Die ene patiënt

Vijf zorgverleners over die ene coronapatiënt: ‘Ik heb staan huilen achter mijn masker’

Vijf zorgverleners vertellen over die ene coronapatiënt die zoveel indruk op ze heeft gemaakt dat ze er iets van hebben geleerd. Een voorpublicatie uit de uitgebreide editie van het boek Die ene patiënt dat eind deze maand verschijnt.

Tot de maan en terug

Intensive care-verpleegkundige Laurien Kuipers (26), Amsterdam UMC:

‘Hans was overgeplaatst uit een ander ziekenhuis, hij kwam eind januari doodziek bij ons binnen. Een jonge man nog, begin veertig, met een raadselachtige aandoening. Hij was halfzijdig verlamd geraakt, kon niet meer slikken, na verloop van tijd moest hij worden beademd. Er werd gedacht aan een ontsteking van de hersenstam, veroorzaakt door het herpesvirus, de artsen overlegden zelfs met buitenlandse neurologen. Maar bloedonderzoek, scans, een beenmergpunctie, niets kon duidelijkheid geven.

‘Zijn vrouw Marleen kwam elke dag op bezoek, ze was hoogzwanger van hun derde kind, maar het ging zo slecht met hem dat hij niet bij de geboorte zou kunnen zijn. Samen met een collega heb ik geregeld dat ze in ons ziekenhuis kon bevallen, zodat ze nog een beetje bij elkaar in de buurt waren. Op het letterbord had hij een boodschap geschreven en hij vroeg mij om die door te geven. Wil je haar zeggen, schreef hij, dat ik van haar hou tot de maan en terug? Die maandag ben ik heen en weer gelopen tussen de intensive care en de afdeling verloskunde, twee etages hoger. In de loop van de middag zijn ze gaan facetimen. Er is een foto waarop hij de telefoon vasthoudt die zijn pasgeboren zoon in beeld brengt. Hij was zo blij met Gijs.

‘Wat was hij gemotiveerd om weer beter te worden, hij moest naar huis, zei hij, naar de kleine Gijs, en naar zijn twee andere kinderen Stan en Anna die hem al zo lang niet hadden gezien. Na twee maanden kwam hij in aanmerking voor een experimentele behandeling, we hadden goede hoop dat hij daarna naar een revalidatiecentrum zou kunnen. We deden van alles om hem te helpen, regelden dat zijn vrouw een keer naast hem in bed kon liggen, en ook zijn pasgeboren zoontje heeft hij een paar keer kunnen vasthouden. Alleen ’s nachts kwamen de waanbeelden, hij werd vaak zo bang. Dan vroeg hij of ik over mezelf wilde vertellen en hij onthield alle details. Zo ontstond een band die steeds hechter werd. Ik ben zo blij dat jij er bent, zei hij vaak, want jij was erbij toen Gijs werd geboren.

‘Een week of zes na zijn opname begon ook bij ons de ic vol te stromen met coronapatiënten. Steeds meer bedden werden gereserveerd, hij moest een paar keer verhuizen. Het maakte hem angstig, dat coronavirus krijgt me te pakken zei hij, ik moet alert blijven.

‘En toen gebeurde waar hij zo bang voor was. Voorafgaand aan de nieuwe behandeling werd hij voor de zekerheid op corona getest. De test bleek positief. We werkten zo veilig als maar kon, toch moet hij de besmetting in het ziekenhuis hebben opgelopen.

‘Hij moest razendsnel naar een geïsoleerde afdeling, zijn vrouw mocht niet meer langskomen. De eerste avond ging het nog prima, toen ik aan mijn avonddienst begon, zat hij naast zijn bed een filmpje te kijken. Hij was fit, maakte grapjes. Maar de avond erna zag ik al bij binnenkomst aan de blik in zijn ogen dat het mis was, ik kende hem te goed. Huilend zat ik op de fiets naar huis. Hij gaat dood, dacht ik, en hij laat drie jonge kinderen achter.

‘Die nacht heeft hij een zware epileptische aanval gehad. Op de foto’s zie je dat hij er toen al niet meer was, zijn blik gaat dwars door je heen. Zijn vrouw stuurde me een filmpje dat ze voor hem had gemaakt, met beelden van de kinderen en zijn lievelingsmuziek eronder. Ze vroeg me of ik dat wilde afspelen. Dat heb ik gedaan, ik heb staan huilen achter mijn masker.

