Tien jaar later

Wat is er over van de Nederlandse miljoenen in Uruzgan?

Na tien jaar keert oud-diplomaat Marten de Boer terug naar Uruzgan, waar hij miljoenen euro’s aan Nederlands hulpgeld uitgaf om scholen, wegen en bruggen te bouwen. Wat is er van zijn werk geworden, nu de provincie weer bijna volledig in handen is van de Taliban? 

Door de stoffige straatjes van Tarin Kowt rijdt een witte Toyota Corolla met een makarovpistool in het handschoenenkastje, een kalasjnikov tussen de voorstoelen en een 72-jarige Nederlander op de achterbank. Marten de Boer – witte baard, mokkakleurig gewaad, wollen pakol op het hoofd – laat zijn blik glijden langs vrouwen in boerka’s en marktkraampjes met meloenen en halve schapen aan ijzeren haken. ‘Druk’, zegt hij. ‘Ja’, zegt de chauffeur, ‘allemaal mensen die op de vlucht zijn geslagen voor de Taliban.’

Tien jaar geleden was De Boer hier voor het laatst. Na zijn halve leven als ontwikkelingswerker in Afrika en Zuid-Amerika te hebben gewerkt, werd hij in 2006 door het ministerie van Buitenlandse Zaken naar Afghanistan gestuurd. Het werd zijn taak ervoor te zorgen dat de Nederlandse militaire missie in de provincie Uruzgan ook een wederopbouwmissie zou worden – een harde eis van de Tweede Kamer.

Zo belandde De Boer aan het eind van zijn loopbaan in een uithoek van Centraal-Azië waar bijna geen hulporganisatie naartoe durfde. 10 miljoen euro kreeg hij mee van Buitenlandse Zaken. ‘Als je meer nodig hebt, roep je maar’, had toenmalig minister Agnes van Ardenne hem gezegd. Uiteindelijk zou De Boer 187 miljoen euro uitgeven aan ontwikkelingsprojecten.

Wat is daarvan geworden? Hij weet het niet precies. Het gros van de projecten die hij opzette heeft hij gevolgd op foto’s van Afghaanse partners, nooit met eigen ogen gezien. De Boer leefde als diplomaat in een relatief veilige bubbel op Kamp Holland in Uruzgan en op de ambassade in Kabul. Te gevaarlijk, kreeg hij doorgaans te horen als hij een hangbrug of een school wilde bezoeken. De Boer: ‘Ik ken de meeste projecten alleen van papier.’

Daar kwam bij dat hij zijn opbouwwerk alweer na vier jaar moest staken. Tegen zijn advies in besloot de Tweede Kamer de missie in 2010 niet te verlengen. De Boer is er nog altijd gefrustreerd over. ‘Vier jaar is niks. De militairen begonnen net succes te boeken met hun begeleiding van het Afghaanse leger en de politie. En ontwikkelingssamenwerking is overal en altijd een kwestie van lange adem.’

Inmiddels is Uruzgan weer voor 90 procent in handen van de Taliban. Dus of alle bruggen en gebouwen die De Boer heeft laten bouwen er nog staan? Of de velden worden bewerkt? Of de vrouwen zonder mannelijke begeleider buiten mogen lopen? Hij durft het niet te zeggen, maar natuurlijk: de afgelopen jaren heeft hij zich flinke zorgen gemaakt.

Daarom zit hij deze ochtend op de achterbank van de Toyota Corolla. Nu hij, tien jaar na de beëindiging van de Nederlandse missie, op uitnodiging van de Volkskrant terug is op Afghaanse bodem, wil hij weten wat er van zijn werk is geworden.

Op weg naar Chora

Te beginnen met de provinciale weg van Tarin Kowt naar Chora, die met 18,3 miljoen euro aan Nederlands hulpgeld werd aangelegd. Een prestigieus project om de economie van de straatarme provincie vooruit te helpen. ‘Onmogelijk’, kreeg De Boer gisteren nog te horen van gouverneur Omar Sherza, een oud-mujahedinstrijder met één arm. Volgens Sherza hebben de Taliban alle wegen afgesloten met mijnen en roadblocks. ‘We kunnen alleen per legerhelikopter naar Chora. Maar die gaat pas weer over twee weken.’ Zijn advies: ‘Blijf in Tarin Kowt.’ Een door de Volkskrant ingehuurde fixer (lokale assistent) was minder pessimistisch. ‘De eerste 6 kilometer van de weg zijn nog begaanbaar.’

