Achtergrond Het nieuwe begroeten

Geen zoen, knuffel of hand, maar hoe begroeten we elkaar dan wel?

Hoe gaan we elkaar in de toekomst begroeten? Heeft de handdruk definitief afgedaan? We lieten vier deskundigen nieuwe begroetingen beoordelen op hartelijkheid, sociaal comfort en hygiëne.

Het was nog lang geen Oud en Nieuw, het grootste kusfestijn van het jaar, toen emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie Dolph Kohnstamm in 2002 met grote walging de aanval opende op een schijnbaar onuitroeibare tegenstander: de driekus, ook wel de Brabantse drieklapper genoemd. ‘Twee keer, één keer op elke wang, is meer dan genoeg’, lichtte hij met ingehouden woede toe.

Het was hoog tijd dat de tegenstanders van de driekus hun krachten bundelden. Kohnstamm wierp zich op als hun voorman. Hij bood via een site, zoenbutton.nl, buttons te koop aan met daarop hoe vaak de drager bij een begroeting gekust wilde worden; ‘Ik zoen 1 keer’, bijvoorbeeld, of: ‘Ik geef een hand.’

Het was geen grap. Voor de visite met stoute plannen liet hij ook posters ontwerpen, ook met een tekst die aan duidelijkheid niets te wensen overliet: ‘Als wij zoenen, bij komen en gaan, geef ik je er één (en geen drie).’

De verkoop overtrof alle verwachtingen. ‘Duizenden’ buttons verkocht Kohnstamm. Hij overwoog de verkoop over te dragen aan winkels. ‘Het loopt een beetje uit de hand’, zei hij in Trouw. ‘Door de media-aandacht is er op dit moment een tsunami van buttonbestellingen.’

Zeven jaar eerder al had een dominicaner non, Monica Muskens uit Hengelo, als eerste actie gevoerd tegen de driekus. Het leverde een stukje in De Telegraaf op, waarin zuster Muskens zei dat een kus niet mag ontaarden in een oppervlakkig gewoontegebaar: ‘Drie keer langs andermans wangen flodderen stuit me tegen de borst.’

Helpen deed het niet. De strijd van de Hengelose non en de Amsterdamse psycholoog was kansloos, ondanks de aandacht in de media en de buttons. De vermaledijde driekus, even omstreden als gangbaar, bleef bestaan in het maatschappelijk verkeer. Ook een lang artikel van Kohnstamm in De Groene Amsterdammer, ‘Geef mij maar een hand’ stond er pontificaal boven, haalde weinig uit.

De driekus had een sterkere opponent nodig om het veld te ruimen: de coronacrisis. De kans is groot dat de nederlaag definitief is. De weerzin ertegen bestond altijd al, maar leek de laatste jaren toe te nemen. Vooral onder jongeren nam de populariteit af, al is dat een persoonlijke observatie. Het nieuwe drie is één, zo lijkt het.

Tot maart 2020 waren in Nederland zoenen (één keer of drie keer) en een handdruk (altijd met de rechterhand) de populairste begroetingen. Als teken van verbondenheid gaat de handdruk al lang mee, een eeuw of dertig minstens.

De oudste afbeelding van een handdruk, zocht de Volkskrant een paar jaar geleden uit, dateert van rond het jaar 845 voor Christus. Op een mozaïek in een ruïnestad in het huidige Noord-Irak is te zien dat de Assyrische koning Salmanasser III en de Babylonische koning Marduk-Zakir-Sumi I elkaar een hand geven.

In de eeuwen daarna zou de handdruk vooral een symbolisch gebaar zijn geweest om een overeenkomst af te sluiten. ‘Gaat het je om het begroetingsgebaar, dan is het handen schudden niet ouder dan de 17de eeuw’, liet etnograaf Herman Roodenburg van het Meertens Instituut weten.

Nadat ze duizenden handdrukken had bestudeerd, schreef de Canadese antropoloog Sarah Hillewaert dat met het gebaar ‘interpersoonlijke relaties worden bepaald’. Mensen wisselen allerlei ‘tactiele informatie’ uit bij een handdruk. Wiens hand mag boven, hoe lang duurt de handdruk, hoe wordt precies geschud, wie begint, wie trekt als eerste terug?

De conclusie van Hillewaert: ‘Geef me een hand en ik weet al ongeveer wie je bent en hoe ons gesprek gaat lopen.’