‘Vijf dagen na de coronatest is hij overleden. De scans die na zijn dood zijn gemaakt laten zien dat er van zijn hersenen niets meer over was. Hij was kansloos, zijn afweer was al ernstig aangetast, het coronavirus zat in al zijn organen.

‘Op de dag dat hij stierf, was ik niet aan het werk, ik had een gesprek over mijn afstudeeropdracht. In ons computersysteem las ik dat hij zou overlijden. Ik was erbij toen zijn zoon werd geboren, maar de laatste momenten van zijn leven heb ik gemist en dat vind ik nog altijd heel erg. Het liefst was ik naar hem toe gelopen maar dat mocht niet, we hadden te weinig beschermende kleding.

‘In een normale wereld was ik met mijn collega’s naar de uitvaart gegaan, nu heb ik thuis via internet naar de dienst gekeken en afscheid van hem genomen. Meteen na zijn dood zwol de stroom coronapatiënten aan en kregen we het druk. Te druk om zijn vrouw goede nazorg te geven, te druk ook om het zelf te verwerken. Ik kan nog steeds heel erg verdrietig zijn om zijn dood. Stilstaan bij het leven, dat is wat Hans me heeft geleerd, want kijk eens hoe snel het afgelopen kan zijn.

‘Zijn vrouw heeft voor ons allemaal een pen laten maken met daarop een stukje van de boodschap die hij me die maandagmorgen meegaf: ’Bedankt tot de maan en terug.’

Laatste uren

Verzorgende Julian Hooikaas (22), zzp’er:

‘Het was een maandagnacht en we dachten dat hij het zou gaan halen. Hij lag met covid op onze verpleegafdeling, een man van in de zeventig met zoveel bijkomende gezondheidsproblemen dat we samen hadden besloten dat hij niet naar de intensive care zou gaan. Ik was net begonnen aan mijn nachtdienst, had mijn eerste rondje gelopen, het ging redelijk goed met hem. Vijf minuten later ging de bel en lag hij in bed naar adem te happen.

‘Het was in die tijd vechten om een plek in het ziekenhuis. De corona-epidemie was op zijn hoogtepunt, ik werkte nog maar net als invalkracht op een inderhaast opgetuigde verpleegafdeling met 75 bedden. De ziekte was zo onvoorspelbaar, patiënten konden zonder aankondiging opeens dramatisch verslechteren, het was een onwerkelijke situatie. De nacht ervoor waren op onze afdeling 22 patiënten overleden. Zonder hun dierbaren naast zich. Het hakte erin bij ons team, toen de ochtend aanbrak, hadden we met zijn allen staan huilen in de hal.

‘En toen kwam deze man, het zag ernaar uit dat hij sterfgeval nummer 23 zou worden. Ik moest zijn enige dochter het slechte nieuws brengen. Ze bleek in een ziekenhuis te liggen aan de andere kant van het land waar ze een zware kankerbehandeling onderging. Ze vroeg of ze kon langskomen, ze wilde alles op alles zetten om haar vader nog te zien. Maar we kampten met een groot gebrek aan beschermende kleding en het leek ons ook geen goed idee om een kankerpatiënt met dit virus in aanraking te laten komen. Ze barstte in huilen uit. Haar vader was er altijd voor haar geweest, vertelde ze me, na iedere operatie, bij iedere chemo had hij naast haar bed gezeten en nu kon ze in zijn laatste uren niet bij hem zijn?

‘Alle coronapatiënten die ik tot dan toe had zien overlijden, waren onbekenden gebleven, zo snel was het gegaan, maar nu stond ik daar, buiten in de heldere, koude nacht en het lukte me niet meer om mijn emoties uit te schakelen. Haar woorden lieten me zien wat voor man dit was, een zorgzame vader die zijn kind door een lijdensweg had proberen te loodsen. Het is een moment dat ik nooit zal vergeten, ik voelde dat ik niet afzijdig kon blijven, ik moest iets doen.

