarco Webster in een naamloos graf ligt. 

De politie had die eerste dagen na de moord op Demarco nog geen verdachten in beeld. ‘Het onderzoek is begonnen’, mailden ze.

Een half jaar later vroegen we het nog een keer. ‘Het onderzoek duurt voort’, mailden ze. ‘Nog geen daders opgepakt.’

Bij de verjaardag van de moord vroegen we het weer. ‘Er zit op dit moment niemand in de cel. Het onderzoek is nog steeds in handen van de rechercheurs van Gebied Noord.’

En ook dat was niet zo bijzonder. Zwarte mannen die elkaar doodschieten: dat hoorde er, zeker in plaatsen als Chicago, eigenlijk een beetje bij.

December 2020, Institute for Non Violence, Chicago

Voor een deel probeert de zwarte gemeenschap in de stad zelf in te grijpen. Bij het Institute for Nonviolence, in een oude school in het noorden van Austin, komen ze meteen in actie als ze van de politie een melding krijgen dat er ergens een schietpartij is geweest. Deon Patrick, een man uit de wijk die 21 jaar onterecht gevangen heeft gezeten, scheurt direct naar de plaats van het incident om te proberen de gemoederen tot bedaren te brengen.

‘We proberen meteen te bemiddelen’, zegt Patrick, net terug van een schietpartij (het slachtoffer is in het ziekenhuis beland). ‘We proberen die jongens te vertellen dat wraak niets oplost. En helemaal niet als ze zelf doodgaan. We proberen te vertellen hoeveel pijn je eigen dood veroorzaakt bij je eigen mensen. Weet je, het zijn vaak kinderen. De maatschappij denkt dat er goede kinderen en slechte kinderen zijn. Ik denk dat ze allemaal goede kinderen zijn. Ze worden niet geboren met de neiging om mensen dood te schieten. Laatst was er zo’n jongen die vroeg: kan je een ijsje voor me kopen? Zo moet je ze zien, jongens voor wie je een ijsje moet kopen.’

  • Deon Patrick bij het Institute for Nonviolence

Bij het instituut werken veel mannen die zelf in de gevangenis hebben gezeten en weten wat het is om na jaren terug te komen in een samenleving die volledig veranderd is. ‘We moeten ze leren opnieuw te leven’, zegt Patrick. Op zijn vingers staan twee data getatoeëerd: die van zijn geboorte en die van zijn ‘wedergeboorte’, zijn vrijlating. ‘Ze weten niet wat een smartphone is.’ Hij ziet het coronavirus als een van de redenen voor de grote geweldsgolf van dit jaar, niet alleen door de extra verveling en extra spanning op straat, maar ook doordat er ineens driehonderd gevangenen vervroegd werden vrijgelaten in de wijk – driehonderd jongens die ineens weer op straat kwamen en de precaire balans verstoorden die er tussen de bendes was.

‘Vroeger hadden we meer structuur op straat’, zegt Patrick. ‘Na de laatste grote wapenstilstand van 1993, toen de grote gangs afspraken maakten over hun territoria en drugshandel, kon je bendeleden verantwoordelijk houden als ze zich er niet aan hielden. Nu heb je allemaal splintergroepjes, soms per blok, die veel lastiger tot de orde te roepen zijn. Er zijn al snel ruzies: om een belediging, om een meisje. We proberen te bemiddelen en zeggen: jullie hoeven geen vrienden te zijn, als jullie maar uit elkaars buurt blijven.’

Van de politie zou hij meer verwachten – zelfs hij, een man die onterecht is veroordeeld, zou graag meer politie zien, althans, politiemensen die de buurt kennen, en niet pas komen als er problemen zijn. Van ‘defund the police’, de kreet van Black Lives Matter, moeten ze hier weinig hebben. Leid de agenten liever beter op, zodat ze weten hoe ze situaties moeten de-escaleren, en laat ze vaker in de buurt rondlopen – een aanpak waarmee Chicago tot een een jaar of tien geleden een voorbeeld voor andere politiekorpsen van Amerika was, tot die door bezuinigingen werd geschrapt. ‘Defund the police?’, zegt Patrick. ‘Daar hebben we niets aan. De mensen die dat zeggen leven niet in onze buurten.’

Het is een geluid dat Elliott Currie herkent, criminoloog aan de Universiteit van Californië, die dit jaar het boek A Peculiar Indifference schreef, over de vaak genegeerde slachtoffers van geweld in zwart Amerika. ‘Mensen in de arme buurten willen wél graag politie in hun buurt, maar politie die voor hen werkt. Het historische probleem van de politie is enerzijds het geweld tegen de zwarte bevolking en anderzijds juist de afzijdigheid in zwarte buurten. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille: dat zwarte levens minder waard zijn.’

Donnell Gardner 

Currie verklaart, op basis van honderd jaar sociologisch onderzoek, het zwarte geweld tegen zwarte medeburgers vooral uit de armoede en de structurele discriminatie. De frustratie die zich eigenlijk tegen de witte ‘onderdrukkers’ zou moeten keren, keert zich naar binnen. De macht en status die in de echte wereld onbereikbaar zijn, worden gezocht in macht en status in de buurt. Het is een theorie die mensen als Deon Patrick bij hun eigen jongeren in de praktijk zien: in hun eigen buurt gedragen ze zich als lokale gangsters, maar nog geen kilometer verderop, in de veel wittere wijk Oak Park (waar Frank Lloyd Wright beroemde villa’s heeft neergezet) houden ze zich keurig aan de regels. ‘Zelfs tegen betaling zullen ze daar geen misdaad plegen’, zegt Patrick.

