Alles waar uitvaartverzorgster Maddie van der Wijst in haar werk zo van hield, is veranderd

Maddie van der Wijst is uitvaartverzorger in de regio Den Bosch. Het aantal uitvaarten nam er door corona sterk toe. Alles waar Van der Wijst in haar werk zo van hield, is veranderd. De Volkskrant liep drie dagen met haar mee. En toen kreeg ze het telefoontje waar ze voor vreesde.

Op het terrein van het Dela-uitvaartcentrum in Den Bosch staat sinds begin april een mobiele koeling. Het witte gevaarte ter grootte van een zeecontainer biedt ruimte voor acht extra lichamen. Maddie van der Wijst loopt er zonder op- of omkijken aan voorbij. De 44-jarige uitvaartverzorger is ook gewend geraakt aan de doodskisten die op sommige dagen stapels hoog in de gang achter in het uitvaartcentrum staan. De nieuwe kisten, nog in het plastic, waren de afgelopen weken niet aan te slepen.

Het is donderdagmiddag na twaalven als Van der Wijst laat zien wat niet went. Nu huisbezoeken niet zijn toegestaan, moet ze alle gesprekken met nabestaanden via videobellen doen. Ze loopt een kantoor binnen waar ze nu vaker zit en doet voor hoe het puntje van haar neus soms bijna het beeldscherm raakt. Alles om toch nog zo veel mogelijk mee te krijgen van hoe het met nabestaanden gaat.

Dan gaat haar telefoon. Van der Wijst weet dat ze vandaag een belangrijk telefoontje kan verwachten. Ze buigt zich over het scherm. Als ze weer opkijkt, fronst ze. ‘Sorry’, zegt ze. ‘Deze moet ik echt even opnemen.’

Er zullen weinig sectoren zijn waar de impact van het coronavirus in het dagelijkse werk zo voelbaar is als in de uitvaartbranche. Op sommige plekken is het aantal begrafenissen en crematies meer dan verdubbeld terwijl de mogelijkheden voor het organiseren van een afscheid zijn versoberd. In de regio Den Bosch, waar Van der Wijst werkt, verviervoudigde het aantal uitvaarten in maart.

Uitvaartverzorgers zijn vaak de eerste buitenstaanders die nabestaanden zien na het overlijden van hun geliefde. Ze luisteren naar de huiveringwekkende verhalen van kinderen die hun ouders in het verpleeghuis weken niet hebben kunnen zien, om uiteindelijk afscheid te moeten nemen verpakt in beschermende kleding. Geen laatste aanraking, geen laatste kus.

Aan uitvaartverzorgers de taak om uit te leggen wat er allemaal niet meer mag, en er toch een mooi afscheid van te maken.

Laten wachten

Op het pleintje voor het Dela-crematorium in Rosmalen staat een meisje te rillen. Het is vrijdagmorgen kwart voor elf. De zon schijnt, maar er waait een kille wind. Het meisje heeft een jurkje aan, maar daaronder blote benen. Haar zus slaat een arm om haar heen.

Een kwartier eerder is een rouwauto de parkeerplaats opgedraaid. Er reden vier auto’s met nabestaanden achteraan. Normaal zouden familieleden daarna, als ze dat willen, zelf de kist naar de aula mogen brengen, op een verrijdbare baar.

Dat gaat nu niet. Dela kan voldoende afstand tussen nabestaanden en haar ­eigen medewerkers niet garanderen. En dus wordt de kist door medewerkers naar binnen gebracht, terwijl de nabestaanden buiten wachten. De deuren van het crematorium blijven dicht tot een kwartier voor aanvang van de dienst.

Nabestaanden komen vaak te vroeg. Een kwartier, twintig minuten, soms staan ze een klein half uur te wachten. Eén keer wordt er een uitzondering gemaakt voor de 86-jarige weduwe van de overledene. Zij mag even naar het toilet.

Binnen heeft Paul Beaumont het er zichtbaar moeilijk mee. ‘Je doet dit werk omdat je iets voor mensen wil betekenen’, zegt de manager van zowel het crematorium in Rosmalen als het uitvaartcentrum in Den Bosch. ‘Dat we mensen nu buiten moeten ­laten wachten, dat gaat in tegen onze natuur.’

Van der Wijst komt voorbijgelopen. Klik, klak, klik, klak. Haar haastige passen galmen door de verlaten gangen. Ze draagt haar werktenue: een donkerblauw jurkje met daarover een donker jasje. Ze zet bidprentjes klaar bij de uitgang van de aula, met daarop een foto en een tekst over de overledene. Daarnaast komt een fles desinfecterende handgel.

