Hoe het burgerlijke strijkkwartet de revolutionaire 20ste eeuw overleefde

Zaterdag begint de Strijkkwartet Biënnale in Amsterdam. Hoe overleefde dat burgerlijke ensemble de revolutionaire 20ste eeuw?

Zo doe je dat dus, een comeback maken. Het strijkkwartet was in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog doodverklaard door jonge Europese componisten, net als het pianotrio, het blaaskwintet en andere burgerlijke muziek uit de 19de eeuw. De toekomst was aan de kersverse elektronica.

En kijk nu eens. In hun Amsterdamse repetitielokaal maakt het Ruysdael Kwartet zich de lastigste passages eigen van Salome Dances for Peace. Het is in 1986 gecomponeerd door de Amerikaan Terry Riley en heeft een mammoetlengte van twee uur. Met meditatieve en springerige hoofdstukken is het een overweldigend patchwork waarmee de pionier van de minimal music de wereldvrede een warm hart toedraagt. Levenslust alom.

In de tweede helft zit een deel waarin slierten van staccato gespeelde zestiende noten precies gelijk moeten, of juist precies ongelijk. Stokken stuiteren over de snaren van de vier strijkinstrumenten, terwijl buiten de avond invalt. Bij de laatste uitvoering raakte het kwartet hier de tel kwijt. Nu ook. Maar dat komt omdat het moderne voetpedaal dienst weigert, waarmee violist Joris van Rijn draadloos de pagina’s van zijn bladmuziek op de tablet kan omslaan.

De compositie van Riley staat op het programma van de Strijkkwartet Biënnale, een achtdaags festival waar maar liefst negentien strijkkwartetten optreden. Tientallen concerten, workshops en lezingen zijn er in het Muziekgebouw in Amsterdam, meestal al vanaf half 10 ’s ochtends. Ze spelen niet alleen werk van lang geleden: op de lessenaars staan meer dan dertig stukken die na 1945 zijn gecomponeerd. Van enkele is de inkt nog nauwelijks droog.

Kortom, het strijkkwartet leeft als nooit te voren en dat kun je gerust ‘een mirakel’ noemen, zegt Evan Jones, cellist en muziektheoreticus, verbonden aan Florida State University en samensteller van het tweedelige overzichtswerk Intimate Voices: The Twentieth-Century String Quartet (2009). ‘De sleutelfiguren van de avant-garde spraken na de oorlog ferme taal over de oude genres: operahuizen moesten bijvoorbeeld worden platgebrand. Voor het strijkkwartet leek niet veel plek meer te zijn.’

Hoe kan het dan dat het strijkkwartet toch de revolutionaire 20ste eeuw heeft overleefd? Dat komt omdat niemand helemaal kan afrekenen met zijn eigen geschiedenis.

Geliefd genre

Componist Joseph Haydn ontdekte de magie van de vier strijkers rond 1760. Twee violen, een altviool en een cello, dat zijn samen zestien snaren die wel zes octaven omvatten, van het aardse fundament van de cello tot de stratosferische hoogten van de viool. Haydn schreef in zijn enthousiasme meteen 68 strijkkwartetten.

In zijn spoor volgden al snel andere groten: Wolfgang A. Mozart (23 kwartetten plus nog wat los werk), Ludwig van Beethoven (16 kwartetten) en Franz Schubert (zeker 15 kwartetten). Met dat pakket aan partituren groeide het strijkkwartet in de 19de eeuw uit tot een geliefd genre van de Europese bourgeoisie, die er tussen de schuifdeuren van hun huiskamers wel raad mee wist.

‘In het begin was ik geïntimideerd’, zegt componist Holly Harrison, wier Balderdash, haar eerste strijkkwartet uit 2017, zijn Nederlandse première beleeft tijdens de Amsterdamse biënnale. De Australische, geboren in 1988, woont bij de Blue Mountains, een streek ten westen van Sydney waar onlangs de bosbranden nog voorbijtrokken. Aan de telefoon zegt ze: ‘Achter het strijkkwartet gaat zo veel geschiedenis schuil. Ik wilde het wel recht doen.’