En zo verlaten we deze morgen Tarin Kowt. Voor ons uit rijdt een pick-uptruck met vijf goed bewapende mannen, vrienden van onze fixer. We steken een grote brug over (De Boer: ‘Deze is door Nederland betaald’), slaan linksaf bij een politiepost (‘Ik geloof dat wij die ook hebben betaald’) en passeren een rij winkeltjes van vrouwelijke ondernemers (‘Mooi project was dat’).

Dan rijden we de provinciale weg naar Chora op. Een brede asfaltweg, dwars door de woestijn, richting de bergen. Links en rechts zijn ansichtkaart-achtige taferelen te zien; twee kinderen die spelen bij een rivier, een oude man die uitrust onder een amandelboom. Maar al na een minuut of tien trapt de fixer op de rem. ‘De frontlinie’, zegt hij. We zien kapotgeschoten huizen, verlaten akkers en in de verte wapperen de witte vlaggen van de Taliban. De Boer, nog altijd opgewekt: ‘Nou, de weg ligt er prachtig bij.’

Marten de Boer staat voor het eerst op de weg naar Chora.

Op pessimisme was hij al zelden te betrappen gedurende zijn tijd in Afghanistan. Hij weigerde mee te mopperen over onbetrouwbare stammenleiders en corrupte ambtenaren. Hoort er nu eenmaal bij, zei hij dan. Heb je altijd. Het maakte hem tot een opvallende figuur tussen de martiale types op Kamp Holland. Bij De Boer sloeg het gemoed pas om toen hij na vier jaar te horen kreeg dat de missie zou worden gestaakt. Dat uitgerekend de PvdA, de partij waarvan hij al veertig jaar lid was, er de stekker uit trok, kon hij niet begrijpen. ‘Ik was zó teleurgesteld dat ik mijn lidmaatschap heb opgezegd.’

Eenmaal omgekeerd op de asfaltweg komen we langs het heuveltje waarop de Timo Smeehuijzenschool staat, vernoemd naar de eerste van de 25 Nederlandse soldaten die sneuvelden in Afghanistan. Op de laatste foto die van Smeehuijzen is genomen, maakt hij lol op een geleende fiets met kinderen in Tarin Kowt, even later reed zijn rupsvoertuig op een bermbom.

Timo Smeehuijzen (1987-2007). Bron: Wikimedia

Nabestaanden en familie zamelden geld in voor een meisjesschool in Timo’s nagedachtenis. De locatie is slim gekozen, hier wonen veel Hazara’s, een sjiitische minderheid, die hun dochters graag naar school sturen. De Pashtuns doen dat minder.

We treffen geblakerde klaslokalen aan vol kogelgaten en raketinslagen. Zelfs de glijbanen op de binnenplaats zijn doorzeefd. ‘Taliban! Taliban!’, waarschuwt een Afghaanse soldaat vanaf een naastgelegen wachtpost van zandzakken. Hij gebaart naar de vallei. We zoeken dekking achter een muurtje, waar een buurman vertelt wat hier is gebeurd. ‘Een paar jaar geleden bezetten de Taliban de school. Ze namen alles mee om te verkopen, zelfs de raamkozijnen en de deuren. Het leger schoot eerst met raketten en reed daarna dwars door de poort heen. Ook onze huizen raakten beschadigd.’

De Taliban gebruikten de meisjesschool als fort. 

Armoede

De 70-jarige Nasirullah (witte baard, witte tulband) heeft zelf vier dochters die nooit naar school zijn geweest. ‘Dat past niet bij onze cultuur.’

De Boer: ‘Dus u was geen voorstander van de meisjesschool?’

Nasirullah: ‘Nee, nee.’

De Boer: ‘Maar als een van uw vrouwen of dochters ziek wordt, heeft u dan niet liever een vrouwelijke dokter die hen kan onderzoeken?’

Nasirullah: ‘Eh ja, dat wel.’

De Boer: ‘Herinnert u zich nog de Nederlandse militairen?’

Nasirullah: ‘Natuurlijk! Een mooie, vredige tijd. Alles was veilig en we konden overal naartoe rijden. Er waren nergens problemen.’

