REPORTAGE VERPLEEGHUIS BRINKHOVEN 

Slagveld
achter gesloten deuren

In verpleeghuis Brinkhoven in Heerde slaat het coronavirus genadeloos toe. Tussen eind maart en half april overlijden 24 van de 73 bewoners, bijna eenderde. Het personeel krijgt hulp uit onverwachte hoek: de 43ste Geneeskundige Compagnie.

REPORTAGE VERPLEEGHUIS BRINKHOVEN 

Slagveld
achter gesloten deuren

In verpleeghuis Brinkhoven in Heerde slaat het coronavirus genadeloos toe. Tussen eind maart en half april overlijden 24 van de 73 bewoners, bijna eenderde. Het personeel krijgt hulp uit onverwachte hoek: de 43ste Geneeskundige Compagnie.

‘Kom je even kijken?’ Het is eind maart als kwaliteitsverpleegkundige Judith Kruizenga in het verpleeghuis van Heerde een telefoontje krijgt. Kruizenga slikt, het is de zoveelste vraag die ochtend. Als verpleegkundige werkt ze nu al dagenlang twaalf uur per dienst.

Als ze aankomt, ziet ze haar patiënt op de wc. Grote ogen. Hij hapt naar adem. Zijn armen zwaaien in paniek in het rond. Ze leggen hem op bed en ­geven morfine, waardoor hij wat lucht krijgt.

‘O man, ’t is wat, hè?’, zegt hij hijgend. ‘Ja, wás het maar wat’, zegt Kruizenga, ‘dan konden we het delen.’ De man lacht even. Humor van noorderlingen onder elkaar. Maar dan kijkt hij haar aan. ‘Ik denk dat ik morgenvroeg niet ga ­halen.’ Kruizenga kijkt in zijn ogen, als verpleegkundige probeert ze altijd te ­begrijpen wie ze voor zich heeft. Je hebt gelijk, denkt ze.

‘Het gebeurde in een paar uur tijd, van een grapje naar de dood.’

Judith Kruizenga

Verpleegkundige

Ze geven hem meer morfine voor zijn benauwdheid, en nog meer. Het helpt niet. De man wordt steeds onrustiger, benauwder. Steeds vaker zakt hij weg. Zijn borstkas gaat hard op en neer. De verpleegkundige voelt dat ze iets moet doen. Even later brengt de huisarts de man in slaap, zodat hij zijn gevecht om lucht niet langer bewust hoeft mee te maken. Heel even loopt Kruizenga zijn kamer uit.

Als ze terugkomt, vindt ze hem. Hij is overleden, in zijn eentje. ‘Het gebeurde in een paar uur tijd’, zegt ze, ‘van een grapje naar de dood. Je staat erbij en je kijkt ernaar.’

Het coronavirus heeft de afgelopen maanden veel slachtoffers gemaakt in overbelaste ziekenhuizen, maar er is één plek waar de ziekte nog veel genade­lozer toeslaat: de verpleeghuizen.

Terwijl in politiek en media vooral werd gediscussieerd over een tekort aan ic-bedden, nestelde het virus zich stilletjes op honderden afdelingen vol hulpbehoevende ouderen en dementerenden. De verspreiding werd mogelijk versneld door een gebrek aan mondkapjes, ziek personeel dat in het begin van de crisis gewoon moest komen werken en doordat er niet kon worden getest.

In verpleeghuis Brinkhoven in Heerde overleden tussen eind maart en half april 24 van de 73 bewoners, bijna eenderde. In een paar weken tijd verloren ouderen er soms hun halve vriendenkring, in een tempo dat voor zorgmedewerkers niet bij te benen was.

Brinkhoven is geen uitzondering. In veel verpleeghuizen voltrok zich een soortgelijke crisis. Het verschil: de meeste instellingen maakten hun sterftecijfers niet openbaar. Dat tekent de ­gesloten wereld van de verpleeghuiszorg, waar ook familieleden vaak niet precies weten wat er achter de muren met hun dierbaren gebeurt.

