Interview 200 jaar Naturalis

‘Onderzoek naar biodiversiteit is belangrijker dan ooit’

Nu het nationale natuurhistorisch museum Naturalis tweehonderd jaar bestaat, publiceren twee van haar beroemdste biologen - Menno Schilthuizen en Freek Vonk - samen een boek over haar geschiedenis. In gesprek over het belang van huismussen en tuinslakken.

Al een jaar of vijf liep hij met het idee rond, zegt evolutiebioloog Menno Schilthuizen. Net zoals het Londense Natural History Museum een boek uitbracht over haar rijke geschiedenis, wilde Schilthuizen - naast wetenschapper ook bekend van populairwetenschappelijke boeken als Darwin in de stad - iets soortgelijks doen voor zijn eigen werkgever, Naturalis. Nu verschijnt het resultaat - koffietafelboek Wie Wat Bewaart, bomvol historische foto’s en anekdotes, precies op tijd voor het tweehonderdjarig bestaan van Naturalis en haar voorlopers in Leiden.

Daarin vind je publiekstrekkers terug zoals de Darwinvinken, de door de iconische bioloog Charles Darwin zelf verzamelde vogeltjes, die dienstdeden als geestelijk slijpsteen voor de ontwikkeling van ‘zijn’ evolutietheorie. Niet alleen zijn ze te zien in het museum, maar nu ook in volle glorie in het boek. En ook meer obscure zaken krijgen de volledige aandacht, zoals een paginagrote brief met schetsen van de kleurvariatie van tweestippelige lieveheersbeestjes of een grote foto van een enkele mandril uit Gabon, uit de voormalige privécollectie van zoöloog - en eerste directeur - Coenraad Jacob Temminck (1778 - 1858).

Schilthuizen schreef het boek overigens niet alleen. Om de verhalen toegankelijk te houden voor - zoals de auteurs het zelf zeggen voor ‘iedereen van opa’s en oma’s tot tieners op de middelbare school’ - besloot hij de hulp in te roepen van zijn van televisie bekende collega Freek Vonk.

Een van de topstukken van Naturalis, het oudst bewaarde herbarium ter wereld, in de keuken van Yvette van Boven. De foto maakt, net als de andere foto's van BN'ers in dit artikel, deel uit van een serie ter gelegenheid van 200 jaar Naturalis, van de hand van Volkskrant-fotograaf Raymond Rutting.

Voor de buitenwacht zijn jullie een opmerkelijk team. Menno heeft het imago van een serieuze wetenschapper, terwijl mensen bij Freek misschien denken dat hij elk weekend met een alligator ligt te worstelen....

Vonk: ‘Ik denkt dat dat wel meevalt. Ik hóóp dat dat wel meevalt. Ik ben uiteindelijk ook gewoon wetenschapper - ben net nog bijzonder hoogleraar geworden aan de Vrije Universiteit. Mensen kennen me natuurlijk van m’n optredens bij De Wereld Draait Door, van mijn televisieprogramma’s, maar ook op televisie heb ik bij DWDD University lezingen gegeven waarin ik veel dieper op de stof inging. Ik hoop daarom dat mensen de gemene deler zien tussen professor Schilthuizen en professor Vonk: dat we allebei biologen zijn met een passie voor evolutie, voor de natuur en een grote liefde voor de natuurhistorie.’

Jullie boek heeft als ondertitel: ‘twee eeuwen Nederlandse natuurhistorie’, maar gaat alleen over Naturalis. Er is toch wel meer natuurhistorie in Nederland?

Schilthuizen: ‘Ja. Naturalis heeft flink wat andere instituten en collecties opgenomen de afgelopen jaren, maar er zijn nog veel kleinere, regionale musea. En hier en daar een universiteitscollectie. Die vallen buiten het boek. Toch denk ik dat de onderzoekers en collecties die de afgelopen twee eeuwen in Nederland écht naam hebben gemaakt, allemaal wel op de één of andere manier verbonden zijn met Naturalis. In grote lijnen heb je het dus wel te pakken.’

Jochem Myjer met een Olifantsvogelei in de schouwburg van Leiden.

