Een voorproefje van drie exposities die we straks mogen bezoeken

Vanaf 1 juni gaan de musea weer open. En daarmee is de periode van het verheugen aangebroken: wat willen we straks als eerste  zien? Een voorproefje van drie interessante exposities.

Wijkt het nieuwe normaal straks af van het oude normaal? Niet qua museumbeleving, wellicht. Niet in de vaderlandse kunsttempels. Enkele hoofdstedelijke instellingen en incidentele blockbusters daargelaten, was het daar altijd al rustig. In collectie-opstellingen van Groningen tot Limburg: men liep er soms alleen. Op zulke plekken is het eenvoudig om anderhalve meter te handhaven. Anderhalve kilometer zou ook nog wel lukken.

Dat deze attracties nu zouden veranderen in een oncontroleerbaar Times Square is een onwaarschijnlijk scenario. Het is mooi dat men er vanaf 1 juni weer naartoe kan.

Nu die datum in de agenda is gepotlood, is er een nieuwe periode aangebroken: die van het verheugen. Wat willen we straks als eerste zien? Worden het de verkwikkende schilderijen van Reinier Lucassen (Kunstmuseum Den Haag, t/m 11 oktober) of, een deurtje verder, de aandoenlijke teddyberen-foto’s van Helena van der Kraan (Fotomuseum, t/m 1 november). Of wordt het een van de drie zeer interessante exposities (Stilleven, The absence of Mark Manders, Niet met zoveel woorden) wier conservatoren we hier aan het woord laten?

Expositie: Stilleven, Museum Gouda, t/m 12/9

Verrassend: moderne stillevens van Nederlandse en Vlaamse makelij leidden hier lang een stil leven. Werk in dit genre van de hand van (semi)moderne schilders als Jan Sluijters en James Ensor vormden nimmer een overzicht – maakten ze deel uit van een monografische tentoonstelling, dan fungeerden ze vaak als bijgerecht, zelden als hoofdmaal.

Het zal iets te maken hebben met de sport die het stilleven traditiegetrouw kreeg toebedeeld op de artistieke ladder: de onderste. Een stilleven wordt bovendien nogal eens gezien als een studie of vingeroefening – dat deed de statuur ook weinig goed. Uiteraard moest ooit het moment komen dat een conservator dacht: hé, stillevens in de Lage Landen sinds de late 19de eeuw, dáár moet eens een goed overzicht van komen. Museum Gouda heeft die tentoonstelling gemaakt. De betreffende conservator heet Ingmar Reesing.

Eerst even een vraag uit persoonlijke interesse: heeft Reesing tijdens de quarantaine net als menig professional en amateur ook zelf stillevens gemaakt?

Amper, zegt hij. Een foto van een stapel worstenbroodjes en een kop koffie, dichter bij het genre kwam hij de afgelopen maanden niet. Hij fotografeert graag, maar andere dingen. Wat stillevens betreft houdt hij het bij kijken en schrijven.

Stilleven, Museum Gouda, t/m 12/9

Wat het genre (dat hier is opgedeeld in subcategorieën als vorm, kleur en textuur) onder meer zo aantrekkelijk maakt, zegt Reesing, is haar laagdrempelige karakter. Je hebt er weinig voor nodig; geen modellen, geen exotische rekwisieten, wat rondslingert op de keukentafel volstaat, in principe. Reesing: ‘Jan Sluijters verwoordt dit mooi in een interview in de NRC in 1927: ‘De wereld van mijn inspiratie ligt in een kring van vijfentwintig meter om me heen. Ik reis niet. Hier vind ik alles wat ik schilder, mijn vrouw, mijn kinderen, deze meubelen, een paar vazen en pullen, de bloemen, ja deze cactus­planten […].’’

Het schilderen van die ‘wereld’ is per definitie contemplatief, weet Reesing. Men kijkt met verhoogde concentratie naar een bekend geacht stukje realiteit. De eierdopjes en flarden karton op het stilleven van Dick Ket waren niks, maar door de manier waarop Ket ze ordende, uitlichtte en vervolgens vertaalde naar olieverf werden ze toch iets uitzonderlijks. Kets stillevens illustreren daarmee een oude waarheid: dingen zijn niet intrinsiek belangrijk, ze ontlenen hun importantie aan de aandacht waarmee ze worden bekeken.