Ook de handdruk is modegevoelig. Niet altijd was de handdruk een gewoontegebaar. In Hoe hoort het eigenlijk, de etiquettebijbel van Amy Groskamp-ten Have uit 1939, wordt hard op de rem getrapt: ‘Over het algemeen worden er te veel handen gegeven.’

Het advies in 1939: ‘Wanneer men weifelt kan men beter geen hand uitsteken, daar dit gebaar soms als opdringerig kan worden vertolkt. Jongeren en minderen in rang of maatschappelijken stand steken nooit eerst een hand uit, doch wachten tot ouderen of hooger geplaatsten hiertoe het initiatief nemen.’

De populariteit van de handdruk is tanende sinds de jaren vijftig. In haar boek Leven op stand (1998) schetst historicus en schrijver Ileen Montijn de ontwikkeling. In de 20ste eeuw werd de handdruk de algemene manier van begroeten. Na de Tweede Wereldoorlog devalueerde het gebaar sterk en kreeg de handdruk ‘iets formeels over zich, en vervolgens iets ouderwets’.

Het gevolg, merkbaar tot op de dag van vandaag, of beter gezegd tot het begin van de coronacrisis: ‘De handdruk werd in het huiselijk verkeer afgelost door iets anders: de zoen.’ Social kissing kwam in zwang, zoenen was niet langer een daad van grote intimiteit.

Maar drie? Drie kussen als begroeting?

Waar de Nederlandse gewoonte vandaan komt om elkaar ter begroeting drie keer langs andermans wangen te flodderen, zoals de non uit Hengelo het omschreef, is onduidelijk. In 300 alledaagse mysteries (2016) van Juliette Vasterman wordt de vraag niet eenduidig beantwoord. Historicus Reinildis van Ditzhuyzen zegt in het boek dat de driekus zich in de jaren zeventig over Nederland verspreidde.

Behalve Brabant noemt ze als bron nog een andere provincie, Limburg. Haar verklaring is, zacht uitgedrukt, origineel: ‘Ik kan het niet hard maken, maar ik vermoed dat de vele katholieken in het kabinet-Van Agt iets met de verspreiding te maken hebben’.

Van Ditzhuyzen nu: ‘Destijds waren er veel katholieken uit het zuiden aan de macht. Mogelijk is het drie-keer-zoenenvirus toen overgeslagen naar de rest van Nederland. Ik kan hierover niets met zekerheid zeggen, dat kan niemand, maar drie keer zoenen was een typisch Brabants en Limburgs gebruik. En dat fenomeen verspreidde zich over de rest van Nederland.’

Kohnstamm, de dappere maar kansloze verzetsman die de strijd aanbond met de driekus, betoogde dat de Brabantse drieklapper via ‘amicale televisie’ het grote publiek had bereikt. ‘Bekende Nederlanders met een voorbeeldfunctie hebben het verspreid’. Hij doelde op de ‘sterren van de televisie’, presentatoren van amusementsprogramma’s en quizzen bijvoorbeeld.

De oorspronkelijke bron zou volgens Kohnstamm en anderen op het Franse platteland liggen, waarna de drieklapper via België naar Brabant werd geëxporteerd. Dat het getal drie zou verwijzen naar de heilige drie-eenheid, ook een theorie die hier en daar opduikt, is niet erg waarschijnlijk. In de katholieke bastions Italië en Spanje wordt twee keer gekust, maximaal.

De site zoenbutton.nl van Kohnstamm is niet meer in de lucht. Actievoeren is ook niet meer nodig. Voorstanders van de driekus zijn er vast wel, maar ze laten zich niet horen. Mede door de coronacrisis is de overmacht van het nee-kamp inmiddels enorm.

Vorige maand gaf Sylvana Simons een Zoom-interview aan internetplatform Wij blijven hier. Aan de partijleider van BIJ1 werd gevraagd welke tradities van haar overboord mogen worden gezet. ‘Het te pas en te onpas drie kusjes geven hoeft van mij niet, laat dat maar in het verleden blijven’, zei ze.

Terwijl élke opmerking van Simons op sociale media al jarenlang een storm van boze reacties opwekt, bleef het deze keer stil. Dat zegt veel. Nederland is klaar met de Brabantse drieklapper. Het is hoog tijd om er na vijftig jaar mee te kappen, niet voor even maar voor altijd.

Hoe waarschijnlijk is het dat je de boks gaat gebruiken of ellebooggroet in plaats van zoenen of handen schudden? Doe de quiz en kijk wat de groet van de toekomst wordt.