Dan neemt ze met een collega de details van de dienst door. De bijeenkomst moet live worden gestreamd voor de nabestaanden die er niet bij kunnen zijn. Dela rolde de benodigde techniek in de eerste week van de quarantaine versneld uit over de tientallen crematoria en uitvaartcentra die onder de coöperatie vallen. Inmiddels is livestreamen bijna standaardprocedure tijdens uitvaarten.

Om elf uur mogen de nabestaanden naar binnen. Om te voorkomen dat ze per ongeluk de koffiekamer in dwalen is hun pad naar de aula afgezet met zwarte paaltjes en trekband. Van der Wijst gaat achter in de zaal zitten. Het voelt vreemd, zal ze achteraf zeggen. Dit is haar eerste crematie in weken waarbij corona niet de doodsoorzaak is.

Een jeugddroom

Op haar 16de ontdekte Van der Wijst dat ze het liefst uitvaartverzorger wilde worden. ‘Ik deed een opleiding tot verpleegkundige en kwam tijdens een stage veel in aanraking met de dood. Het klinkt misschien vreemd, maar dat trok.’

Op haar 18de solliciteerde ze in een overmoedige bui in de uitvaartbranche. Ze werd afgewezen: te jong. Bij een tweede poging, een kleine vijftien jaar en twee kinderen verder, werd ze alsnog aangenomen.

Achteraf gezien is ze blij dat het zo is gelopen. Voor dit vak heb je levenservaring nodig. Ze krijgt moeilijke situaties voor de kiezen. Een uitvaart regelen voor iemand die vermoord is. Een suïcide. De uitvaart van een kind. ‘Vaak ben ik de eerste die mensen zien, nog voor slachtofferhulp’, zegt Van der Wijst. ‘Ik vang de klappen op.’

Het zwijgen op afstand

Nu gebeurt dat noodgedwongen op afstand. Op een dinsdagochtend tuurt Van der Wijst naar het scherm van haar laptop. Ze ziet het grote vriendelijke gezicht van een man van middelbare leeftijd, die te dicht bij de camera zit. Naast hem is alleen het voorhoofd van zijn zus te zien. Zij zit juist te ver en is daardoor slecht te verstaan. Op de achtergrond klinkt af en toe de hoest van nog een andere zus, die grotendeels uit beeld blijft.

Ze bespreken de uitvaart van hun vader. De 77-jarige man is de dag ervoor aan corona overleden. Je zou een boek kunnen schrijven over zijn laatste weken in het ziekenhuis, zegt zijn zoon. Van der Wijst knikt en hoopt dat hij verder vertelt. De man zwijgt.

Normaal zou ze alleen al door binnen te lopen bij deze familie veel te weten komen. Wat voor mensen zijn het, zijn ze hecht met elkaar of is er spanning? Ze zou vragen hoe hun laatste dagen zijn geweest. Het gesprek zou vanzelf op de uitvaart komen.

Digitale rouwkaarten

Nu begint ze met de praktische details in de hoop dat ze later meer te weten komt. ‘Ik zou zo graag even in de auto springen en erheen rijden’, verzucht Van der Wijst als ze door technisch gedoe een half uur kwijt is om digitale voorbeelden van rouwkaarten bij de nabestaanden te krijgen. ‘Die map met kaarten op tafel leggen zodat ze er rustig doorheen kunnen bladeren. Even het papier voelen.’

Het gesprek is ruim een uur gaande en Van der Wijst heeft een pauze ingelast om de familie de tijd te geven een kaart en tekst te kiezen. Ze werkt deze ochtend vanuit huis, in een dorp vlak bij Den Bosch, en is in de tuin gaan zitten voor een sigaret.

Sinds ze begin maart terugkeerde van een skivakantie in Noord-Italië en flink ziek werd – vrijwel zeker corona, oordeelde haar huisarts – weet ze hoe benauwd een mens het kan krijgen. Dit jaar gaat ze stoppen, heeft ze zich stellig voorgenomen. Maar de laatste weken is ze juist meer gaan roken.

‘Passen jullie op?’, vraagt Van der Wijst als even later blijkt dat de nabestaanden van plan zijn meer dan 30 rouwkaarten te versturen. De meeste mensen kennen de regels. Voor de zekerheid benoemt ze de belangrijkste: er mogen maximaal 30 aanwezigen zijn bij een uitvaart.

‘Het zou heel vervelend zijn als we mensen moeten wegsturen.’ Het blijft even stil. Om heel eerlijk te zijn, zegt een van de dochters, ze zijn al lang blij áls er mensen komen buiten de directe familie. ‘Heel veel durven niet.’

Van der Wijst hoort het vaker. Het lijkt alsof haar vader van gif is, zal Dianne van der Heijden (58) die middag tegen haar zeggen, tijdens een ander regelgesprek. Haar 90-jarige vader, Toon van der Heijden, is een paar dagen eerder aan corona overleden, net als zo’n beetje alle andere bewoners van zijn afdeling in het verpleeghuis.