De keuze om Hollandse stillevenschilders als Ket te tonen naast hun Vlaamse tijdgenoten is allesbehalve gratuit, betoogt Reesing. Verscheidene van hen kenden en beïnvloedden elkaar. Zij hokten samen in Parijs, toen ’s werelds artistieke epicentrum, en exposeerden bij dezelfde galeries. Groepen als Les Vingt (Brussel) en De Stijl – Mondriaan en Van der Leck schilderden ook stillevens – kenden bovendien zowel Hollandse als Vlaamse leden.

De variëteit is groot hier. Voor sommige kunstenaars was het stilleven een exposé van bourgeois genoegens (Willem Steelink jr.); voor anderen bleef het een herinnering aan verval en sterfelijkheid (Koch); voor weer anderen was het een proeftuin voor vormtechnische experimenten. Voor Peter Alma, bijvoorbeeld. Hij vereenvoudigde een opstelling met een tafel, een blaasbalg en ander handgereedschap tot een constellatie van rechthoeken en cirkels tegen een witte achtergrond. De sectie waarin het hangt heet flatlay, naar de trend op sociale media om een ding (een make-updoos, een brandweerauto) leeg te trekken en de inhoud van boven te fotograferen. Leuk gevonden, inderdaad.

Dick Ket, Stilleven met de hand, 1933, olieverf op doek

Dick Ket, Stilleven met de hand

Vanwege een hartkwaal was Dick Ket aan huis gekluisterd. Diezelfde kwaal bezorgde hem trommelvingers. Op dit stilleven met kom, cactus, papieren en foto’s is van die trommelvingers niks te zien: Kets hand is gebald. Mooi is de manier waarop hij het kommetje schilderde: daar kun je je hand zo in stoppen.

Jean Brusselmans, Stilleven met lamp, 1936, olieverf op doek, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

Jean Brusselmans, Stilleven met lamp

De Vlaamse schilder Jean Brusselmans wordt de laatste jaren herontdekt, mede dankzij het recente overzicht in het Kunstmuseum Den Haag. Zijn portret van zijn vrouw op een bank was al langer een publieksfavoriet in het Stedelijk. Brusselmans schildert alles vlak. Hier ook: mandje brood, olielamp, waterkan: alles oogt alsof het is platgedrukt, als een pad op het asfalt. Het is geen flatlay. Het is flatstand.

James Ensor, Stilleven met bloemen en maskers, 1920, olieverf op doek, Stedelijk Museum, Amsterdam

James Ensor, Stilleven met bloemen en maskers

Ensor kennen we van zijn macabere voorstellingen met schilderende skeletten en diabolische mensenmassa’s, maar hij was zijn leven lang ook een meer dan verdienstelijk stillevenschilder. Geroemd zijn zijn fraaie stillevens van vissen (zeeduivels); hier zijn bloemen het onderwerp: lelies, ama­ryl­lis­sen, een dode vogel, die ook. Naast naturaliën zien we Ensors handelsmerk: carnavalsmaskers. Hij woonde boven een winkel waar ze zulke maskers verkochten – vandaar.

Expositie: The absence of Mark Manders, Bonnefanten Maastricht, t/m 23/8

De actualiteit kan een kunstwerk kleuren – ja, met dit soort open deuren krijgen we de kolommetjes wel vol. Mark Manders’ Mind Study (1992-2011) is zo’n door het heden gekleurd werk, een industrieel aandoend stelsel van buizen en cilinders, met aan het uiteinde ervan twee gevloerde beesten en een mens. In die mens herkent men makkelijk een coronapatiënt aan de zuurstof. Zo wordt de kunstinstallatie een onheilsbode.

Merkte Bonnefanten-directeur Stijn Huijts die analogie al op, ja toch zeker wel?

Niet echt, sorry.

Zo dwingend is het verband nu ook weer niet, meent hij. Maar dat Manders’ werk dergelijke associaties oproept, begrijpt hij dan weer wel.

