Reportage Terug naar Nagorno-Karabach

Mijnen, verwoeste moskeeën en graven, het doet er allemaal even niet toe. Revan is na 27 jaar thuis

Nagorno-Karabach kwam eind dit jaar weer in handen van Azerbeidzjan, bijna dertig jaar nadat Armenië het gebied had veroverd. Decennialang wachtten honderdduizenden mensen in armzalige vluchtelingenwijken op die wending van hun lot. De 33-jarige Revan Mammadov keert nu terug naar de plek die hij als 6-jarige verliet. ‘Kijk, mama. We zijn er...!’

Eigenlijk voelt heel Azerbeidzjan zich momenteel als Revan Mammadov, een 33-jarige vluchteling uit Nagorno-Karabach die vandaag de misschien wel vreemdste dag van zijn leven beleeft. Want of hij nou blijdschap voelt omdat hij voor het eerst de stad terugziet die hij als zesjarig kereltje moest ontvluchten, of juist woede omdat er van diezelfde stad vrijwel niets meer over is, Mammadov weet het niet. Hij weet eigenlijk alleen dat hij verschrikkelijk opgewonden is, ‘want kijk dan’, wijst hij om zich heen. ‘Kijk dan, mamma: Agdam!’

Mammadov versnelt zijn pas, stopt, schudt zijn hoofd, slikt, rookt een sigaret, kust zijn moeder, vertelt over zijn hier gesneuvelde vader, rookt nog een sigaret, wijst opnieuw en zegt: ‘Kom, we gaan ons huis zoeken.’

De laatste keer dat Mammadov en zijn moeder in Agdam waren, was het 1993 en woedde de oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan nog volop. Het was een bloedige oorlog met als inzet de macht over de bergregio Nagorno-Karabach. Armenië won die oorlog waarna het ongeveer 14 procent van Azerbeidzjaans grondgebied innam. Om een soort bufferzone te creëren, maakten de Armeniërs een aantal steden nabij de nieuwe grens, waaronder Agdam, met de grond gelijk. ‘Het Hiroshima van de Kaukasus’, noemt Mammadov het. ‘Tsjernobyl’, is de vergelijking die zijn 65-jarige moeder Sulbaz Mammadova maakt.

Sinds dat verlies is het eigendomsrecht van Nagorno-Karabach fundamenteel onderdeel geworden van de Azerbeidzjaanse identiteit. De belangrijkste berg in hoofdstad Bakoe is gereserveerd voor de graven van soldaten die sneuvelen in precies die strijd en iedere schooljongen kan je vertellen hoeveel burgers de Armeniërs hebben afgeslacht op 26 februari 1992 in Khojali.

Dus wat waren de Mammadov, zijn moeder en al die schooljongens blij toen Azerbeidzjan vorige maand na een korte, maar hevige oorlog een groot deel van het dertig jaar geleden verloren gebied terugveroverde op Armenië. Dat het verhaal van Nagorno-Karabach eindelijk een einde kreeg, en dan geen treurig eind, zoals lang werd gevreesd, maar een glorieus einde, zorgt al weken voor een euforisch gevoel in het land. ‘Karabach is Azerbeidzjaans!!!’, is niet voor niets de jubelkreet die momenteel op vrijwel alle posters langs alle wegen in heel het land prijkt.

De ruzie tussen over Nagorno-Karabach is een conflict van Israëlisch-Palestijnse proporties. Vanwege de strategische plek op de Zijderoute werd het afwisselend overheerst door de Perzen, de Russen, de Ottomanen, de Mongolen en de Arabieren, waardoor de grenzen al een geschiedenis lang vloeibaar zijn. In het gebied botsen bovendien twee wereldreligies op elkaar, het christendom en de islam, en midden in de bergen liggen ook nog eens steden als Sjoesja, die zowel van enorme culturele waarde zijn voor Azerbeidzjan als voor Armenië.

Het gevolg: twee buren die om beurten slachtoffers en daders van de geschiedenis werden omdat ze beiden vinden dat hun land niet compleet is zonder Nagorno-Karabach. Daarom wonen ze al decennia op een landkaart die eruit ziet als een ratjetoe, met enclaves, exclaves, ingenomen gebieden, verlaten steden, geplunderde graven, een door buitenlandse vredestroepen bewaakte frontlijn met loopgraven en onbegaanbare wegen vanwege de talloze mijnen. Geen regio ter wereld heeft meer mijnslachtoffers per hoofd van de bevolking dan Nagorno-Karabach; meer dan 1 per 200 inwoners verwondde zichzelf of stierf hier de afgelopen decennia door toedoen van een mijn, aldus cijfers van het Internationale Rode Kruis

Niet voor niets trekken de soldaten de drieste Revan Mammadov continu aan zijn mouw als hij, op zoek naar zijn geboortehuis in Agdam, weer een weg in wil slaan die hij denkt te herkennen. Ze zijn bang zijn dat hij op een mijn stapt.

