Berichten uit
een besmette stad

Ondanks het gezondheidsrisico reisde China-correspondent Leen Vervaeke naar Wuhan. Ze hield een dagboek bij van haar week in de door angst geregeerde stad. 

Vrijdag 24 januari

Het is 6 uur ’s ochtends en ik zit in een taxi naar treinstation Beijing-West. Daar hoop ik een trein te nemen naar Wuhan, de stad die een dag eerder afgegrendeld is om de verspreiding van het coronavirus in te dammen. Al het uitgaande verkeer uit Wuhan is stopgezet, maar het zou nog mogelijk zijn om er binnen te komen, door een trein te nemen naar een station verderop. Opstappen in Wuhan is verboden, maar uitstappen niet, want er is toch niemand die dat wil.

Ik ben al halverwege als ik door een vriendin word gebeld. Zij heeft de afgelopen dagen tal van Chinese experts geïnterviewd. Ze waarschuwt me dat de situatie in Wuhan veel erger is dan we denken – er sterven meer mensen, de ziekenhuizen kunnen het niet aan – en dat ik beter rechtsomkeert kan maken. Als ik zeg dat mijn besluit vaststaat, drukt ze me op het hart: ‘Wat je ook doet, blijf weg van de ziekenhuizen.’

Het gesprek brengt me weer aan het twijfelen. De keuze om naar Wuhan te gaan – de stad waar iedereen weg wil – is geen gemakkelijke geweest. Als journalist is het een logische stap om als er groot nieuws is, daar meteen naartoe te willen gaan. Je wilt met eigen ogen zien wat er gebeurt, de mensen ter plaatse spreken, en niet alleen voortgaan op oncontroleerbare feiten en halve geruchten op sociale media. Maar natuurlijk is het de vraag of het risico opweegt tegen de verwachte resultaten.

Dat is een moeilijke afweging, vooral door de beperkte informatie. Als ik vertrek zijn er net 850 besmettingen en 26 doden gemeld, maar volgens Britse wetenschappers zijn er in werkelijkheid al meer dan vierduizend mensen besmet. Wat voor mij de doorslag geeft, is dat het virus meestal slechts een milde ziekte veroorzaakt, niet meer dan een griep. De patiënten die overleden, waren grotendeels ouderen met eerdere ziektes. Ik ben 37 jaar en gezond, dus zelfs bij besmetting is het gevaar voor mij beperkt.

Als ik rond de middag in Wuhan aankom, is de grote stationshal helemaal leeg. Het blijkt een voorafspiegeling van de rest van de stad. Als ik met enige moeite een taxi heb gevonden en een rondrit maak, zie ik lege straten, lege parken, lege pleinen. Iedereen zit binnen. De weinige voetgangers die er zijn, houden meters afstand van elkaar. Iedereen draagt mondkapjes en sommigen ook een duikbril, uit angst voor besmetting via de ogen. Hun angst slaat op me over. Het is niet zozeer een angst voor het virus, maar voor alles wat we nog niet weten.

Collega Anouk Eigenraam van Het Financieele Dagblad en BNR is ook in Wuhan, en we besluiten samen een appartement te huren. Normaal gesproken zouden we als twee Nederlandse journalisten niet samen optrekken, we zijn immers concurrenten. Maar dit zijn uitzonderlijke omstandigheden, en ik zal de komende dagen nog regelmatig dankbaar zijn dat ik dit niet alleen hoef te doorstaan. Met zijn tweeën is het niet alleen makkelijker het besmettingsgevaar en de onzekerheid te confronteren, maar ook, in deze verlaten stad, het isolement.

Zaterdag 25 januari

Ik heb mezelf gisteren voorgenomen geen ziekenhuizen te bezoeken, maar als ik de verhalen hoor over overvolle wachtzalen, weggestuurde patiënten en overwerkte artsen, vind ik het als journalist niet kunnen om er niet heen te gaan. Ik neem zo veel mogelijk voorzorgsmaatregelen: ik heb een N95-mondkapje aan, een veiligheidsbril op en interview patiënten en hun familieleden in de openlucht, niet binnen in het ziekenhuis. Mijn telefoon, waarmee ik opnamen maak, desinfecteer ik met Dettoldoekjes. Na terugkeer in het appartement gaan mijn kleren meteen in de wasmachine.

Het risico op besmetting maakt het werken moeilijk, maar er zijn ook praktische problemen. Door de lockdown is er amper nog transport. Het openbaar vervoer ligt stil en er rijden geen taxi’s meer. Gelukkig is onze taxichauffeur van gisteren, meneer Liu, bereid om ons nog eens rond te rijden. Hij zal deze week een onmisbare steun blijken. Maar in de omgeving van de ziekenhuizen wordt hij zenuwachtig: hij parkeert 500 meter verderop, en vraagt ons zo snel mogelijk terug te komen.

In het Tongji Ziekenhuis zijn de uitpuilende wachtzalen verdwenen: zieken met lichte symptomen wordt nu gevraagd uit het ziekenhuis weg te blijven en zich thuis in quarantaine te plaatsen, om capaciteit vrij te maken voor zware zieken. Maar er is nog steeds een enorm beddentekort en patiënten en familieleden lopen paniekerig rond. Ze hebben niet veel tijd voor een interview, ze gaan van het ene ziekenhuis naar het andere. Maar ze bedanken me – best uitzonderlijk in China, waar buitenlandse media meestal worden gewantrouwd.