Manders’ installaties, die door een onzichtbaar web met elkaar lijken verweven, gaan over het denken. Specifieker: Manders’ installaties materialiseren het denken dat aan het maken van een installatie voorafgaat. Het zijn gestolde associaties. De efemere en ongrijpbare gedachtespinsels die een kunstenaar door het hoofd schieten, en dat dan concreet gemaakt met brons, epoxy en ijzer: dat is wat de sculpturen van Mark Manders zijn.

Waren zijn werken leestekens, dan waren ze komma’s, geen punten.

Het zijn heel eigenaardige dingen. Shadow Study (2016-19), bijvoorbeeld, bestaat uit een ijzeren, driepotige constructie met daarin een menselijk dijbeen waarboven een koffiekopje hangt. Het kopje hangt ondersteboven en werpt een zachte schaduw op het dijbeen. Het verbeeldt de volgende gedachtetrein, legt Huijts uit: een kopje koffie rust tijdens het drinken vaak in de buurt van het dijbeen, dus waarom zou je niet een sculptuur maken die bestaat uit enkel kopje en dijbeen, en als je dan toch bezig bent kun je meteen ook iets doen met het gegeven dat een koffiekopje niet enkel koffie bevat, maar ook schaduw, en dat je je dan afvraagt of de schaduw uit zo’n kopje stroomt als je het omkeert…

Huijts, droogjes: ‘Ja, het is een bizar verhaal, maar kunst mag bizar zijn.’

Manders, vertelt Huijts, werkt lang aan zijn installaties. Heel lang, soms. Negentien jaar lang, zoals in het geval van Mind Study (1992-2011). Niet fulltime, hè. In fasen.

Een installatie ligt in Manders’ atelier, totdat hij weet hoe hij hem kan voltooien. Het kan plotseling gebeuren. Sterker, het gebeurde een keer toen Huijts erbij was. Manders heeft een immens atelier, en terwijl hij Huijts daar rondleidde wees hij verrast op een sculptuur die schuilging onder een laag stof. Die sculptuur lag er al jaren, vertelde Manders Huijts, maar nu ze hier zo stonden dacht hij opeens te weten hoe hij hem moest afmaken...

Room with unfired clay figures, 2011-2015

Enfin, de expositie bestaat uit drie delen. Het begint met een woonkamer-achtige setting; daarna volgen delen die doen denken aan een museum en een atelier. De tentoonstelling doet een groter beroep op de fantasie van de kijker dan veel andere presentaties, meent Huijts. Met name het ateliergedeelte ziet eruit alsof het door de kunstenaar in de steek is gelaten. De grote, dreigende koppen van klei en hout die er staan ogen ook half voltooid. Ogen.

Ze zijn niet echt unvollendet. De vochtige boetseerklei is in werkelijkheid epoxy; de ‘droge klei’, op zijn beurt, bestaat uit brons. De ogenschijnlijk half-voltooide beelden blijken in feite zeer bewerkelijke trompe-l’oeils. De nonchalance hier is zwaarbevochten.

Mind Study, 2010/2011, hout, epoxy, beschilderd keramiek, beschilderd canvas, ijzer, Bonnefanten, Maastricht

Mind Study, 2010/2011

In een kamer staat een houten tafel. Het is een lange tafel, het soort waaraan gewichtige lui vergaderen. Rond de tafel staan stoelen. Aan het hoofd van de tafel zweeft een arm- en geslachtloze figuur, een van zijn benen is hij (zij?) ook al kwijt. In de verte heeft hij wel iets weg van de gekruisigde Christus. Is hij de topman van het bedrijf, die stante pede werd gekruisigd omdat de kwartaalcijfers tegenvielen? Het is een onkenbare figuur. Maar dat-ie in een penibele situatie zit, staat vast.

