Eddy Posthuma de Boer, hersteld van een beroerte, exposeert: ‘Toen ik de tentoonstelling zag, kreeg ik het idee dat ik al dood was’

De Amsterdamse fotograaf Eddy Posthuma de Boer exposeert in Den Haag. 160 foto’s van de straat, van het circus, van Parijs in het roemruchte jaar 1968. Hij is hersteld van zijn ziekte en werkt aan zijn nieuwe boek: Big City Blues.

De 88-jarige Eddy Posthuma de Boer had er even flink de smoor in, bekent hij in zijn volgestouwde studio in Amsterdam (‘Sorry voor de rommel, ik ben een kampioen stapelaar’). Al bijna zeventig jaar dopt hij zijn eigen boontjes als zelfstandig fotograaf en nu moest hij zich opeens afzijdig houden – vanwege gezondheidsredenen, hij wil er niet te veel over uitweiden. ‘Ik ben altijd een einzelgänger geweest, alles wat ik heb gedaan is steeds uit mijn eigen koker gekomen. En nu kon ik geen invloed uitoefenen. Daar had ik veel moeite mee.’

Onderwerp van gesprek: de expositie in Fotomuseum Den Haag die zijn naam draagt, maar waarmee hij zich dus nauwelijks heeft kunnen bemoeien. Een primeur, hij kiest al decennia zelf de foto’s uit voor de tentoonstellingen die over zijn werk worden georganiseerd. De 160 stuks die nu zijn opgehangen, dateren bijna allemaal uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. ‘Het is een soort overzicht van mijn vroege werk. Toen ik het kort voor de opening zag, kreeg ik een beetje het idee dat ik al dood was’, zegt hij vrolijk.

Circus Van Bever, 1954-1955

Nu hij zijn indrukken een paar dagen heeft kunnen laten bezinken, moet hij constateren dat hij ‘toch heel tevreden’ is. Tot zijn opluchting staat het vroege werk nog steeds fier overeind. ‘Als ik het nu zie, en ik zeg dit zonder ijdelheid, dan denk ik: ik heb dit vak toch niet voor niets gekozen.’

Eddy Posthuma de Boer werkte vrijwel zijn hele arbeidzame leven als freelancer voor tijdschriften en kranten (waaronder de Volkskrant). Zijn foto’s staan ook in tientallen boeken, waarvan hij een flink deel zelf heeft samengesteld. Hij geldt als een van de meest bereisde fotografen; in meer dan 85 landen heeft hij reportages gemaakt, vele daarvan met de schrijver Cees Nooteboom. Dat buitenlandse werk is al meerdere keren aan het publiek getoond, reden voor het Fotomuseum om nu aandacht te besteden aan zijn vroege verrichtingen.

De tentoonstelling grijpt voor een deel terug op de eerste grote solo-expositie die Posthuma de Boer bijna zestig jaar geleden had in het Schiedams Museum (thans Stedelijk Museum Schiedam). Toenmalig conservator Pierre Janssen, de latere museumdirecteur en presentator van een populair tv-programma over kunst, had drie fotografen gevraagd om hun werk op rij te tonen. Ze worden nu als de groten van hun generatie beschouwd: Ed van der Elsken (1925-1990), Johan van der Keuken (1938-2001) en Posthuma de Boer (1931) dus.

Woon-werkverkeer in de Wibautstraat in Amsterdam, 1969

Een deel van het werk dat hij samen met Janssen (‘een bevlogen man’) had uitgekozen, kwam later in het bezit van Fotomuseum Den Haag. Deze verzameling – foto’s in zwart-wit, voor het merendeel geschoten op straat in Amsterdam – is aangevuld met andere afdrukken: een opgewekte serie in kleur over het leven in Nederland (een opdracht voor de Wereldtentoonstelling van 1970 in Japan), schrijversportretten, een reeks over het circusleven, reportagefoto’s.

Een handvol werken zal lezers van de Volkskrant bekend voorkomen. Ze zijn gebruikt in de tweewekelijkse rubriek die Posthuma de Boer sinds september 2018 in de krant heeft, samen met zijn jongste dochter, Eva. Haar column gaat altijd vergezeld met een foto uit zijn archief. Vaak koos zij het beeld uit, waarna het schrijven begon. Nu gaat het andersom, verklapt hij: Eva stuurt hem haar column, waarbij hij iets passends zoekt. Dat kan lastig zijn. Zoals afgelopen zomer, toen een mug de hoofdrol speelde in haar stukje. ‘Ik heb natuurlijk nooit een mug gefotografeerd.’ Hij vond er wat op: boven de column stond een foto van een olifant.

Gerrit Komrij, 1985

Die had hij gemaakt in 1954, toen hij aan een serie was begonnen over het leven achter de schermen in enkele circussen. Die zijn allemaal verdwenen, maar 66 jaar later somt hij moeiteloos de namen ervan op, om meteen daarna een anekdote op te dienen. De beste circusopnamen had hij samengevoegd in een dummy, een opzet voor een fotoboek. Daarmee was hij in 1955 naar Frankrijk getogen, waar de fotografie op een veel hoger plan stond dan in Nederland. In Parijs had hij zijn proefboek laten zien aan een bekende uitgever. ‘Ze vonden het prachtig. Ik moest doorgaan, zeiden ze, en als het klaar was, moest ik terugkomen.’