‘Ik heb mijn laptop uit de auto gehaald, die op zijn nachtkastje gezet en zijn dochter daarna mijn skype-adres gegeven. Zo kon zij hem honderden kilometers verderop op haar beeldscherm zien, tegen hem praten en bij hem waken. Halverwege de nacht haakten ook zijn beide kleinzoons nog aan. Hij heeft haar stem nog gehoord, ze zei dat het goed was, en ik zag hoe rustig hij daarvan werd. Ik kon niet lang bij hem blijven, de bel bleef maar gaan, af en toe had ik tijd om even naar hem toe te lopen. Tegen 6 uur die ochtend belde zijn dochter naar de afdeling, ze hoorde hem niet meer, of ik even wilde gaan kijken. Hij bleek te zijn overleden.

‘Een week later nam ze contact met me op, ze bedankte me voor de kans die we haar hadden geboden om afscheid te nemen. Ik had niet anders gedaan dan mijn vak uitoefenen, vond ik, maar toch betekende haar waardering veel voor me. Wat kan een klein gebaar soms veel uitmaken. Het had me nog geen half uur van mijn tijd gekost maar daardoor waren vader en dochter in die laatste nacht toch nog dicht bij elkaar geweest. Kort daarop kregen we op onze afdeling tablets en konden we gaan beeldbellen met familie van patiënten.

‘Het heeft een poosje geduurd voordat ik zijn dood uit mijn hoofd kon zetten. Ik ben eraan gewend dat patiënten kunnen overlijden, voorheen lukte het me altijd om me daarvoor af te sluiten. Maar in die weken heb ik na afloop van mijn dienst een paar keer vloekend in de auto gezeten, uit onmacht, omdat ik in zo’n slagveld terecht was gekomen. Die ziekte was zo eng, de patiënten waren zo bang, de spanning op de afdeling was voelbaar. We droegen een masker, een spatbril, een haarnetje en een overall met voetjes, na een halve nacht stonden we tot onze enkels in het zweet, wadend door een denkbeeldig moeras. We konden onszelf vanachter dat masker ook nauwelijks verstaanbaar maken, ik communiceerde met patiënten door teksten in te tikken op mijn ingepakte mobiele telefoon.

‘En als ik dan na mijn werk thuiskwam, ging het op tv, in de krant, op internet alleen maar over corona, er was geen ontkomen aan. Nachtenlang heb ik over het strand gelopen, daar kon ik verdrietig zijn zonder iemand tegen te komen. Zo heb ik verwerkt wat er allemaal is gebeurd, door te huilen en te schreeuwen tegen de ruisende zee.’

Helemaal alleen

Ic-verpleegkundige José Schroe (57), Zuyderland MC, locatie Heerlen:

‘Ze lag al een paar dagen in ons ziekenhuis en toen ze die zaterdagmorgen naar de intensive care werd overgeplaatst, wist ze wat er kon gebeuren. Voordat mijn avonddienst begon, had ze me al geappt, ik trof haar aan met hoge koorts, ze was benauwd en ellendig. Meta, de intensivecarearts die ik al ruim twintig jaar ken, was nu opeens patiënt op haar eigen afdeling, geveld door dat nieuwe virus waarvan ze zelf had gezien wat het kon aanrichten.

‘Ze voelde aankomen dat ze kunstmatig beademd zou moeten worden en ze was doodsbang voor de gevolgen. Er was een kans dat ze nooit meer wakker zou worden maar haar man, haar kinderen, haar ouders, de mensen van wie ze hield, mochten vanwege besmettingsgevaar niet langskomen. Ze moest het alleen doen en dat was hartverscheurend. Ze was overstuur en ze huilde. Welke pijn was groter, vroeg ik me af: de angst om dood te gaan of het verdriet om niet meer te kunnen zeggen wat je wilt zeggen tegen de mensen die alles voor je betekenen in het leven?

‘Ik stelde voor om videoboodschappen op te nemen op haar telefoon, dat zou haar misschien wat rustiger maken. Zal ik weggaan?, vroeg ik haar, maar nee, ze wilde dat ik erbij bleef, en dus zat ik naast haar bed, helemaal ingepakt in beschermende kleding en hield ik de telefoon vast terwijl zij de filmpjes opnam. Zo overstuur als ze eerst was, zo rustig was ze bij de opnames, alsof ze haar geliefden wilde beschermen en het niet nog moeilijker voor hen wilde maken.

‘Ik voelde me een indringer, wilde niet luisteren naar wat ze vertelde maar ik moest wel, en zo werd ik deelgenoot van de meest intieme minuten van haar leven. Hoe kon ze zo rustig blijven terwijl ze niet wist of ze haar gezin ooit nog zou terugzien? Ik heb mezelf vermanend toegesproken, ik moest kalm blijven, er voor haar zijn. Maar ik herinner me dat ik slikte en slikte, om de brok in mijn keel weg te krijgen. Dat moment aan haar bed heb ik diep weggestopt, als ik eraan terugdenk, word ik emotioneel.