De Volkskrant sprak met medewerkers van Brinkhoven, een instelling die juist wel openheid wil geven. Het verpleeghuis, dat midden in het dorp aan de rand van de Veluwe ligt, was een van de eerste huizen buiten Brabant waar het virus binnenkwam.

Terwijl half ­Nederland zich nog onaantastbaar waande, nam het aantal ­zieken en overledenen in Brink­hoven elke dag toe.

Medewerkers werkten tien tot twaalf uur per dag, kwamen op vrije dagen ­terug en gaven alles voor hun bewoners. Sommigen omschrijven de eerste weken als een ‘horrorfilm’. De helft van het personeel werd uiteindelijk zelf ziek. Toen het niet meer ging, moest het leger worden in­geschakeld.

Het is vrijdag 20 maart, een dag na het ingaan van het bezoekverbod, als de eerst oudere in Heerde omvalt, letterlijk. Ze heeft geen koorts, hoest niet, niest niet, ze gaat gewoon tegen de grond. En niemand heeft het zien aankomen.

Als verpleegkundige Kruizenga aankomt, zit ze scheefgezakt in haar stoel. ‘Ik voel me belabberd’, zegt de vrouw. ‘Mijn arm wil niet meer, en mijn been ook niet.’

Niet veel later ligt ze in de ambulance, op weg naar het ziekenhuis, op verdenking van een tia, een beroerte door een bloedprop in de hersenen. Maar het ­ziekenhuis stuurt de vrouw linea recta terug en komt nog dezelfde avond met de uitslag: corona.

Het is de eerste diagnose van Brink­hoven en – op één na – ook de laatste, want de rest zal niet meer worden getest.

Er zijn dan al drie andere patiënten die zich niet lekker voelen, maar niemand weet zeker wat hun mankeert. Het RIVM vindt testen binnen verpleeghuizen niet nodig. In de pikorde van de zorg bungelen verpleeghuizen onderaan.

Locatiemanager Inge van Loo heeft al eerder geprobeerd de GGD te bellen over een bewoner met koorts. Ze wil duidelijkheid: heeft hun patiënt corona? Maar het hele weekend krijgt ze een bandje te horen. Pas op maandag krijgt ze eindelijk een GGD-medewerker aan de lijn. ‘Nee’, zegt die. ‘Wij gaan niet testen.’

‘Ik heb nog twee keer teruggebeld of het écht niet kon’, zegt Van Loo. ‘Ik was verbaasd.’ Maar de GGD is onvermurwbaar. ‘Ze zeiden: al is de patiënt positief, dat verandert toch niks aan de behandeling.’

‘Haar vingers waren zo koud dat ik het zuurstofgehalte niet kon meten.’

Joyce van Marle

Verpleegkundige

In de dagen daarna worden er steeds meer mensen ziek. De snelheid waarmee dat gebeurt, is adembenemend.

‘Elke keer als ik hier ’s ochtends binnenkwam, dacht ik: wie zouden er nog zijn?’, vertelt verzorgende Joyce van Marle.

‘Met zijn drieën hadden we 26 bewoners van wie de een na de ander ziek werd’, zegt verzorgende Bianca de Graaf. ‘We deden alles: wassen, uit bed halen, pillen delen, eten geven. Telkens is het: pak aan, pak uit. De werkdruk was zo hoog dat we niet genoeg aandacht konden geven aan mensen. Voor videobellen hadden we in het begin echt geen tijd.’

Veel verzorgenden voelen zich machteloos. Ze willen iets dóén, maar tegen corona bestaat niets.

Van Marle vertelt hoe ze ’s ochtends bij een vrouw komt die aan het einde van de nacht uit bed is gevallen. ‘Zij was onderkoeld. Er was op dat moment nog geen verdenking van corona, dus ik had geen beschermende kleding aan. Haar vingers waren zo koud dat ik het zuurstofgehalte niet kon meten.’

