New York ontdekken via Oom Gil

Door een toevallig verblijf bij Gilbert Reid op Oudjaarsdag 1999 leerde Chantal Heijnen met haar man New York kennen, om er uiteindelijk te gaan wonen – eerst bij ‘Uncle Gil’ thuis

New York was een andere ­wereld, toen Gilbert Reid eind jaren zestig op 18-jarige leeftijd vanuit South Carolina in de stad belandde. Had hij in het zuiden achterin de bus moeten zitten en had hij alleen ’s avonds op de radio de zwarte muziek kunnen horen die Amerika groot maakte, nu ging hij met de metro naar Harlem en stapte uit bij het Apollo Theater, waar hij op de voorste rijen ging zitten om James Brown, Patti LaBelle, Smokey Robinson en al die anderen te zien. ‘Ik staarde hen aan en zij keken terug’, zegt Reid. ‘Ik was trots op hen. Het voelde alsof zij trots waren op mij. Het Apollo werd mijn thuis.’

Reid (68) maakte deel uit van de Great Migration, de grote volksverhuizing van zwarte Amerikanen in de 20ste eeuw, vanuit het platteland in het zuiden naar de steden in het noorden en westen, die na de oorlog door witte Amerikanen werden ingeruild voor suburbia. New York was failliet, en zo belandde Reid met zijn moeder en broer en zussen in een appartement in The Bronx, in het stadsdeel dat was achtergelaten door Italiaanse, Ierse en Joodse bewoners. Hij ging werken bij een bank en later op een school en was een van de mannen die, terwijl The Bronx brandde, de stad erdoorheen sleepte.

Hier arriveerde de Nederlandse Chantal Heijnen met haar man Bart van Melik op Oudjaarsdag 1999, om met een Keniaanse vriend die bij Reid een kamer huurde het begin van het nieuwe millennium te vieren. Ze zou in zekere zin nooit meer weggaan. De jaren daarna gingen ze elke vakantie die ze hadden een paar weken naar The Bronx, om in 2008 zelf in te trekken bij ‘Uncle Gil’. ‘We werden meteen in de gemeenschap opgenomen’, zegt ze. ‘Via Gil ontdekten we New York.’ ‘Zonder zijn generositeit hadden we nooit de tijd en financiële ruimte gehad om hier onze nieuwe passies te vinden’, zegt Van Melik.

Nu wonen ze elders, maar komen ze elke week terug. Ze zitten op de bank, die is ingepakt in plastic, terwijl hun zoontje Lou een boek leest. Gil ademt moeilijk, hij heeft een slangetje in zijn neus en vecht tegen de longkanker, maar kraakt gretig de krab die Heijnen voor hem heeft meegebracht. Er lopen nog steeds huisgenoten in en uit – dit is een familie, ook zonder bloedbanden. Heijnen is fotograaf ­geworden, Van Melik meditatieleraar. Het is de energie van deze stad waarvoor ze gebleven zijn, de optimistische worsteling van immigranten in wijken als deze, waar steeds nieuwe nieuwkomers zoals ooit Gil en later zijzelf beginnen aan een nieuw leven. ‘We voelen een diepe liefde voor deze stad’, zegt Heijnen, ‘en die is voor ­altijd verbonden met Oom Gil.’