Falling Dictionaries, 2015-2019, acryl en offsetdruk op papier, hout, Bonnefanten, Maastricht

Falling Dictionaries, 2015-2019

In de tentoonstelling Niet met zoveel woorden in het Kröller-Müller Museum draait alles om woorden. In de Mark Manders-tentoonstelling zijn woorden ook omnipresent. Men vindt er bijvoorbeeld een krant waarin precies nul nieuws is te vinden (zelfs geen coronanieuws), maar wel zo’n beetje elk woord uit de Engelse taal, bijeengebracht in nonsense-koppen. Ook zijn er schilderijen van de plekken waarin we al die woorden opbergen: het woordenboek. Ze zijn geschilderd op materiaal gemaakt van oude kranten. Word.

Room with unfired clay figures, 2011-2015, beschilderd brons, hout, beschilderde epoxy, Bonnefanten, Maastricht

Room with unfired clay figures, 2011-2015

Het laatste deel van de Mark Manders-expositie heeft wel iets weg van een atelier. De kunstenaar is nergens te bekennen. Wel staan er staan er grote (vrouwen)koppen die worden gekliefd door houten platen (iets met splijtende hoofdpijn?). Ze lijken gemaakt van klei die stilletjesaan begint te barsten. In werkelijkheid bestaan ze uit beschilderd brons. Het geheel, zegt Huijts, moet de indruk wekken alsof de maker even een krantje is gaan kopen. Dat is gelukt.

Expositie: Niet met zoveel woorden, Kröller-Müller Museum, Otterlo, t/m 13 september 2020

In 1916 schilderde Juan Gris (spreek uit: Guwan Krie), Spanjaard in Parijs, een kubistisch stilleven op triplex, Cartes à jouer et siphon. Het toont speelkaarten, een glas en een sifon (spuitwaterfles); aan de rechterkant schilderde Gris óók nog een flard krant: le Journal.

Met die laatste kunstgreep toonde hij zich waarlijk modern. Hier dienden letters nu eens niet ter aanduiding van een titel en/of opdrachtgever, zoals ze van oudsher hadden gedaan, maar om de compositie op te peppen met een prozaïsch element, iets wat direct was geworteld in de realiteit – de schoonheid van hun typografie deed er wellicht ook toe. Gris, om kort te gaan, gebruikte de woorden vanuit esthetische in plaats van praktische overwegingen. Daarmee is zijn schilderij het perfecte startschot voor Niet met zoveel woorden, een expositie over taal in (moderne) kunst in het Kröller-Müller Museum.

Het museum op de Veluwe is de uitgelezen instelling om een expositie over dit thema te maken, vertelt Renske Cohen Tervaert, conservator bij K.M. en samensteller van het project. Het museum bezit veel kunst van makers die woorden en taal als beeldend middel gebruiken: Bruce Nauman, Joseph Kosuth, er zijn er nog veel meer. Voor deze rijke aanwezigheid bestaat geen eenduidige reden. Oud-directeuren als Evert van Straaten en Rudi Oxenaar verzamelden conceptuele kunst, en veel conceptuele kunstenaars gebruikten taal, soms zijn de dingen niet zo ingewikkeld. Een dikke veertig van zulke werken selecteerde Cohen Tervaert. Het was niet haar ambitie om een volledig overzicht te geven van talige kunst, vertelt ze. Ze wilde de verscheidenheid van het fenomeen tonen, de rijkdom aan typen talige kunst; poëtisch, filosofisch, maatschappijkritisch.

Een voorbeeld van die laatste categorie, vertelt Cohen Tervaert, is een moderne klassieker uit de Kröller-Müller-collectie, The Survival Series van Jenny Holzer. Het hangt in het restaurant: een lichtkrant waarmee nu eens niet de beurskoersen of het dagmenu worden gecommuniceerd, maar ongemakkelijke waarheden zoals: ‘Als ze vinden dat je nutteloos bent, zal niemand je meer te eten geven.’ Het is het soort gemeenplaats dat in de VS meer geldigheid heeft dan bij ons. Hier in de horeca van pensionado-paradijs Kröller-Müller wordt ze sowieso gelogenstraft.