Ze belt de ambulance, maar die vertrekt weer. ‘De broeders zeiden dat ze een typische coronapatiënt was en dat ze haar niet meenamen. Dus ja, dan sta je daar, met een bewoner die je niet meer kunt helpen. We hebben geen zuurstof hier. Ik had het gevoel dat ik met mijn rug tegen de muur stond. Die vrouw lag echt te happen naar lucht. Nog ­diezelfde avond is ze overleden.’

‘Dan dacht ik: je zou eens bij ons moeten komen, het is hier echt een horrorfilm.’

Ingrid

Verzorgende

Op dat moment gaat het op tv vooral over het dreigende tekort aan ic-bedden. ‘Dan dacht ik: je zou eens bij ons moeten komen, het is hier een horrorfilm’, zegt verzorgende Ingrid. ‘Wat er echt binnen deze muren gebeurt, kun je niet eens allemaal vertellen.’

Van Marle: ‘Op één dag heb ik vier vlindernaaldjes bij mensen in hun huid moeten plaatsen, zodat ze morfine konden krijgen. Van die vier zijn er inmiddels drie overleden. Toen een geestelijk verzorger die dag aan me vroeg hoe het nou eigenlijk met míj ging, begon ik te huilen.’

Het personeel van Brinkhoven heeft het in vergelijking met andere ver­pleeghuizen nog relatief goed getroffen met beschermingsmiddelen: locatiemanager Van Loo heeft al voor de ­crisis honderden extra mondkapjes ingeslagen. ‘Die FPP1-maskers waren al snel weg, maar daarna kregen we weer andere’, zegt Ingrid. ‘Op een gegeven moment raakten de schorten op, toen kregen we slagersschorten van familie van een ­bewoner. Tegelijkertijd zag ik ziekenhuispersoneel op tv schorten na één keer dragen weggooien. Dan dacht ik: wat doe je nu?’

Vanaf 27 maart mogen de bewoners hun kamer niet meer uit. Ze weten ­nauwelijks wat er buiten hun kamers ­gebeurt, wie er nog leeft. Tijd om iedereen in te lichten is er niet.

Ondertussen vallen hun overledenen niet eens onder de officiële covid-doden. Ze zijn niet getest en dus tellen ze niet mee. ‘We waren een soort vergeten groep’, zegt bestuurder Jos Bleijenberg.

‘Ik wist dat we concreet moesten zijn. Dus ik zei: we willen negen man: drie verpleegkundigen en zes verzorgenden.’

Jos Bleijenberg

Bestuurder

Na een tijd ziet verpleegkundige ­Kruizenga precies wie er covid hebben – ook zonder test. ‘Corona-ogen’ noemt ze dat. ‘Het was een bepaalde blik’, zegt ze. ‘Apathisch en tegelijkertijd zag ik doodsangst.’

Ze is een van de medewerkers die vrijwel alle overledenen van het verpleeghuis onder handen heeft gehad. Ze herinnert zich een dag waarop vier patiënten achter elkaar doodgingen: ‘Ik zat rapporten van de nachtdienst te lezen toen er een stagiaire naar me toe kwam. Ze zei: ik denk dat deze mevrouw is overleden, kun je komen? Ze had zoiets nog nooit gezien, dus ik legde uit wat ze moest doen en wat ze kon verwachten. Ik was nog niet weg uit die kamer, of er kwam opnieuw ­iemand op me af: Judith, kun je met me meekomen, ik denk dat deze meneer dood is.’

‘Het was nog geen half 10 ’s ochtends’, zegt Kruizenga, ‘en toen waren er al twee mensen overleden.’

Ze weet dat het zwaar was, dat ze heel wat op de schouders had. Toch heeft ze het gevoel dat ze hier moest zijn. Want ze weet dat ze voor veel mensen nog iets heeft kunnen betekenen. Dat ze door haar inspanningen mensen op het allerlaatste moment nog bij elkaar heeft kunnen brengen voor een afscheid. Een man en zijn vrouw. De vrouw heeft haar met tranen in haar ogen bedankt.