Na het vertrek van de buitenlanders, zegt de buurman, namen het geweld en de armoede overal in de provincie toe. Weer in de auto staart De Boer beduusd uit het raam. ‘Kun je nagaan’, zegt hij. ‘Wij vonden Uruzgan een gevaarlijke en instabiele omgeving. Maar nu denken bewoners met nostalgische gevoelens terug aan die tijd. Als aan een vredig paradijs!’

  • Bewoners van Tarin Kowt, de hoofdstad van Uruzgan.

Afwezige overheid

Toen de Nederlandse militairen in 2006 in Uruzgan arriveerden, gingen kinderen daar nauwelijks naar school: 0,4 procent van de meisjes en 8 procent van de jongens. Bijna nergens anders ter wereld lagen de cijfers zo laag. De economie beperkte zich voornamelijk tot akkertjes voor eigen gebruik. Wegen om landbouwproducten vlot naar de markt te krijgen, ontbraken. Slechts zes ontwikkelingsorganisaties durfden in Uruzgan te werken, de overheid was grotendeels afwezig.

‘We hebben er hard aan getrokken, samen met de Australiërs’, zegt De Boer. ‘We bouwden wegen, gebouwen, markten, irrigatiekanalen, een vliegveld, maar ook telecommasten en zonnepanelen.’ Het percentage schoolgaande meisjes steeg naar ruim 6 procent. Ook het aantal leraren, verpleegkundigen en vroedvrouwen nam toe. Na vier jaar waren 46 hulporganisaties neergestreken in Uruzgan, plus allerlei Afghaanse overheidsdiensten en VN-organisaties. De Boer: ‘Ik moest veel deuren platlopen in Kabul.’

Een jonge familie in Uruzgan. Zij is vroedvrouw, hij verpleegkundige. Het is bijzonder dat een vrouw mag werken in Uruzgan. 

Dat de Taliban inmiddels weer het grootste deel van de provincie in handen hebben, wil nog niet zeggen dat de meisjes en vrouwen in Uruzgan helemaal terug bij af zijn. Niet als het aan Mohtab Mohamadi (40) ligt, tenminste. Mohamadi is directeur van de Malilai School, een andere middelbare school voor meisjes die werd gerenoveerd door Nederland en Australië. ‘We zijn gegroeid van 25 naar 1.600 leerlingen, vertelt zij, als we haar een bezoek brengen. ‘Steeds meer ouders willen dat hun dochter een opleiding krijgt.’ Wat is er gebeurd met de meisjes van de Timo Smeehuijzenschool, vraagt De Boer. Mohamadi stelt hem gerust: 180 tot 200 meisjes krijgen voorlopig les in een woonhuis verderop.

Zelf woonde Mohamadi jaren in Iran, volgens haar een verademing voor vrouwen vergeleken met Uruzgan. Nu leidt ze een netwerk van 33 vrouwen, onder wie veel leraren, die opkomen voor vrouwenrechten. ‘Ik ga regelmatig naar de gouverneur en spreek op de radio.’ Daar legt zij dan maar weer eens uit dat nergens in de Koran staat dat vrouwen niet naar school mogen of niet mogen werken. ‘Nee, dat vinden veel mannen niet leuk. Als ik achter me op straat een motorfiets hoor, ben ik altijd bang dat de Taliban me hebben gevonden.’

Directeur Mohtab Mohamadi (links) van de Malilai meisjeschool, samen met een lerares (rechts). Beiden horen bij een netwerk dat zich inzet voor vrouwenrechten. 

Omsingeld

’s Avonds belanden we weer in de compound van de gouverneur. Daar stromen net de laatste veiligheidsmeldingen binnen uit de districten. De stafchef zit op een grote fauteuil naast zijn bed, met drie telefoons en twee afstandsbedieningen. Ter verhoging van de sfeer heeft hij een rood plafondlicht aan gedaan. Terwijl hij met één oog getallen noteert – 27 dode Taliban en agenten in Gizab, 17 gevangenen in Deh Rawod – kijkt hij met een ander oog naar muziekvideo’s op tv. ‘Zo gaat het iedere avond’, zegt hij. Ter illustratie appt hij foto’s door van dode agenten en Talibanstrijders: jongemannen liggend in het stof, half over elkaar gevallen, hun kleren doorweekt met bloed. De stafchef: ‘Die papieren op hun borst zijn Pakistaanse identiteitsbewijzen.’ Wat volgens hem aantoont wie de opstand organiseert.