Ook in de South Side, een andere beruchte kant van Chicago, hebben (overigens vrij goed gefinancierde) buurtorganisaties het heft in eigen hand genomen, bij gebrek aan ordehandhaving. Daar probeert Donnell Gardner namens Chicago CRED te bemiddelen tussen de tientallen splintergroeperingen – door hun leden te belonen als ze elkaar niet bevechten. Het is een gewapende vrede: de bendes lopen nog steeds in hun eigen wijk en zullen die met hand en tand verdedigen, maar komen niet meer op het terrein van hun rivalen. ‘Sommige groepen kiezen voor een stipendium als beloning, andere gaan op reis, maar er was er ook een groep die een speeltuin heeft laten bouwen’, zegt Gardner, zelf voormalig bendelid. Het is niet ongevaarlijk – hij is dit jaar beschoten, waarna hij probeerde de dader in het vredesprogramma te praten. ‘Ik wil de schutters. Ik wil degenen die eigenlijk niet willen praten. Ik kan ze overtuigen, want mij respecteren ze.’

2017, Oost-Chicago

‘We hoefden alleen de bedden nog op het dak te doen’, zegt Demarco Webster senior, in een rijtjeshuis in een ogenschijnlijk ordentelijker deel van de stad. ‘En toen kwam die auto langs. Hij was een schooljongen, man. Hij hield van rekenen. Hij was niet iemand van het straatleven, ik bedoel, ík heb dat leven geleid. Hij was anders.’

Hij is verhuisd en geeft een baby’tje te eten – een nieuwe zoon.

Zelf groeide hij op aan de zuidkant van de stad, als zoon van een verslaafde moeder (‘Ik kan haar parfum nog ruiken’). Vanaf zijn achtste hosselde hij, zegt hij, om aan geld te komen. ‘Ik zag nooit een toekomst voor mezelf. Pas toen ik kinderen kreeg, zag ik een toekomst – voor hen. Demarco vertegenwoordigde iets dat ik nog nooit had gekend. Hij kon iets worden waarvan ik geen idee had.’

Webster senior laat het litteken zien van de kogel waardoor hij zelf werd getroffen, begin jaren negentig, toen hij 17 was, in zijn rechterzij, net als zijn zoon. Maar het was maar een vleeswond, zegt hij. Hij schoot terug en raakte zijn tegenstander. ‘Ik weet dat ik hem heb geraakt, ik weet niet of hij het heeft overleefd. Ik heb hem nooit meer gezien. Nee, ik ben daar nooit voor in de gevangenis beland. Ik was niet belangrijk genoeg. Denk je nu echt dat het hun wat uitmaakt dat ik iemand heb neergeschoten? De zwarte gemeenschap heeft geen waarde.’

Hij wilde niet dat zijn zoon zo’n leven zou leiden, zegt hij. ‘Ik wilde dat hij een hogere weg zou nemen. En voor mij was het duidelijk. Geld was niet meer belangrijk. Als vader is er maar één ding belangrijk, dat zijn je kinderen. Tijd met je kinderen.’

Het voelt alsof hij heeft gefaald, zegt hij zacht. ‘Ik werd geacht hem op elk moment te beschermen. Wraak? Dat is niet gelijkwaardig. Er is geen evenwicht meer. Wraak lost dat niet op. Alles wat ik kan doen is het accepteren. Niet elke situatie is bedoeld om tegen te vechten. Deze situatie is bedoeld om van te leren. De leegte verdwijnt niet meer. Maar ik moet er zijn voor mijn andere kinderen.’

Uitvaartcentrum, 2020

Ook Elbert Rayford, de vader van de dode Elbert Craig, een man met een hoedje met een veertje aan de zijkant, vraagt zich af hoe verantwoordelijk hij is voor de dood van zijn zoon. ‘Ik groeide op en zag lijken in de stegen – maar ik kon er niet aan ontsnappen. Alles wat we aan voorbeelden hadden waren de mensen op straat. Mijn rolmodellen waren pooiers en hosselaars. We dachten niet: we gaan een diploma halen. We leerden hoe we moesten dobbelen. We keken niet zo ver vooruit, we hadden de luxe niet om zo ver vooruit te kijken.’

Craig senior belandde in de gevangenis voor moord – zelfverdediging, zegt hij zelf, ‘ik had ervan kunnen weglopen, maar ik was een heethoofd’ – en zag zijn zoon pas weer toen die al in de twintig was. ‘Hij was hetzelfde pad opgegaan als ik. Zijn school niet afgemaakt. Hij had niet gehaald wat hij had moeten halen om verder te komen. Niet ik, maar mijn afwezigheid heeft hem gevormd. Toen ik thuis kwam, na achttien jaar, probeerde ik hem onder mijn hoede te nemen. Ik had inmiddels twee vrachtwagens en ik haalde hem weg uit Chicago. Maar hij keerde er steeds naar terug, de stad en zijn oude leven bleven hem teruglokken. En toen gebeurde dit.’

De begrafenis van Elbert Craig

Hij zegt dat de dader en zijn zoon gewoon Facebook-vrienden waren, hij weet wie het heeft gedaan. Hij gaat geen wraak nemen, hij heeft zelfs met de politie gepraat. ‘Maar er zijn veel mensen die die gast wel iets willen aandoen. Ik kan hun niet zeggen wat ze wel en niet moeten doen.’

Hij gaat zijn jongste zoon proberen te redden, zegt hij – hij werd twee maanden nadat hij was opgesloten, geboren. ‘Ik heb hem gezegd: ik heb één zoon verloren, ik wil er niet nog eentje verliezen. Ik ga hem dwingen met mij te gaan werken, hij een truck en ik eentje. Als hij vrijkomt, zal ik hem aan de poort opwachten. Weg van hier.’

Volg ons