De coronaprotocollen zijn hard. ­Familie kan alleen op het allerlaatste ­moment naar binnen om afscheid te ­nemen. Overleden bewoners mogen niet worden opgebaard, maar moeten nog dezelfde dag mee met de begrafenisondernemer. Sommige overledenen worden niet aangekleed voor ze de kist in gaan. Veel verzorgenden hebben het er zwaar mee, ook omdat ze niet – zoals ­gebruikelijk – een erehaag kunnen vormen om afscheid te nemen. Daar is tijd noch ruimte voor.

Pal naast Brinkhoven ligt uitvaart­centrum Memento Mori, een modern bakstenen gebouw met een bescheiden klokketoren.

Als de eerste coronapatiënten in het verpleeghuis sterven, belt uitvaartverzorger Astrid Strijbos zowel met de GGD als met het RIVM: hoe zit het met de ­besmettelijkheid van overleden covid­patiënten? Niemand kan het haar vertellen, ze krijgt nergens antwoord op haar vragen.

Memento Mori is een kleine uitvaartvereniging, opgericht door de hervormde kerk. Anders dan bij de grote ­bedrijven beschikken ze hier niet over beschermende middelen. ‘We hebben daarom het pijnlijke besluit moeten ­nemen de laatste verzorging niet meer te doen’, zegt Strijbos. ‘Daar heb ik het nog steeds moeilijk mee.’ Het betekent dat overledenen niet meer worden opgemaakt. Ze worden in de kist gelegd in ­ondergoed of pyjama, als dat het laatste is wat ze aanhadden.

‘Ik heb nabestaanden eerlijk verteld dat we niet anders konden, maar dat ik wist dat sommige van de grote bedrijven het wel deden’, vertelt de uitvaartverzorger. ‘Dan ga ik ergens anders heen’, zegt een nabestaande haar aan de telefoon. ‘Dat kan ik me heel goed voorstellen’, antwoordt Strijbos, ‘ik denk dat ik in uw ­situatie hetzelfde had gedaan.’

Steeds vaker luiden de klokken van Memento Mori, steeds vaker staat er een zwarte rouwauto voor de deur.

‘Soms kwamen er wel vier wagens op een dag langs. Dat moet je dan alleen zien te verwerken.’

Bertha Nijmeijer

Bewoonster

Bertha Nijmeijer (83) mag net als de andere bewoners haar kamer niet af. Ze probeert de lijkwagens niet te zien. Maar behalve de televisie en de krant heeft ze weinig anders om naar te kijken dan haar uitzicht op het dorp.

‘Soms kwamen er wel vier wagens op een dag langs. Dat moet je dan alleen zien te verwerken.’ Mevrouw Nijmeijer, die drie jaar geleden in Brinkhoven ­terechtkwam nadat zij halfzijdig verlamd was geraakt, richt zich in zulke ­situaties tot God. ‘Ik bid en vraag om kracht.’

Sommige bewoners die vlak bij de ingang wonen raken zo overstuur van de lijkwagens voor hun raam, dat hun familieleden naar het verpleeghuis bellen. Is het niet mogelijk om de overledenen op een andere manier op te halen?

Het team bespreekt de kwestie, maar besluit dat er geen alternatief is.

‘Mensen komen er via de voordeur in en gaan er via de voordeur weer uit’, zegt Van Loo. ‘Dit is gewoon ons verhaal. Eerlijk. Open. We kunnen iemand niet via de achterdeur laten verdwijnen.’

Corona maakt in het dorp Heerde drie keer zo veel slachtoffers als de Tweede Wereldoorlog, becijfert de dominee achteraf. Zelfs de burgemeester komt in het heetst van de strijd ziek thuis te zitten. Waarom wordt juist dit dorp zo geraakt?