‘Daarna ging het snel. Vlak voordat ze in slaap werd gebracht gaf ze nog instructies, dat we moesten voelen of ze koude benen had en welke katheter we moesten gebruiken. Daar konden we te midden van alle ellende, nog wel om lachen: dat Meta tot het laatst de regie wilde houden. Toen ze eenmaal doodstil, in slaap, op haar buik lag, kwam er rust. We hadden voor haar gedaan wat we konden, ze moest het nu zelf gaan doen.

‘Mijn collega’s vonden het emotioneel te belastend om haar te behandelen, daarom is ze diezelfde nacht nog overgeplaatst naar een ander ziekenhuis. Ik begreep dat aanvankelijk niet, ze was één van ons, we zouden heel goed voor haar zorgen. Maar toen ik er wat langer over nadacht, drong tot me door dat het inderdaad beter was om wat afstand te houden.

‘Die avond merkte ik voor het eerst dat ik indrukken en gevoelens af en toe moest wegstoppen om verder te kunnen. Nooit eerder is de zorg voor patiënten me zo zwaar gevallen als tijdens de coronacrisis. Dat beeld van Meta, helemaal alleen terwijl ze vocht voor haar leven, laat me niet los. Artsen en verpleegkundigen zijn vanwege hun harde werk als helden vereerd maar de echte helden waren de familieleden die bezorgd en angstig thuis zaten, gescheiden van hun geliefden. Wat een onverdraaglijk leed heeft dat veroorzaakt. Ik heb mijn best gedaan om dat gemis een beetje op te vangen, door bij het bed van patiënten foto’s op te hangen, door muziek te draaien, en zo goed mogelijk voor ze te zorgen.

‘Meta heeft het gered, na tien dagen mocht ze van beademing af. Wat waren we opgelucht toen dat bericht binnenkwam. Ze is teruggebracht naar ons ziekenhuis, daarna heeft ze wekenlang in een revalidatiecentrum gezeten. Ik heb haar laatst thuis opgezocht. Ze is er nog lang niet maar ze straalde en dat deed me zo goed.

‘Er lijkt iets veranderd tussen ons. Meta was altijd vriendelijk maar ze bleef beheerst, ze hield afstand. Toen ze zo verdrietig was die zaterdagmiddag, heb ik haar hand gepakt. Ik wist niet of ze dat fijn vond, ik deed gewoon wat in me opkwam. Toen ik haar terugzag, merkte ik wat dat met haar had gedaan. In de moeilijkste uren van mijn leven heb jij me geholpen, zei ze. Het voelt alsof onze wegen elkaar heel even hebben gekruist. We delen iets wat zo indrukwekkend is dat we dat allebei nooit zullen vergeten.’

Anoniem

Anesthesioloog David Pattyn (51), Jeroen Bosch ziekenhuis:

‘Alleen hun ogen herinner ik me, grote ogen die weerspiegelden hoe bang ze waren voor wat er ging komen. Ik zag ze naar adem happen, omringd door volslagen vreemden in maanpakken die vanachter beschermend plexiglas woorden spraken die ze niet verstonden. Helemaal alleen, zonder hun dierbaren, die ze misschien nog iets hadden willen toevertrouwen voordat ze verdwenen in een niemandsland waarvan niemand wist of ze er ooit nog uit zouden komen.

‘Toen de corona-epidemie aanzwol, spraken we in ons ziekenhuis af dat de anesthesiologen zouden assisteren met het technische werk. Als patiënten er zo slecht aan toe waren dat ze beademd moesten worden, zouden wij ze in slaap brengen, intuberen en de katheters aanleggen waarmee medicijnen kunnen worden toegediend. Dat is ons dagelijks werk in de operatiekamer, daar zijn we goed in, en zo konden de ic-artsen zich richten op de zorg voor de patiënten, op een afdeling die al snel overvol raakte.