Hij liet zich niet ontmoedigen: dezelfde dag belde hij ook aan bij het toen al vermaarde fotopersbureau Magnum. Daar werden zijn circusfoto’s bekeken door niemand minder dan Henri Cartier-Bresson. Het commentaar van de Franse fotografiegrootheid: ‘Fantastisch. Als het klaar is: terugkomen.’

Amsterdam, 1955

Een andere halfgod, de Hongaars-Franse fotograaf Brassaï, verleende de 24-jarige ook audiëntie. ‘Hoe ik aan zijn adres ben gekomen, ik heb geen idee. Hij bestudeerde mijn dummy en zei: ‘Ziet er goed uit, jongen. Als het klaar is, terugkomen.’’ Gelach vult de studio. ‘Dat was mijn Parijse avontuur. Ik heb het boek nooit doorgezet. Ik was nog te jong, te onervaren.’

De zes jaar oudere Ed van der Elsken zou niet lang daarna zijn eerste fotoboek uitbrengen, het beroemd geworden Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés. Diens vroege werk wordt geregeld vergeleken met dat van Posthuma de Boer. Ze fotografeerden in die tijd af en toe samen, maar door karakterverschillen kwam daar einde aan. Van der Elsken was brutaal, dominant, heel anders dan de zachtaardige Posthuma de Boer. ‘Ik loop nooit met mijzelf te koop. Bescheiden in de achterzaal, zeg ik altijd.’

Toen hij 65 werd, en de AOW hem enige financiële lucht verschafte, is hij kinderleed in het buitenland gaan fotograferen. ‘De wereld was nog steeds een rotzooitje. Ik dacht: ik ga er iets aan doen.’ Hij is altijd blijven werken. Hij wil niet anders, stelt hij, maar er was ook een economische noodzaak: freelancers krijgen geen pensioen en hij had nooit een cent voor zijn oude dag weggelegd.

Afgelopen najaar werd hij gedwongen zijn camera neer te leggen, door een herseninfarct. Hij is er inmiddels weer bovenop, maar een van zijn ogen heeft nog kuren. Hij wuift naar zijn bril, één glas is provisorisch met iets zwarts afgedekt. ‘Daar wordt binnenkort iets aan gedaan. Ach, ouderdomskwalen. Ik heb net een nieuw genootschap voor mezelf opgericht: het Genootschap van Niet Klagende Mannen.’

Dave Parker (1934-2008), 1960 Ondanks zijn hoge leeftijd kan Eddy Posthuma de Boer zich nog veel details herinneren van de foto’s die hij maakte. Neem bijvoorbeeld het actieportret dat hij in 1960 schoot van de (inmiddels overleden) jongleur Dave Parker. ‘Zijn echte naam was David Waterman, zijn vader had een sigarenwinkel in Amsterdam. Waterman was ook de naam van een Amerikaans vulpenmerk. Als artiestennaam had hij de naam van een ander bekend vulpenmerk genomen, Parker. Hij heeft later in Parijs en Berlijn gewerkt en zelfs in Las Vegas in het voorprogramma van Frank Sinatra gestaan.’

Ondanks zijn beperkte zicht heeft hij toch weer een boekje gemaakt ter gelegenheid van Oud en Nieuw, iets wat hij al dertig jaar doet, voor vrienden. Hij heeft ook twee grote fotoboeken klaar liggen, maar daarvoor nog geen uitgever kunnen vinden – de markt is tegenwoordig beroerd. Het weerhoudt hem er niet van om aan een nieuwe bundeling van werk te beginnen, over bedelaarsleed in grote steden. De titel heeft hij al: Big City Blues. Grijnzend: ‘Zet maar in de krant, dan kan niemand meer die titel claimen.’

Niet alleen in Den Haag zijn foto’s van hem te zien; in Amsterdam hangt een kleine selectie bij Torch Gallery. Ook al een primeur, bevestigt hij desgevraagd; hij kan zich niet herinneren ooit werk via een kunsthandel te hebben aangeboden. Hij zegt de tentoonstellingen te appreciëren omdat die ‘toch waardering uitdrukken voor waar je mee aan het klooien bent in je leven’. Maar als je in zijn hart kijkt, zegt hij, is zijn grootste liefde toch de gedrukte foto, in kranten, tijdschriften, boeken. ‘Ik ben geen kunstenaar. Ik ben een fotojournalist.’

Aanvullende werkgelegenheid, uit ‘Werkloosheid in Nederland nu’, 1976

Eddy Posthuma de Boer, Foto: Eva Roefs

Samen met dochter Eva heeft Posthuma de Boer een tweewekelijkse rubriek in de Volkskrant. Haar column gaat altijd vergezeld met een foto uit zijn archief.

Eddy Posthuma de Boer, in Fotomuseum Den Haag t/m 26/4 en in Torch Gallery, Amsterdam, t/m 7/3.