Mogelijk was het een combinatie van de verkeerde bijeenkomsten op de verkeerde tijd: enkele feestjes in het dorp, een drukbezochte informatieavond over Lelystad Airport en een reeks besmettingen onder leden van mannenkoor De ­Lofzang.

In Brinkhoven houden ze het erop dat het hoge aantal besmettingen het gevolg is van het open karakter van het verpleeghuis. Het was hier altijd een zoete inval van familieleden en vrijwilligers. Wat in het dorp heerst, heerst hier.

Wat locatiemanager Van Loo opvalt: de eerste drie ziektegevallen zijn verspreid over drie afdelingen. Het lijkt erop dat het virus al voor de eerste ­overheidsmaatregelen via meerdere ­ingangen is binnengedrongen.

Op een ochtend loopt Van Loo iets voor zevenen het verpleeghuis binnen als ze in het halletje een net ingehuurde uitzendkracht naar buiten ziet lopen. Een jonge vrouw. Ze huilt. Binnen heeft de vrouw iedereen in volledige corona-­uitrusting zien staan: mondmaskers, brillen, pakken. Nu loopt ze weg. Hier kan ze niet werken. ‘Zo heb ik het niet ­begrepen’, snikt het meisje.

Het is om moedeloos van te worden. Sinds de corona-uitbraak houdt Van Loo elke ochtend crisisoverleg met bestuurder Jos Bleijenberg. Het is woensdag 25 maart als ze aan de bel trekt.

‘Jos’, zegt ze, ‘we redden het nog tot het weekend. Daarna krijg ik de roosters gewoon niet meer vol.’ Op dat moment hebben ze twintig doodzieke bewoners. Ruim eenderde van het personeel ligt ziek thuis.

‘Ze zeiden: al is de patiënt positief, dat verandert toch niks aan de behandeling.’

Inge van Loo

Locatiemanager

 

Ze plaatsen berichten op sociale ­media, bellen met iedereen die ook maar íéts doet met zorg: uitzendbureaus, zzp’ers, Actiz, Extra handen voor de zorg. Maar bijna niemand wil komen helpen aan het bed.

‘Mensen zeiden: o, dus jullie hebben echt corona in huis?’, zegt Van Loo. ‘En dan kwamen ze niet meer.’

De zorg is op dat moment al terug­geschroefd tot de noodzakelijke handelingen. Zo worden bewoners om tijd te besparen even niet meer gedoucht, maar ‘verzorgend gewassen’ met een washandje.

Bestuurder Bleijenberg slaat op donderdag alarm bij de veiligheidsregio. Hij stelt dat als er niks gebeurt, ze na het weekend bewoners moeten gaan ver­huizen naar andere instellingen. ‘Ik wist dat we concreet moesten zijn’, zegt hij. ‘Precies zeggen wat we nodig hadden. Dus ik zei: we willen negen man, drie verpleegkundigen en zes verzorgenden.’

Op vrijdagavond om 8 uur komt het verlossende telefoontje: het leger is in aantocht. ‘Morgenochtend komen we’, zegt de majoor tegen Van Loo. ‘Om 7 uur staan we op de stoep.’

Als ze dat hoort, springen de tranen in haar ogen.

Sergeant Robert, militair verpleegkundige van de 43ste Geneeskundige Compagnie, is een militair die is getraind om moeilijke keuzen te maken in oorlogsgebied. Hij weet wat gewonden zijn, tijdens uitzendingen kreeg hij meerdere slachtoffers van ongelukken op zijn brancard.

Maar midden in de coronacrisis zit de verpleegkundige al twee weken thuis. Zijn hele compagnie is vanuit de kazerne naar huis gestuurd met de opdracht rust te nemen, fit te blijven en grote groepen te mijden. ‘We moesten ons gereed­houden voor een inzet’, zegt Robert. ‘Ik hoopte op de intensive care.’