Bij de Britse hovenier en kunstenaar Ian Hamilton Finlay gaat het er omfloerster aan toe. Zijn levenswerk bevindt zich in Lanarkshire in Schotland, een zelf ontworpen en aangelegde tuin met maar liefst 275 kunstwerken vol symboliek en allegorie, maar ook in de K.M.-beeldentuin is zijn werk present. Op zaal hangt hij ook, het woord ‘Windflower’ (anemoon) uitgevoerd in blauwe neon. Zo’n werk heet al gauw poëzie, maar is het dat ook? Ik bedoel: heb je voor poëzie niet minstens twee woorden nodig, zoals je twee handen nodig hebt om te klappen of twee vuurstenen om vonken te doen opspatten. Is een enkel woord niet gewoon een enkel woord? Hmm… gaan we over nadenken.

Juan Gris, Speelkaarten en sifon (Cartes à jouer et siphon), 1916, olieverf op triplex, Kröller-Müller Museum

Juan Gris, Speelkaarten en sifon (Cartes à jouer et siphon)

José Victoriano González, beter bekend onder de nom de plume Juan Gris, maakte naam als satirisch cartoonist. Rond 1911, toen-ie al een tijdje bevriend was met Apollinaire en Picasso en de andere jonge wilden, begon hij kubistische schilderijen te maken. Deze werken zijn zeer goed – Gris’ brille en schwung als cartoonist schemert er vagelijk in door. Ze zijn ook echt anders dan die van Picasso en Braque. Waar die laatste twee kubi’s monochroom werkten; was Juan Gris een full-colour-man.

Ian Hamilton Finlay, Windflower

Ian Hamilton Finlay, Windflower

Ian Hamilton Finlay is een Britse dichter, kunstenaar en hovenier. Zijn levenswerk bevindt zich in Lanarkshire in Schotland, een zelf ontworpen en aangelegde tuin met maar liefst 275 kunstwerken vol symboliek en allegorie, maar ook in de Kröller-Müller-beeldentuin is hij present met een installatie. Op zaal hangt hij ook, een lichtkunstwerk, het woord ‘Windflower’ (anemoon) uitgevoerd in blauwe neon. Uiteraard vormen de stelen van de ‘d’ en de ‘f’ samen de vorm van een bloem.

Guido de boer, Reading Looking, 2020, Inkt, Kröller-Müller Museum

Guido de boer, Reading Looking

Lezen we of kijken we naar een tekstkunstwerk? Eitje: we doen natuurlijk beide. De typografische muurschildering Reading Looking van Guido de Boer is bijvoorbeeld prima leesbaar. Maar hij valt ook te waarderen vanwege het fraaie lettertype en het op-art-achtige effect van de afwisselend witte en zwarte vlakken.

Fillip studios (Roos Meerman en Tom Kortbeek), Vocode, 2020, tafel, papier, speaker, pen, Kröller-Müller Museum

Fillip studios, Vocode

Ook dit werk begint met het woord. Het ten dode opgeschreven woord om precies te zijn. Stel u voor: een speaker waaruit 86 met verdwijnen bedreigde talen (waaronder Trumai, Waima’a en Savosavo) klinken. De speaker is bevestigd aan een tafel met daarop een wit papier waarboven een zwarte pen hangt – door de trillingen uit de speaker maakt de pen zwarte krasjes op het papier. Het resultaat is een visueel verslag van de verdwijnende talen. Het woord is beeld geworden.

Fillip studios (Roos Meerman en Tom Kortbeek), Vocode, 2020, tafel, papier, speaker, pen, Kröller-Müller Museum

En om verder naar uit te kijken

Eveneens om naar uit te kijken: Extra Large in de Kunsthal, Rotterdam, 100 jaar wandtapijten naar ontwerp van beroemde kunstenaars. Daar hangen imposante exemplaren van onder meer Picasso, Miró en Louise Bourgeois (tot 3/1/2021). De Lakenhal in Leiden, die zich voorneemt een meer regionale koers te varen, voegt de daad bij het woord met een expositie over de 17de eeuwse Pilgrims – zij deden de universiteitsstad aan op weg naar het beloofde land (2/6 t/m 13/9).

Bekijk hier de eerdere tijdelijk gesloten exposities die we zichtbaar hebben gemaakt.