Ze had wel honderd mensen willen uitnodigen voor de uitvaart. Maar veel mensen – oud en ook jong – durfden domweg niet. Ze waren bang dat haar vader nog besmettelijk zou zijn.

Geluksmomentjes

Sinds corona haar werk overhoop haalde, heeft Van der Wijst haar werkzaamheden in gedachte opgeknipt. Er zijn de moeilijke momenten. Als ze niets voor een nabestaande als Van der Heijden kan doen. De momenten dat ze afstand moet houden, terwijl haar instinct schreeuwt dat ze even een arm om een schouder moet leggen.

En er zijn de ‘geluksmomentjes’, zoals ze ze is gaan noemen. De gestolen minuten waarin ze een praatje kan maken met nabestaanden. Als een familie voor een uitvaart buiten staat te wachten en ze bij ze gaat staan. Gewoon, even horen hoe het gaat.

Er gebeuren ook veel mooie dingen, juist nu. Als Van der Wijst op een ochtend door Den Bosch vooropgaat in een rouwstoet op weg naar het crematorium, ontstaat er een spontane erehaag. Ze ziet het nu vaak. Telkens krijgt ze er kippenvel van. In de stad blijft zo’n erehaag meestal beperkt tot de straat waar iemand woonde, maar in kleine gemeenschappen loopt het hele dorp soms uit.

Ze maakt prachtige uitvaarten mee, juist omdat ze zijn ontdaan van alle franje. Steeds meer mensen kiezen er voor om de ceremonie alleen met het gezin te doen. Laatst nog. Van der Wijst regelde dat een gezin afscheid kon nemen in de intiemere familiekamer in plaats van in de grote aula. Alleen zij was erbij. Samen keken ze op foto’s terug. Zij stelde vragen en daar kwamen de verhalen. Er werd gelachen, er werden laatste woorden gesproken. Iemand speelde nog een liedje op zijn gitaar.

Misschien, denkt Van der Wijst weleens, komen mensen nu sneller tot de kern.

De twee kleinkinderen

‘Toen ik hoorde dat opa corona had dacht ik: dat komt wel goed.’ Het is donderdagochtend. In de aula van het crematorium in Rosmalen is de uitvaart van Toon van der Heijden halverwege als twee kleinkinderen achter het katheder gaan staan.

Ze kijken uit over een half lege aula. De familie heeft het maximumaantal van 30 aanwezigen niet gehaald. De twee kleinkinderen vertellen hoe sterk hun opa was. Dat hij soms wel een kat met negen levens leek. Ze vertellen

hoe hij ze fikkie leerde stoken. Hoe hun opa ze op zijn scootmobiel door de straat liet racen. ‘Oma vond het gevaarlijk, maar opa legde uit op welk knopje we moesten drukken om harder te gaan.’

Achter in de zaal heeft Van der Wijst er een tissue bij gepakt. Ze wordt wel vaker geraakt tijdens een uitvaart. Zeker op momenten als nu, als ze de familie kent van eerdere crematies.

Maar het overkomt haar de laatste tijd vaker dan ooit. Misschien omdat het verdriet bij sommige uitvaarten nu zo veel groter lijkt dan anders. Misschien omdat ze zelf wat ‘wiebelig’ is, door het harde werken. En misschien omdat is het ook haar eigen verdriet, omdat ze haar werk niet kan doen zoals ze zou willen.

Op de drempel

Toen Van der Wijst elf jaar geleden begon als uitvaartverzorger leerde ze een nieuwe gewoonte aan. Elke keer als ze bij een familie thuiskwam om een begrafenis of crematie te regelen, keek ze even naar de drempel. Vanaf nu, dacht ze, zijn deze mensen het belangrijkst. Als ze weer naar buiten liep, keek ze opnieuw naar de drempel. Vanaf nu zou ze proberen het verdriet achter zich te laten.

Nu ze niet meer bij mensen thuiskomt, heeft ze geen drempel om naar te kijken. Het zou ook niet meer werken. De coronacrisis raakt haar leven net zo hard als dat van de nabestaanden voor wie ze werkt.

Die donderdagmiddag, als Van der Wijst het kantoor laat zien waar ze nu vaak videobelt, komt het telefoontje waar ze slecht van heeft geslapen. Een dag eerder is haar eigen vader verkouden geworden. Hij hoestte, zag er slecht uit. Ze hebben hem nog diezelfde dag getest. De uitslag is binnen. Haar vader heeft corona.

Nieuwe rituelen

Dood en geboorte trekken zich niets aan van de nieuwe sociale omgangsvormen. We passen de rituelen aan die dergelijke grote gebeurtenissen in het leven markeren zo goed en zo kwaad als het gaat.