Als jongen had hij niet zo veel met school. Het avontuur trok hem naar ­defensie. Pas toen hij op een tank verantwoordelijk werd voor de eerste hulp aan gewonden, wist hij wat hij wilde. Hij werd uitgezonden naar Afghanistan, voormalig Joegoslavië, Litouwen. Voor de kust van Somalië nam hij tweemaal deel aan een antipiraterijmissie.

En nu ging hij dus naar Heerde.

Op vrijdagavond 27 maart krijgt hij te horen dat hij zich de ochtend erop moet melden op de Veluwe. Hij zoekt het op met Google Maps om te kijken waar het ligt. ‘Toen klikte ik op zo’n coronakaartje en – poef! – daar zag ik Heerde donkerrood oplichten.’

In camouflagebroeken en op kisten stappen ze het verpleeghuis binnen. Heel even kijken de verzorgenden naar hun uniformen, maar al snel zien ze die niet meer.

‘Het is een van de intiemste momenten in een mensenleven. En daar mag je dan bij zijn.’

Sergeant Robert 

Militair verpleegkundige

Vrijwel meteen besluit sergeant ­Robert een einde te maken aan de achternamen waarmee hij en de andere militairen elkaar aanspreken. Hij wil dat iedereen zijn angsten kan uitspreken, zonder zich zorgen te maken over rangen of standen. ‘Hou op met dat ge-u’, zegt hij tegen de andere militairen. ‘Kappen met die onzin. Het maakt mij niet uit of je sergeant, korporaal of soldaat bent, ik ben gewoon Robert.’

Als Robert gewonden of stervenden ziet, denkt hij twee dingen: breng de ­situatie in kaart en houd de patiënten ­stabiel. Die ochtend heeft hij al snel zijn eerste covid-19-patiënt voor zich. Die lijkt helemaal niet zo ziek, denkt hij nog.

Al op dag 1 overlijdt de eerste patiënt en op dag 2 volgen er vier. Dit is on-­Nederlands, vindt sergeant Robert, ­terwijl hij door akelig stille gangen van patiënt naar patiënt snelt.

Over de gang schuifelt een bewoner achter haar rollator. Ze gaat weer eens een ommetje maken vandaag. ­‘Mevrouw, u moet terug naar uw ­kamer’, zegt sergeant Robert streng. ‘Waarom?’, protesteert ze. ‘U mag hier niet komen vanwege het virus’, zegt de militair. De dementerende dame kijkt hem fel aan. ‘Nee’, zegt ze, ‘ik ga niet, hoor.’

Daar staat hij dan naast een rollator, met zijn uniform en zijn gezag. Hij is het niet gewend dat orders worden ­genegeerd, laat staan door een vrouw die een halve eeuw ouder en een kop kleiner is dan hij. Wat nu?

Dan ziet hij een verzorgende een hand op de arm van de bewoner ­leggen en uitnodigend tegen haar spreken: ‘Zullen we even een kopje ­koffie gaan drinken op uw kamer?’ En ja hoor, daar schuifelt ze gedwee terug in de richting van haar appartement.

Rondom het anders zo kalme Brinkhoven gebeuren ineens bijzondere dingen. Soms vrolijk: een optreden voor de deur, een bedrijf uit het dorp dat een hoogwerker laat aanrukken voor ontmoetingen met familie.

Maar er is ook de buurtbewoner die ’s avonds in tranen opbelt naar het ­algemene nummer, omdat ze de hele dag lijkwagens heeft zien komen en gaan vanuit haar flatje. ‘Het is gewoon verschrikkelijk’, snikt ze.

De tuin is afgezet met rood-witte linten en op de parkeerplaats staan bordjes met ‘verboden toegang voor onbevoegden’. Niettemin wandelt een Telegraaf-journalist op 3 april rond etenstijd toch het verpleeghuis binnen, ­tegelijk met een maaltijdbezorger.