‘We zijn gewend om patiënten gerust te stellen, voorafgaand aan een operatie leggen we uit wat er gaat gebeuren, maar in de maanden dat corona ons ziekenhuis leek te hebben overgenomen, verdween de menselijke maat. Zoveel patiënten, met allemaal dezelfde ziekte, die we probeerden te bereiken vanachter onze plexiglas helm die onze woorden liet verstommen, de ic vol slapende mensen, vaak beademd in buikligging waardoor ze niet eens meer een gezicht hadden en allemaal alleen, omdat familie wegens besmettingsgevaar niet mocht langskomen.

‘De covid-patiënt was een anonieme patiënt, er is niemand die me is bijgebleven, ik heb hooguit wat details onthouden. En toch heeft juist die anonimiteit grote indruk op me gemaakt.

‘De patiënten die wij moesten beademen, hadden kort daarvoor te horen gekregen welke risico’s dat met zich meebracht, dat het niet zeker was dat ze het zouden overleven. In hun ogen zagen we een soort fatalisme, een besef van ‘dit was het dan’, een blik die ons allemaal beroerde. Ze moeten extreem angstig zijn geweest vlak voordat we ze in slaap brachten. De eerste keer dat ik een covid-patiënt moest intuberen, drong dat nog niet zo tot me door, ik schrok vooral omdat de man voor onze ogen zo hard onderuit ging, in een halve minuut werd hij asgrauw.

Ik zag pas goed wat er gebeurde toen ik mijn camera meenam naar het ziekenhuis. In mijn vrije tijd ben ik natuurfotograaf, tijdens de coronacrisis had ik voor het eerst de behoefte om vast te leggen wat zich op onze afdeling afspeelde. Toen ik aan de zijlijn stond en door de lens keek, merkte ik ineens hoe moeizaam de communicatie verliep. Wat mijn collega’s zeiden, was zelfs voor mij nauwelijks te verstaan, maar hun woorden kwamen ook niet binnen bij de patiënt. Die was maar met één ding bezig, voldoende zuurstof binnenkrijgen. Er was geen tijd om te vragen hoe hij zich voelde, geen kans om even contact te maken.

‘Goed communiceren met de patiënt en de familie: als dat opeens niet meer lukt, dan zie je pas hoe essentieel dat is. We deden wat we konden om goede zorg te geven maar wij waren onbekend en onherkenbaar voor de patiënten, de patiënten waren anoniem voor ons. We konden niet meer bieden dan technische handelingen en dat gaf me een groot gevoel van onmacht en vervreemding.

‘Toen ik later op de ic ging fotograferen, zag ik hoe ook daar een onwerkelijke sfeer was ontstaan. Nooit eerder was het er zo hectisch en toch heerste de stilte. Op de achtergrond klonken alleen de piepjes van de infusen en het zachte gebrom van de beademingsmachines. Op mijn foto’s zijn de patiënten niet zichtbaar, je zou het symbolisch kunnen noemen voor wat er aan de hand was.

‘De foto’s wil ik bundelen voor mijn collega’s. Over een paar jaar zijn we misschien vergeten hoe intensief deze periode is geweest. Dan laten de beelden zien hoe hard er is gewerkt, hoe geconcentreerd we waren en hoe groot de saamhorigheid was. Onze onderlinge band is verbeterd, we weten nu dat we op elkaar kunnen rekenen als het erop aankomt. Maar wat de patiënten hebben moeten meemaken, is verschrikkelijk: helemaal alleen in het ziekenhuis en niet weten of je er dood of levend uit zult komen. En er was niets wat wij konden doen om hun angst en eenzaamheid weg te nemen. We konden alleen maar tegen ze zeggen dat we heel goed voor ze zouden zorgen.’

Alles afgenomen

Verpleegkundige Jolinde den Dekker (39), verpleeghuis Het Gasthuis in Gorinchem:

‘Het was een intelligente man, een man die de wereld kende, en nu was hij in ons verpleeghuis achter gesloten deuren terecht gekomen. Hij had een typische vorm van dementie die werd veroorzaakt door tia’s en epileptische aanvallen, zijn vrouw had het lang thuis geprobeerd maar het ging echt niet meer. In zijn heldere momenten kwamen we tot goede gesprekken. Ik voel me hier net een gekooid dier, zei hij dan, ik snak naar vrijheid.