We zijn omsingeld, maar kennelijk went alles. De stafchef viert zijn verloving met een meisje dat in Kabul woont en de buitenlanders zijn van harte uitgenodigd. De Boer aarzelt geen moment als het tijd is voor de nationale Afghaanse dans. In zijn Pashtun-outfit klapt en draait hij in de rondte, jonge soldaten leggen hun kalasjnikov neer en dansen met overgave op het podium.

‘Willen jullie misschien zelf met de Taliban bellen?’, vraagt ingenieur Hashim Azizi de volgende dag. De grote, goedlachse man is verantwoordelijk voor alle bouwprojecten van de Afghaanse overheid in Uruzgan. Na het vertrek van Nederland (2010) en Australië (2014) slonk zijn budget naar eigen zeggen met 90 procent. Nu draait Hashim nog 45 projecten, zoals het uitdelen van voedselpakketten en het bouwen van watertorens op kosten van de VN. Voor ieder project buiten Tarin Kowt vraagt hij toestemming aan de Taliban. ‘Dat werkt inmiddels goed. Ik zeg wel dat jullie buitenlanders op zoek zijn naar een nieuw project.’

Bellen met de Taliban, zo blijkt, is gewoon bellen met een tribale leider uit Uruzgan, Mullah Hamidullah Akhundzada genaamd. ‘Meneer de ingenieur!’, zegt hij tegen Hashim, ‘zoals u weet dienen wij dankbaar het volk. Alle ontwikkelingsprojecten zijn toegestaan in het emiraat, mits transparant en mits het geld niet in de zakken van een privépersoon verdwijnt.’ Hashim: ‘De weg naar Chora is gebouwd door de Nederlanders. Mijn gasten vragen zich af waarom die weg is geblokkeerd.’ Akhundzada: ‘Dat is voor de veiligheid van bewoners en geldt alleen voor de frontlinie. God is mijn getuige, broeder, dat is de enige reden.’

Uruzgan is voor het overgrote deel in handen van de Taliban. Beeld: VK Graphics 

Hogeschool

Ook de volgende dagen bezoeken we samen met De Boer een aantal projecten waarvoor hij verantwoordelijk was. We zien kaarsrechte waterkanalen, kloeke barrières tegen overstromingen, betonnen bruggen, een grote groene visvijver en een fraai opgeknapte buurt met kasten van huizen.

‘Goedemorgen, hoe gaat het?’, begroet Ezzatullah Murad ons in gebroken Nederlands. Murad is directeur van de landbouwhogeschool NAEC in Kabul, waar jongens en meisjes uit heel Afghanistan welkom zijn. De school werd, net als de landbouw-mbo in Uruzgan, opgezet door De Boer, met hulp van de Universiteit Wageningen. Zelf behoorde Murad tot een groep van 22 studenten die op kosten van Nederland in Wageningen mochten studeren. Murad: ‘Alles is daar anders. De student staat centraal en er is veel aandacht voor de praktijk; het tegenovergestelde van het Afghaanse onderwijssysteem.’

Studenten aan de door Nederland gebouwde landbouwhogeschool. De school werkt samen met de Universiteit Wageningen. 

Zo gaan we dat thuis ook doen, bedacht de groep. Met hulp van hun voormalige docenten uit Wageningen ontwikkelden de landbouwkundigen een nieuw curriculum. Murad loopt een praktijkruimte binnen waar jongens en meisjes chips aan het bakken zijn. ‘Zij moeten samen een nieuw product introduceren, inclusief marktonderzoek, businessplan, microlening en marketingcampagne.’ Op een bord staan tekeningen van een verpakking en de merknaam: frisse lente.

In de bibliotheek, in het lab, op proefveldjes buiten: overal werken leerlingen gezamenlijk aan projecten. Er zijn studiebegeleiders voor persoonlijke problemen en zelfs een workshop ‘hoe overtuig je vader’. Murad: ‘Die boert al veertig jaar op zijn manier. We adviseren hem eerst te vragen om een proefveldje of een proefboom. Na een jaar gaat hij vanzelf om.’

Sinds de opening in 2011 studeerden 1.080 studenten af aan het NAEC, onder wie 212 meisjes. Plus 650 leraren van lagere agrarische scholen in de provincies. Sommige leraren werken nu op de universiteit van Kabul, waar ze projectgericht onderwijs introduceren. Murad: ‘We zijn uitgegroeid tot een kenniscentrum voor onderwijsvernieuwing.’ De Boer glimlacht van oor tot oor: ‘Geweldig toch, hoeveel impact één groepje studenten op een heel land kan hebben.’