In de hal houdt het personeel hem tegen, zegt bestuurder Jos Bleijenberg. ‘Hij had veel commentaar en vond dat hij niets verkeerd deed.’

Omdat de journalist zich volgens de bestuurder niet als zodanig kenbaar had gemaakt, wordt de politie gebeld. Als de agenten eenmaal arriveren, staat de verslaggever alweer buiten.

Een wethouder spreekt later op Twitter schande van het gedrag van de journalist. Volgens de verslaggever zelf ­berust het allemaal op een misverstand: hij had het verbodsbord niet gezien en was juist bezig zich voor te stellen toen de ophef ontstond. ‘Verder dan het voorportaal ben ik nooit geweest.’ De Telegraaf verbreekt desondanks de samenwerking met de freelance journalist.

Telkens komen er patiënten bij die ernstig benauwd zijn.

Patiënten voor wie ze niets meer kunnen doen. Op voorschrift van de arts krijgen die om de vier uur morfine ­toegediend: zo voelen ze zich minder ­benauwd. Als het gevecht om lucht te ­ernstig wordt, worden ze in slaap ­gebracht, zodat ze het niet meer ­bewust meemaken.

Sergeant Robert is een nuchtere, ­rustige jongen met opvallende lichtblauwe ogen. Hij is bij defensie gewend lijstjes te maken, de boel ‘strak weg te zetten’. Al snel stelt hij samen met verpleegkundige Judith Kruizenga voor dat één zorgverlener alle morfine toedient. En dat wordt hij.

Vanaf dat moment komt hij daardoor alleen nog maar met de ziekste ­patiënten in aanraking. Tijd om tien minuten aan iemands bed te zitten, is er niet. Terwijl hij normaliter altijd praat, even onderzoekt welk mens hij voor zich heeft.

Als hij op een middag binnenkomt bij een vrouw die af en toe met een schok ademhaalt, voelt hij aan dat zijn aan­wezigheid hier toch iets langer nodig is. Haar kinderen zitten al rond het bed.

Rustig spuit hij de vrouw wat morfine in. Nog één keer zuigt ze lucht naar ­binnen. Dan wordt het stil. Hij voelt haar pols. ‘Ik ben bang dat ze is over­leden’, zegt hij zacht tegen de familie.

In een flits schiet de gedachte door hem heen dat ze is overleden door die laatste injectie. Nee, dat kan niet. De huisarts bevestigt dit later.

‘Bedankt dat je erbij was’, zegt de dochter van de vrouw tegen hem. Ze heeft tranen in haar ogen.

Een paar dagen later krijgt hij een appje met de overlijdensadvertentie. ‘Onze dank gaat uit naar de mede­werkers van Hanzeheerd Brinkhoven en defensie voor de liefdevolle verzorging in deze bijzondere tijden’, staat er.

Het ontroert Robert. ‘Het is een van de intiemste momenten in een mensen­leven’, zegt hij achteraf, ‘en daar mag jíj dan bij zijn.’ Hij vindt het mooi dat hij voor defensie iets kan betekenen ­binnen Nederland.

Even later wordt een militair niet goed in het verpleeghuis. ‘Gaat het wel een beetje?’, vraagt een verzorgende. Hij blijkt oververmoeid, maar vanwege de zware omstandigheden voor iedereen heeft hij niets gezegd.

‘Ik kwam hem iets te drinken aan­bieden maar hij reageerde niet.’

Robin 

Stagiair

Op de dag die stagiair Robin nooit meer zal vergeten, heeft hij dienst met een uitzendkracht en een militair verzorgende. Van de drie heeft hij als enige een band met de man die nu in zijn bed onregelmatig ligt te ademen.

‘Ik kwam hem iets te drinken aan­bieden’, zegt Robin, ‘maar hij reageerde niet.’

De stagiair belt de verpleegkundige en gaat naast het bed zitten. Met zijn blauwe handschoenen pakt hij de hand van de man vast. Glazig kijkt de bewoner voor zich uit.

