Afrikaanse stippen

Met traditionele elementen van allerlei volkeren uit Afrika schept de Ethiopische fotograaf Aïda Muluneh een nieuwe beeldtaal. ‘Ik pas in de stroming van het afrofuturisme.’

Wat doen die stippellijnen op de gezichten? Fotograaf Aïda Muluneh gaat zo aan de haal met traditionele vormen van lichaamsbeschildering bij een aantal volkeren in Ethiopië. Ze creëert met haar modellen nieuwe, moderne ­varianten, een bedachte, theatrale ode aan oude culturen. Ethiopië is rijk aan antieke schoonheid. De fresco’s in de eeuwenoude kerken met hun uitgesproken kleuren zijn ook een inspiratiebron voor Muluneh, vandaar haar voorliefde voor de primaire kleuren rood, blauw en geel plus zwart en wit.

Deze in scène gezette taferelen zijn haar persoonlijkste werk. Ze maakte ook reportagefoto’s voor kranten als The ­Washington Post en foto’s in opdracht van (hulp)organisaties of bedrijven. Ze maakte de foto’s voor een cd van de Malinese popster Fatoumata Diawara, ook met stippen op haar gezicht. Met haar vrije werk wil Muluneh de nieuwsfotografie door westerse fotografen met clichébeelden over arm Afrika onderhuids een tikje uitdelen.


Aïda Muluneh (1974) keerde in 2007 terug naar haar geboorteland Ethiopië. Het grootste deel van haar leven had ze elders doorgebracht: als kind met haar ouders gevlucht naar Jemen, daarna Groot-Brittannië, ze zat op een kostschool in Cyprus, verhuisde in 1985 naar Canada, studeerde film en fotografie aan de Howard Universiteit in Washington en kreeg haar diploma in 2000. Eenmaal terug in Ethiopië initieerde ze het tweejaarlijkse Addis Foto Fest, vanaf 2010.

Haar fascinatie voor de traditie van ­lichaamsbeschilderingen begon op een reportage in het zuiden van Ethiopië, vertelt ze in een telefoongesprek. De volkeren in de Omo-vallei zijn beroemd om hun witgekalkte gezichten, benen, armen en torso’s, soms met geometrische patronen erin. En om de witte stippen.

Maar niet alleen daar vond Muluneh de traditionele lichaamskunst tijdens haar onderzoek: ook in Zuid-Afrika en bij het Dogon-volk in Mali. ‘Overal op het continent kom je het tegen, kunstvormen die op elkaar lijken, maar waarschijnlijk los van elkaar zijn ontstaan.’ Ze voelt ‘een diepe band’ met al die traditionele schoonheidsidealen, ‘zoals een lange nek voor een vrouw, geaccentueerd door verfstrepen of een opeenstapeling van kralensnoeren’.

Met de oude elementen schept Muluneh een nieuwe beeldtaal. ‘Mijn foto’s wil ik een futuristische uitstraling ­geven, ik pas in de stroming van het ­afrofuturisme.’

Daarvoor put ze inspiratie uit het tweeduizend jaar oude Ethiopische orthodoxe christendom. Ze groeide op in de buurt van Lalibela, met zijn beroemde kerken die naar beneden in de zandstenen ondergrond zijn uitgehakt, vol prachtige fresco’s. ‘Ik kwam er na 25 jaar in het buitenland terug en zag de schilderingen in de kerken toen pas echt goed. Ik besefte opeens dat ik fotografeer als een schilder, ik maak vooraf zelfs schetsen met houtskool.’