‘Ja, maar ons huis is hier naar links.’

‘Die mijnen zijn een van de redenen dat we nog geen datum kunnen plakken op de terugkeer van onze binnenlandse vluchtelingen’, zegt Hikmet Hajiyev, adviseur en rechterhand van president Ilham Aliyev. ‘Eerst moet het gebied veilig zijn, dan gaan we nieuwe infrastructuur aanleggen, daarna huizen en scholen, en dan kunnen onze vluchtelingen eindelijk terug.’ Nu een groot deel van Nagorno-Karabach heroverd is, kan Azerbeidzjan eindelijk van start met het Grote Terugkeer Programma; een gigantisch en peperduur meerjarenplan dat erin moet voorzien dat Mammadov en zijn moeder over een aantal jaar weer in hun oude, volledig herbouwde stad wonen.

De ruïnes van de verwoeste stad Agdam in Nagorno-Karabach.

Naast de diep gekrenkte trots was dat namelijk een van de meest ingrijpende gevolgen voor van de verloren oorlog dertig jaar geleden: Azerbeidzjan moest opeens 750 duizend binnenlandse vluchtelingen zien te huisvesten, wat bijzonder veel is in een land met minder dan tien miljoen inwoners. Sterker nog: er is vrijwel geen land ter wereld met meer binnenlandse vluchtelingen per hoofd van de bevolking dan Azerbeidzjan.

Veel van die vluchtelingen bivakkeerden de eerste jaren in armetierige slaapzalen, leegstaande treinwagons of tentenkampen, waarna de meesten verhuisden naar haastig gebouwde, grauwgrijze gebouwen verspreid over heel het land. Bijvoorbeeld Bahar Samadova (50). Sinds ze haar huis in Nagorno-Karabach in 1993 op blote voeten moest ontvluchten, woont ze samen met haar overgebleven familie in een vluchtelingenwijk in hoofdstad Bakoe, in een gebouw dat de vrij letterlijke bijnaam ‘het onafgemaakte gebouw’ draagt.

De straten eromheen zijn van modder, overal scharrelen kippen rond en hangen losse elektriciteitsdraden en als de bewoners je toelachen, zie je dikwijls gouden tanden glinsteren. Na zoveel tegenslag in hun leven vertrouwen de binnenlandse vluchtelingen van Azerbeidzjan hun spaargeld enkel nog toe aan hun eigen mond.

‘Er is ons verteld dat we op termijn terug kunnen gaan, en dat is geweldig’, zegt Samadova. ‘Want ook al stierf haar man tijdens de gevechten rondom Nagorno-Karabach, ook al verloor ze er al haar spullen en vroor haar vier jaar oude zoontje er dood tijdens de vlucht, het is en blijft haar vaderland, zegt ze. ‘Het is de plek waar ik hoor. Ik neem het onze overheid daarom ook niet kwalijk dat we al die tijd in zo’n klein huisje moesten wonen. We vinden het hier niet fijn, maar we wilden helemaal niet ergens anders wortelen. We wilden maar een ding, namelijk naar huis.’

Een belangrijke onderdeel van het Grote Terugkeer Programma is de komende maanden zoveel mogelijk vluchtelingen alvast een rondleiding te geven door heroverde gebieden. Vandaar ook dat Revan Mammadov vandaag met zijn moeder door Agdam loopt. De overheid vindt het enerzijds belangrijk alle ontheemden weer de geur van hun eigen tijm kunnen ruiken, anderzijds wil ze aan zoveel mogelijk burgers laten zien wat voor vernielingen de Armeniërs hebben aangericht, hoeveel graven van hun voorouders ze hebben vernield, en hoeveel moskeeën ze de afgelopen dertig jaar hebben gebruikt als varkensstallen.

‘Wat de Armeniërs met onze steden hebben gedaan is afschuwelijk en niet te begrijpen’, zegt moeder Mammadova terwijl ze hoofdschuddend een van die verwoeste moskeeën binnenloopt, waar het mest van de varkens inderdaad nog te ruiken is. ‘Zelfs de Barbaren hebben dit soort misdaden niet begaan. Hier, in onze stad, hebben de Armeniërs hun ware aard laten zien.’