Een situatie als deze heeft Robin nog nooit meegemaakt. Hij is 20 jaar en volgt een mbo-opleiding tot militair verzorgende. Maar wat je doet als iemand ligt te sterven, staat niet in zijn lesboeken beschreven. Intuïtief voelt de stagiair dat het het best is te blijven ­praten, al heeft hij geen idee of zijn woorden nog aankomen.

‘Ik ben hier’, zegt Robin tegen de ­patiënt. Hij haalt zijn hand even door het witte haar van de man.

Het ademhalen stopt.

Een beetje beduusd zit Robin even ­later met zijn militaire collega buiten op een bankje. Zo is het dus, om erbij te zijn als iemand sterft. Hij heeft geprobeerd zo veel mogelijk vanuit zijn menselijk gevoel te handelen. ‘Je hebt het goed gedaan, jongen’, zegt de militair verpleegkundige.

Op de 24 kamerdeuren van de bewoners die er niet meer zijn, hangen nu kransen met een kaartje: ‘In liefdevolle herinnering.’ Familieleden krijgen de krans de komende weken mee als ze de spulletjes van hun vader of moeder komen ophalen. Daar is, ruim een maand na het laatste coronasterfgeval, nog geen mogelijkheid toe geweest.

De nog levende bewoners proberen ondertussen het verlies te verwerken.

‘Nu vraagt die vrouw me steeds: zijn ze mij vergeten uit te nodigen voor de begrafenis?’

Bianca de Graaf

Verzorgster

Een licht dementerende bewoner wier echtgenoot is gestorven, kon niet bij de begrafenis van haar eigen man zijn, omdat ze zelf een covidverdenking had. De vrouw moest na een lang, gelukkig huwelijk de uitvaart van haar echtgenoot bijwonen via een livestream, zegt verzorgende Bianca de Graaf.

‘Nu vraagt die vrouw me steeds: zijn ze mij vergeten uit te nodigen voor de begrafenis? Ik krijg het haar niet uit­gelegd.’

Op de afdeling van de 83-jarige ­mevrouw Nijmeijer zijn 11 van de 26 kamers leeg. ‘De meneer die elke ochtend bij me kwam vragen welke dag van de week het was, is er niet meer’, zegt ze. ‘De meneer van wie ik altijd het krantje kreeg, is ook overleden.’ Ook de vriendin met wie ze graag samen even naar buiten ging om te kletsen, heeft het niet overleefd.

‘Ik heb ze allemaal helemaal niet meer gezien’, zegt Nijmeijer, terwijl ze achter haar blauwe brilmontuur een traan uit haar oog veegt.

De bewoners mogen sinds kort weer met vier tegelijk in de gezamenlijke huiskamer zitten, maar voor haar hoeft dat nog even niet. Het is niet ­hetzelfde, nu zoveel medebewoners ­ontbreken. ‘Het hangt allemaal nog zo in de lucht. We kunnen alleen maar ­hopen dat het ooit weer zo mooi wordt als het was.’

De ironie is dat door het overlijden van zoveel bewoners het personeel nu meer tijd heeft dan ooit.

Afgelopen zaterdag om half 8 ’s ochtends: twee verzorgenden kloppen op de deur van mevrouw Nijmeijer. Of ze misschien zin heeft om een keer in bad te gaan? ‘Ik had al in geen jaren gebadderd’, zegt ze. ‘Ik wist niet eens dat we hier in Brinkhoven een bad hadden.’

Een uurtje later laat ze zich met de ­tillift het weldadig warme water in ­helpen. ‘Ze hadden er ook nog een ­geurige olie in gedaan, het rook heerlijk.’ Ze sluit haar ogen, terwijl een verzorgende haar haren inmasseert met shampoo. Voor even glijden de zorgen van de afgelopen weken van haar af. ‘Ik voelde me echt net een prinses.’

In dit verhaal zijn omwille van de privacy van bewoners enkele details aangepast.