De landbouwhogeschool NAEC ligt aan de rand van de Afghaanse hoofdstad Kabul. 

Het bezoek eindigt, zoals alle bezoeken die De Boer deze week aflegt, met een dringend verzoek aan Nederland. ‘We zijn heel dankbaar voor de financiering van de afgelopen tien jaar, maar die loopt af in 2021’, zegt de directeur. ‘Blijft Nederland wel onze salarissen betalen?’ De Boer heeft al gehoord dat Buitenlandse Zaken waarschijnlijk gaat stoppen met het NAEC. Het ministerie wil zich liever richten op verbetering van de rechtsorde. ‘Ik hoop het’, zegt De Boer.

Eenmaal buiten: ‘Begrijp jij dat nou? Dit project loopt fantastisch. Het is belangrijk voor de ontwikkeling van Afghanistan en sluit goed aan bij de kennis en vaardigheden van Nederland. En dan trekken ze er waarschijnlijk toch weer de stekker eruit.’

Controle kwijt

Wat er kan gebeuren met projecten als niemand meer de controle heeft, wordt duidelijk in het provinciale ziekenhuis in Uruzgan. ‘Als je wilt zien hoe wij het geld van de internationale gemeenschap hebben verkwanseld, ben je hier aan het goede adres’, zegt directeur Amin Ula Tokhi (70). De statige geneesheer in zijn witte labjas wijst op grote scheuren in het gebouw, dat pas een jaar oud is. ‘We zaten beter in ons vorige gebouw, dat door Nederland is gebouwd. Prima kwaliteit en goed bereikbaar voor patiënten.’

Dokter Tokhi loopt langs de kraamafdeling, waar tientallen vrouwen in boerka op de grond zitten, en langs verpleegzalen waar zwaargewonde agenten liggen. Hij merkt dagelijks dat de veiligheid is verslechterd in Uruzgan. ‘Sinds de wegen zijn geblokkeerd, maken patiënten lange omwegen door de bergen. Sommigen bloeden onderweg dood.’ De Boer baalt dat het ziekenhuis is verplaatst. ‘Het verbaast me niet. Kennelijk moest iemand met macht wat geld verdienen.’

Tijdens een lunch van okra, rijst met rozijnen en zoute melk, achteroverliggend op een matras, maakt De Boer de balans op. Hij heeft deze dagen al meer van Tarin Kowt en omgeving gezien dan in de vier jaar dat hij in Kamp Holland en Kabul woonde in zijn diplomatenbubbel. Zo’n ‘bubbel’ bestaat in alle ontwikkelingslanden, zegt De Boer, maar nergens is die zo sterk als in het onveilige Afghanistan. ‘Natuurlijk gaat dat ten koste van de kwaliteit van het ontwikkelingswerk. We hadden meer kunnen bereiken als we iets meer durf hadden gehad.’

Inwoners wachten op noodhulp voor het kantoor van een Afghaanse hulporganisatie. De toenemende onveiligheid zorgt voor armoede. 

Toch is hij niet ontevreden. Veel Nederlandse ontwikkelingsprojecten bestaan nog, de bazaar is druk, het onderwijs en de gezondheidszorg zijn niet ingestort, en buiten de frontlinies worden de meeste akkers bewerkt. De Boer maakte zich zorgen over Hashims projecten vanwege corruptie bij de Afghaanse overheid. ‘Maar het valt me alleszins mee.’

Waarvan onvoldoende is terechtgekomen, concludeert De Boer, is veiligheid. ‘Het duurde lang voordat onze taskforce voldoende inzicht had in het krachtenspel tussen de krijgsheren en stamhoofden.’ Wat daarbij zeker niet hielp, zegt hij, is dat de Nederlanders niet mochten praten met de machtigste mannen in de provincie – een extra eis van de Tweede Kamer uit vrees voor mensenrechtenschendingen.

Dat de Taliban weer de macht in handen hebben, is volgens De Boer minder rampzalig dan het klinkt. In hun districten is nu ook enige ontwikkeling mogelijk. Gezondheidszorg, onderwijs voor jongens, infrastructurele projecten. Tien jaar geleden waren die laatste twee ondenkbaar.’