Zouden ze daar bij, pak ‘m beet Het Natuurhistorisch in Rotterdam net zo over denken?

Schilthuizen: ‘Naturalis is landelijk de grootste. Heeft veel meer geld, veel meer personeel, veel grotere collecties, veel meer mogelijkheden. Het Natuurhistorisch is inderdaad ook landelijk bekend. Ze hebben naam gemaakt met hun collectie dode dieren die op een gedenkwaardige manier aan hun eind zijn gekomen door interactie met de mens. Dat is een hele slimme nadruk die wij als nationaal museum niet zo snel kunnen leggen.’

Over landelijke bekendheid gesproken: als je aan Naturalis denkt, denk je toch als eerste aan T. Rex Trix. Maar de dinosauruscollectie komt in het boek nauwelijks voor...

Schilthuizen: ‘Ook onze enorme walviscollectie komt nauwelijks ter sprake. Hetzelfde geldt voor de paddenstoelencollectie, de geologische collectie. Onze mineralogen komen bijna niet aan het woord. We hebben er bewust een paar interessante onderwerpen uitgevist en die verder uitgediept.’

Vonk: ‘Iedereen kent Trix. Maar het is juist interessant om verhalen te vertellen die mensen nog níet kennen...’

Wat voor verhalen zijn dat dan?

Vonk: ‘Ik denk bijvoorbeeld aan de collectie van bioloog Henrik Wolda - superfascinerend, vond ik dat! Hij werkte in de jaren vijftig en zestig aan de Rijksuniversiteit Groningen en verzamelde allemaal tuinslakjes. Was ‘ie gek op. Toen hij naar het buitenland vertrok, heeft hij zijn collectie aan Naturalis gegeven. In 2010 ging de Poolse onderzoekster Małgorzata Ożgo met die collectie aan de haal. Ze was geïnteresseerd in snelle evolutie, en vergeleek de tuinslakjes van Wolda met die van nu. Wat je moet weten is dat tuinslakken in allerlei kleuren voorkomen. Hoe donkerder, hoe warmer ze worden in de zon. Ożgo ontdekte dat al die tuinslakjes lichter van kleur zijn geworden. Een gevolg van de opwarming van de aarde: het is hier nu anderhalve graad warmer dan vijftig jaar terug. Prachtig verhaal! Het laat ook het belang zien van het verzamelen van tuinslakjes, diertjes die op het eerste gezicht helemaal niet zo interessant lijken.

  • Tatoeëerder Henk Schiffmacher met een Dodoskelet.

  • Kunstenaar Daan Roosegaarde met Morpho Cypris-vlinders in zijn studio in Rotterdam.

Is dat dan het belang van de collectie van Naturalis?

Vonk: ‘Ja! Veel mensen zien de T. Rex en denken: wow! Maar al die honderdduizenden kevertjes, vlindertjes, tuinslakjes - we hebben een collectie met 42 miljoen objecten - ik zou het leuk vinden als mensen na het lezen van dit boek daar de waarde van inzien. Voor nu én in de toekomst.’

Ontwerper Piet Hein Eek met perenhouten edelsteenmodellen samen met de originele stenen uit het museum in zijn studio in Eindhoven.

Ook in het boek benadrukken jullie steeds dat Naturalis niet alleen een museum is, maar ook een onderzoeksinstituut. Is dat een imagoprobleem?

Schilthuizen: ‘Het gekke is dat het tot de jaren negentig van de vorige eeuw juist andersom was. Toen hadden we geen tentoonstelling, maar klopten mensen toch op de deur. Er stond namelijk museum op het gebouw - verwarrend, want er was geen tentoonstelling, alleen de onderzoekscollectie. Toen de tentoonstelling er later bij kwam, werd dat het meest zichtbare. Terwijl het wetenschappelijk onderzoek dus de langste historie heeft.’

Vonk: ‘Onderzoek naar biodiversiteit is nu belangrijker dan ooit. Veel soorten staan onder druk. Wij vonden dat het belangrijkste onderdeel van het verhaal over Naturalis.’

Volg ons