Toen ze voor Balderdash (hier te beluisteren) te rade ging bij een strijkkwartet ontdekte Harrison, die zelf een drummer is, dat de strijkers allerlei ‘ritmische, percussie-achtige klanken’ kunnen voortbrengen. ‘Ik kon de klassieke klank een beetje viezig maken, dirtying it up.’

Ruim twee jaar later is Harrison zo vertrouwd met het kwartet dat er al een stuk is voor fagot en strijkkwartet, en dat ze werkt aan een compositie voor klarinet en strijkkwartet. ‘De variatie in klanken is zo groot. Je kunt de vier instrumenten laten samensmelten tot één, maar je kunt ze ook in klankkleur laten contrasteren. Ik denk dat er nog zo veel klankmogelijkheden niet zijn ontdekt dat nog twintig jaar vooruit kunnen. Voor mij als componist is het trouwens ook fijn dat er tegenwoordig zo veel strijkkwartetten zijn: dan heb je nog eens de kans dat je stuk een tweede keer wordt uitgevoerd.’

Zo zagen nieuwlichters als de Duitser Karlheinz Stockhausen en de Fransman Pierre Boulez het in de jaren vijftig dus helemaal niet. Het strijkkwartet stond symbool voor een corrupte Europese cultuur, die onder Hitler en de nazi’s was geëindigd met de gaskamers van Auschwitz. Aan het einde van de dag legden Duitse kampcommandanten thuis nog weleens de muziek van Beethoven op hun 78-toerendraaitafel.

De jonge helden gingen in de jaren vijftig op zoek naar een nieuwe toontaal, die paste bij de wereld na de Holocaust en na de atoombom. De toekomst was aan de kersverse elektronica of anders wel aan ensembles van ongehoorde samenstelling. Goed, Dmitri Sjostakovitsj ging in de Sovjet-Unie rustig door met het schrijven van strijkkwartetten (15 stuks in totaal), maar die zette zich daarmee dan ook buiten spel in de ogen van de West-Europeanen. Componisten haalden inspiratie uit het atonale melodrama Pierrot Lunaire, dat Arnold Schönberg in 1912 componeerde voor spreekstem, fluit, klarinet, viool, cello en piano. Een combinatie die echt nergens op leek.

Wedijver

Jones: ‘Achteraf kun je zeggen dat toen een soort wedijver is begonnen tussen het strijkkwartet en het gemengd ensemble. Een strijd tegen de klankeenheid van de vier strijkers.’

De geschiedenis van het ‘anti-strijkkwartet’, zegt hij, gaat van Pierrot Lunaire naar het apocalyptische Quatuor pour la fin du temps (1941) van Olivier Messiaen. Demonstratief benoemde hij het quatuor (kwartet) in de titel, maar hij bedoelde daarmee viool, klarinet, cello en piano. De trend leidde onvermijdelijk tot Le Marteau sans maître, dat Boulez in 1954 voltooide voor de bizarre combinatie van zangstem, altviool, gitaar, xylorimba, vibrafoon en een boel klein slagwerk.

De standaard voor de nieuwe tijd was daarmee gezet. De Nederlandse ensemblecultuur die in de jaren zeventig opkwam was daar bijvoorbeeld het gevolg van. Het Schönberg Ensemble, het Asko Ensemble en het Nieuw Ensemble gooiden internationaal hoge ogen. Inmiddels zijn de eerste twee gefuseerd, en is het derde afgelopen december opgeheven – vege tekenen van hoe ‘de langdurige oorlog tussen de genres’ (in de woorden van Jones) gaat eindigen.

De tegenbeweging kwam al op gang in de jaren zestig, volgens Jones. Componisten als de Hongaar György Ligeti en de Griek Iannis Xenakis zochten alweer een antwoord op het strenge modernisme. Ze zochten daarvoor, jawel, aanknopingspunten bij de geschiedenis. Het strijkkwartet sprong er uit vanwege de eindeloze mogelijkheden in klank – vandaar dat het pianotrio of het blaaskwintet nooit een comeback hebben weten te maken.