Alleen als de ontwikkeling van heel Afghanistan ter sprake komt, begint het optimisme van De Boer te wankelen. ‘Ongelooflijk, zó veel gemiste kansen’, verzucht hij. ‘Dit land had een grote sprong voorwaarts kunnen maken, met al die buitenlandse deskundigen en miljarden, maar die kans hebben ze laten lopen door onderlinge verdeeldheid.’

Een bewaker op de compound van de gouverneur in Tarin Kowt. 

Jongste parlementariër

Pling! Een appje uit Kabul. Afzender: Gulali Mohammadi, een 27-jarige vrouw die op kosten van Nederland een opleiding tot vroedvrouw volgde en zich nu als jongste parlementariër van Afghanistan inzet voor vrouwenrechten. Het Afghaanse parlement heeft ontdekt dat De Boer weer in het land is, schrijft Mohammadi. ‘De voorzitter wil graag zijn waardering laten blijken.’

Een paar dagen later rijdt De Boer op de achterbank van een gepantserde Land Cruiser naar het blinkende parlementsgebouw in de hoofdstad. Zijn mokkakleurige gewaad en stoffige pakol heeft hij verruild voor een donkerblauw kostuum en blauwe stropdas.

Marten de Boer op weg naar het parlementsgebouw in Kabul. 

‘Holland is een van de beste vrienden van Afghanistan’, zegt parlementsvoorzitter Mir Rahman Rahmani met plechtige stem in een kamertje vol vlaggen. ‘Wij waarderen alles wat u heeft gedaan voor de provincie Uruzgan!’ De voorzitter overhandigt een rijkversierde tevredenheidsbetuiging in aanwezigheid van zes vrouwelijke parlementsleden, onder wie Mohammadi. De Boer is zichtbaar geraakt. Hij eindigt zijn dankwoord met: ‘Ik ontving ook een tevredenheidsbetuiging van mijn eigen minister. Maar deze is mij meer waard, deze komt van de bevolking van Afghanistan.’

Het bezoek van De Boer aan Uruzgan zit erop. Met welk gevoel keert hij terug naar Nederland? ‘Ons belangrijkste resultaat is immaterieel’, zegt hij. ‘We hebben een zaadje geplant. Mensen opgeleid die de kar verder moeten trekken.’ Soft development, noemt hij dat. De landbouwhogeschool in Kabul, Gulali Mohammadi: betere voorbeelden zijn er wat hem betreft niet te bedenken. Ontwikkeling, zegt De Boer, is een kwestie van generaties. ‘Je kunt een land niet overnight veranderen. Die arrogantie heb ik lang geleden afgeleerd.’

Marten de Boer: ‘Ik ontving ook een tevredenheidsbetuiging van mijn eigen minister. Maar deze is mij meer waard, deze komt van de bevolking van Afghanistan.’

Onderzoek Cordaid

In opdracht van de Nederlandse hulporganisatie Cordaid bezochten enquêteurs van het onafhankelijke Afghaanse onderzoeksbureau The Liaison Office (TLO) twee maanden lang alle zes districten in Uruzgan. Zij legden dorpsoudsten, Talibanleiders en overheidsambtenaren een vragenlijst voor die werd opgesteld in samenwerking met de Volkskrant. De uitkomsten kunnen vergeleken worden met eerdere TLO-rapporten uit 2006 en 2010 (het begin en eind van de Nederlandse Uruzganmissie).

Hun conclusie: de Taliban hebben vrijwel de hele provincie in handen. Doorgaande wegen zijn geblokkeerd, de armoede is toegenomen en de meeste meisjesscholen zijn gesloten. Belangrijke buitenlandse ontwikkelingsprojecten zoals wegen, scholen en klinieken, functioneren nog wel. Tijdens de vredesbesprekingen van dit najaar met de Afghaanse regering voeren de Taliban meer aanvallen uit op politie- en legerposten. Tegelijkertijd staan ze in sommige districten weer ontwikkelingsprojecten toe (infrastructuur, jongensscholen, klinieken). Lees hier het volledige rapport.

Lees door over Uruzgan

Tien jaar nadat de laatste Nederlandse militair de Afghaanse provincie Uruzgan verliet, blijken veel Nederlandse wederopbouwprojecten daar nog goed te functioneren, blijkt uit nieuw onderzoek.

Er zal democratie zijn en meisjes mogen naar school, beloven de Taliban in historische onderhandelingen met de Afghaanse regering. In hoofdstad Kabul snakt men naar vrede, maar heerst ook argwaan.

Volg ons