‘We spraken erover met zijn familie, zou hij geholpen zijn met een gps-systeem? In overleg besloten we zo’n kastje voor hem te kopen, we oefenden ermee en dat ging goed. Zo liep hij iedere morgen zelf naar de kinderboerderij in de buurt, terwijl wij hem op ons computerscherm konden volgen. De boerderij was ingelicht, er zat een restaurant bij waar hij altijd koffie ging drinken met een chocolaatje erbij. Zijn zoon ging wekelijks langs om de rekening te betalen. Elke ochtend dezelfde vraag: Jo, mag ik naar buiten? Heb je je kastje?, vroeg ik dan en daarna ging hij op weg. Hij dwaalde ook graag door de gangen van het verpleeghuis, een briefje op zak met de codes van de gesloten deuren. Zo leerde hij al gauw veel nieuwe mensen kennen. Hij leefde op, ik zag hem weer stralen, hij had zijn vrijheid terug.

‘En toen kwam het coronavirus, op een ochtend in maart moesten ineens de deuren van het verpleeghuis op slot. De buitenwereld was onbereikbaar geworden, hij mocht zelfs niet eens meer ronddwalen. Moedeloos zat hij op de rand van zijn bed. Jo, zei hij, ik heb er geen zin meer in, ik kan geen kant meer op.

‘Ik had zo met hem te doen. Hij had zo gevochten in het leven, daar had hij me over verteld, en zijn vrouw en kinderen waren zo betrokken. Hij begreep niet waarom hij ze niet meer zag. Elke ochtend vroeg hij naar Denny, zijn vrouw, en elke ochtend moesten we hem uitleggen dat we met dat virus zaten opgescheept en dat ze niet mocht komen. Toen ze op een middag bij het hek kwam staan om met hem te praten, moesten we hem tegenhouden, hij wilde haar vastpakken. Ik heb nog een foto van het moment dat hij met de telefoon aan zijn oor vanuit zijn kamer naar beneden kijkt, naar de parkeerplaats waar zij hem staat te bellen. Hij stak zijn hand door het raam en kon alleen maar gillen: wacht op mij, ik kom naar je toe. Soms probeerden we met haar te beeldbellen maar daar werd hij boos over. Jullie komen steeds met die onzin aan, zei hij dan, maar ik wil gewoon naar mijn Den toe, alles wordt me afgenomen.

‘Paniek en verdriet wisselden elkaar af, soms lukte het ons om hem gerust te stellen, dan gingen we een rondje met hem lopen maar het isolement vloog hem al snel weer aan. Hij was bang dat hij zijn familie nooit meer zou zien en wij konden hem geen perspectief bieden, er was geen enkel zicht op de duur van de quarantaine.

‘Als hij naast me zat, legde hij af en toe even zijn hoofd op mijn schouder. En ik zag opeens zo duidelijk hoe belangrijk fysiek contact is voor mensen met dementie. Als je de wereld om je heen niet meer goed begrijpt, dan doe je veel op gevoel. En dat kon niet meer. Het belangrijkste wat ze nodig hadden, konden we ze niet meer bieden en dat was contact met hun dierbaren. Ik wil zo graag dat bewoners het in de laatste fase van hun leven nog fijn hebben, daarom werk ik in de zorg. Nu stond ik machteloos.

‘Het mocht eigenlijk niet maar we hebben toch geregeld dat zijn zoon bij hem kon langskomen, in een beschermend pak met een mondkapje op. Maar daar werd hij niet rustiger van. Wie ben jij?, vroeg hij, waarom zie je er zo uit, ik heb toch zeker de pest niet.

‘In de weken die volgden ging hij snel achteruit. We hebben hem nog laten testen, hij had geen corona. Hij stopte met eten en drinken en kreeg steeds meer epileptische aanvallen. Bij elke aanval raakten zijn hersenen extra beschadigd.

‘Ruim zes weken nadat bij ons de deuren dicht gingen, is hij overleden, aan het einde van de nacht, met zijn zoon aan zijn bed. Ik herinner me die maandagmorgen, ik had vroege dienst, zijn zoon kwam naar me toe om het te vertellen, dankbaar dat hij erbij had mogen zijn. Zijn dood heeft me geraakt, ik ben ervan overtuigd dat die leuke, wijze man, die we zo zijn vrijheid gunden, uiteindelijk is gestorven van eenzaamheid. Zelfs op zijn sterfbed was geen fysiek contact mogelijk. Het idee dat de hand van zijn zoon, die hij in zijn laatste uren moet hebben gevoeld, in plastic was verpakt, vind ik hartverscheurend.’

Volg ons