‘Xenakis droeg de musici op zonder vibrato en agressief te spelen en bereikte zo de bijna elektronische klank die hij zocht. Ik maakte als student kennis met hem toen ik Tetora speelde, zijn derde strijkkwartet uit 1990. Het veranderde mijn leven: het zette me als cellist en als onderzoeker op het spoor van de moderne muziek’, zegt Jones.

Piekerig haar

De wederopstanding van het strijkkwartet is niet los te zien van twee kwartetten die in de jaren zeventig zijn opgericht – het Britse Arditti Kwartet (ook te horen op de Biënnale in Amsterdam) en het Amerikaanse Kronos Kwartet. Verwierf het Arditti naam met heroïsch precieze uitvoeringen van de hermetische avant-garde, het Kronos gooide de luiken openen met een vrolijke hippiebenadering die ook Jimi Hendrix-bewerkingen op de lessenaar deed belanden. (Bovendien nam het Kronos afscheid van het klassieke muziekuniform van donkere pakken, en was piekerig haar op het podium toegestaan.)

Voor componist Terry Riley had geschreven muziek afgedaan toen het Kronos Kwartet hem eind jaren zeventig om een stuk vroeg. Het enthousiasme van het Kronos opende voor hem de weg terug naar het klassieke ensemble: hij schreef inmiddels een stroom kwartetstukken, waaronder het nu door het Ruysdael Kwartet gespeelde Salome Dances for Peace.

Het was niet dit type stuk waardoor Joris van Rijn, violist van het Ruysdael, zich op het conservatorium aangetrokken voelde door het kwartet. ‘Ik wilde Schubert spelen, Der Tod und das Mädchen. En al heel snel ook Beethoven, opus 130.’ Het was het begin van een reis door de muziekgeschiedenis. Via de vooroorlogse meesters Alban Berg en daarna Béla Bartók – ‘van wie je leert dat muziek niet alleen is gecomponeerd om mooi te zijn’ – naar het moderne werk. Vol is Van Rijn nu van Kaon (1984), waarin de Amerikaan James Tenney het kwartet van marteling naar verlossing laat gaan, door intense valsheid uiteindelijk te laten oplossen in harmonie.

Uiteindelijk zijn zelfs de nieuwlichters van de jaren vijftig weer gevallen voor het strijkkwartet, als om de comeback te bekrachtigen. Karlheinz Stockhausen componeerde in 1994 het Helikopterkwartet, waarvoor de vier strijkers daadwerkelijk moeten opstijgen – een stuk dat afgelopen jaar nog eens in het Holland Festival klonk als onderdeel van de muziektheatercyclus Aus Licht. En Pierre Boulez maakte na 64 jaar Livre pour Quatuor af, het strijkkwartet waaraan hij in 1948 was begonnen.

De klank van een ‘familie van instrumenten’ is misschien alleen te vergelijken met vier zangstemmen, zegt Emi Ohi Resnick, de andere violist van het Ruysdael. Het mooie is dat er geen dirigent is, zegt ze. Je staat heel dicht bij elkaar. ‘Natuurlijk zijn er verhalen van kwartetten waar de leden elkaar haten, maar meestal zijn het je beste vrienden.’

‘Het strijkkwartet is drijfzand’, zegt Van Rijn. Het is altijd spannend. ‘Als het lukt om met z’n vieren echt rein te intoneren, dan stijgt de muziek op, zo zuiver is het dan. Maar het risico bestaat altijd dat je wegzakt.’

Strijkkwartet Biënnale, van 25/1 t/m 1/2 in het Muziekgebouw in Amsterdam. Het Goldmund Kwartet speelt Balderdash van Holly Harrison op zondag 26 januari om 13.00 uur. Het Ruysdael Kwartet speelt Salome Dances for Peace van Terry Riley op donderdag 30 januari om 13.15 uur.

Bij de eerste editie van de Strijkkwartet Biënnale zetten we op een rij waarom het schrijven van een kwartet de ultieme test is voor componisten.