  • Revan Mammadov voor het graf van voormalig leider van de Azerbeidzjaanse Volksfrontpartij, Allahverdi Bagirov.

  • Revan Mammadov en zijn moeder Sulbaz Mammadova op de plek waar hun huis stond in de stad Agdam.

Het zijn dergelijke uitspraken – die om de haverklap terugkeren in gesprekken met Azerbeidzjanen – waardoor het lastig voor te stellen is dat de twee volkeren ooit weer als goede buren kunnen samenleven. Zeker omdat de tienduizenden Armeniërs die de afgelopen decennia een leven opbouwden in Nagorno-Karabach, en nu moeten vluchten, de komende jaren dezelfde gevoelens van wrok, frustratie en haat zullen ontwikkelen die de Azerbeidzjanen nu voelen.

‘Een oorlog winnen is lastig, een vrede winnen nog veel moeilijker’, zegt presidentsadviseur Hajiyev. ‘Maar ik verzeker u: wij willen deze vrede winnen. Wij zullen ons niet gedragen zoals de Armeniërs in de jaren negentig, door etnische zuiveringen uit te voeren. Wij willen de destructie omzetten in constructie.’

Ondanks die beloftes verlieten vrijwel alle Armeense bewoners van Nagorno-Karabach de afgelopen weken hun dorpen. Zij vreesden massaslachtingen, zeker nadat organisaties als Human Rights Watch en Amnesty International met rapporten naar buiten kwamen over excessief geweld bij de herinname van de gebieden. Er kwamen filmpjes voorbij van vernederingen, mishandelingen, martelingen, onrechtmatige executies en zelfs onthoofdingen van Armeniërs.

‘We nemen die aantijgingen heel serieus en hebben al vier verdachten gearresteerd’, zegt Hajiyev. ‘Wat wij alleen wel verontrustend vinden, is dat er aan Armeense zijde nog niemand is gearresteerd, terwijl ook aan die kant oorlogsmisdaden zijn begaan.’

En wat te denken, voegt hij toe, van de Armeniërs die, puur om Azerbeidzjanen dwars te zitten, voor het vertrek uit hun dorpen nog de daken van hun woningen sloopten, de ruiten insloegen en hun fruitbomen in de brand zetten? Of de burgerdoelen die zij de afgelopen weken in steden als Ganja en Naftalan bombardeerden ‘De Armeniërs zeggen altijd dat zij tot slachtoffer worden gemaakt, maar al hun misdaden dan? Hun urbicide – een genocide op steden – was zelfs onderdeel van hun beleid. Ze wilden alle sporen van Azerbeidzjan in Karabach uit te wissen. Mijn vraag: waarom hebben ze dat gedaan? Hoe rijmt dat met die zogenaamde onschuld?’

Een agent in gesprek met een militair bij een militaire post vlakbij de verwoeste stad Agdam in Nagorno-Karabach.

‘Het zal moeilijk worden om met de Armeniërs samen te leven, maar als zij onze rechten erkennen, en hun excuses aanbieden, dan is het mogelijk’, zegt ook vluchteling Mammadov. Hij herhaalt een riedeltje dat vaker klinkt in gesprekken over dit onderwerp. Dat is overigens niet vreemd want de persvrijheid in Azerbeidzjan verkeert volgens Reporters Without Borders in een abominabele toestand en ook oppositieleden worden volgens Human Rights Watch om de haverklap gearresteerd en opgesloten. Iedereen die je spreekt denkt er dus hetzelfde over en iedereen die er anders over denkt krijg je niet te spreken.

Bovendien is Mammadov sowieso elders met zijn hoofd, want hij houdt opeens zijn pas in, wendt zich tot zijn moeder en zegt: ‘kijk, mamma. We zijn er...’

De twee staan voor een hoop stenen op een verder verlaten weiland. Er is niets meer intact, maar toch krijgen zowel moeder als zoon tranen in hun ogen, die direct daarna worden ingewisseld door enorme glimlachen. Want ja: ze verloren hun spullen, hun stad en hun familieleden in de strijd. Ze moesten drie decennia in kleine, scharrige vluchtelingenhuisjes wonen en hebben bovendien geen idee hoe lang het ontmijnen en de wederopbouw nog zal duren. Maar nu, op dit moment, doet dat er allemaal even niet toe. Want voor het eerst in 27 jaar zijn ze nu thuis.

Verbetering

In een eerdere versie van dit artikel stond dat op 26 januari 1992 in Khojali een slachting plaatsvond. Dat moet februari zijn.

Volg ons