Op het ziekenhuisterrein gelden strenge veiligheidsmaatregelen. In zowat elke hoek staan medewerkers desinfectiemiddel te spuiten. Maar ik zie ook dingen fout gaan. Ik zie een vrouw, die net bevestigd heeft besmet te zijn, binnengaan in het gebouw waaruit een niet-besmette hartpatiënt naar buiten komt. Een paar meter voor me blaast een besmette man het snot uit zijn neus, een geelgroene slijmsliert vol virussen. Ik word onpasselijk, loop instinctief weg, keer dan terug, in een wijde boog rond het snot.

Na een blik op het beddentekort rijden we naar de plek waar nieuwe bedden worden gecreëerd: het noodziekenhuis, dat in amper tien dagen wordt gebouwd. De bedrijvigheid op het bouwterrein is indrukwekkend, een prachtig staaltje Chinees organisatietalent. Maar ik kan de gedachte niet van me afzetten dat dit misschien allemaal niet nodig was geweest als de autoriteiten wat sneller hadden ingegrepen. Als ze de eerste signalen van artsen eind december ernstig hadden genomen, in plaats van hen op te pakken, waren er lang niet zo veel besmettingen en doden geweest.

Als we terugrijden naar ons appartement, zien we dat er overal wegblokkades worden opgericht. Volgens de laatste berichten wordt autoverkeer vanaf middernachtverboden. We voelen het net van de lockdown om ons sluiten: straks zitten we hier wekenlang vast. Maar taxichauffeur Liu zegt dat hij nog sluipwegen kent en dat hij dankzij een speciale nummerplaat nog wel de weg op kan. We besluiten dat de we de volgende dag zo vroeg mogelijk zullen vertrekken, terug naar Beijing, waar we ons veertien dagen in zelfquarantaine zullen opsluiten.

Zondag 26 januari

Slecht nieuws: chauffeur Liu laat weten dat we Wuhan toch niet meer uitraken. Alle sluipwegen zijn afgezet met hopen aarde, hekken of gemetselde muren. Niemand komt er nog in of uit, tenzij met speciale overheidstoestemming. We balen enorm. Op zich is er nog voldoende te vertellen in Wuhan, maar het virus begint zich over heel China te verspreiden, en we hebben geen idee hoe we hier ooit uit zullen komen. Voorlopig kunnen we niet anders dan wachten.

Nu het ernaar uitziet dat we hier voor lange tijd vastzitten, is de eerste prioriteit een voedselvoorraad aanleggen. Alle restaurants zijn gesloten, en tot nog toe leven we op maaltijden die ons zijn toegestoken door behulpzame mensen om ons heen. Nu organiseren we ons. We vinden een Carrefour, waar alle verse waren zijn uitverkocht, maar nog kant-en-klaarnoedels en diepvriesgroenten te krijgen zijn. Bij de apotheker hebben we minder geluk: geen mondkapjes. Onze eigen voorraad is beperkt.

Ondertussen krijg ik steeds meer reacties van buitenaf. Op Twitter gaat het helemaal los. Voor de een ben ik een onverantwoorde gek omdat ik naar Wuhan ben gegaan, voor de ander een doetje omdat ik geen verslag doe vanuit de ziekenhuizen. Sommigen vinden dat ik te veel aandacht besteed aan een overmaatse griep, anderen vinden dat ik de naderende apocalyps relativeer. Ik trek me er weinig van aan, lees alleen de beschaafde reacties, maar vind het opzienbarend: dat iemand van duizenden kilometers ver, veilig achter zijn computer, mij vertelt hoe ik mijn werk hier moet doen.

Pas nu begin ik te beseffen dat de hele wereld naar Wuhan kijkt. Ik word gebeld, gemaild en geappt door tientallen media, die allemaal hetzelfde willen weten: hoe is het daar? Ik wil zo veel mogelijk informatie verspreiden, maar als ik iedereen te woord sta, heb ik geen tijd meer om zelf op pad te gaan. Ik probeer mijn telefoon te negeren, maar moet tegelijk in contact blijven met mijn opdrachtgevers en familie. Als ik ’s avonds mijn reportage voor de krant begin te tikken, krijg ik knallende hoofdpijn. Ik moet mezelf beter beschermen, niet tegen het virus, maar tegen de druk.

Maandag 27 januari

Vandaag wil ik het rustig aan doen, maar ik ben nog maar net wakker als ik een verontrustend bericht krijg van een vriendin. Ze is tot net voor de lockdown in Wuhan geweest, en zit nu veertien dagen in huisquarantaine, tot de incubatietijd afgelopen is. Ik weet dat ze zich al dagen wat verkouden voelt, maar nu is ze ineens ernstig ziek. ‘Ik hoest bloed op’, schrijft ze. ‘Ik moet me gaan laten checken, denk ik. Godverdomme, ik ben in paniek.’

Ik bel haar op en probeer haar te kalmeren, terwijl ik zelf sta te trillen van angst. Is dit dan toch onverantwoord? Wat als ik straks zelf bloed sta op te hoesten? Met al die overbelaste ziekenhuizen kan ik hier nergens heen. De rest van de dag maak ik me zorgen om elk kuchje en elk pijntje, maar gelukkig blijf ik me prima voelen. Het besef dat het virus al in me kan zitten, probeer ik weg te drukken. De vriendin heeft de dagen erna geen verdere symptomen meer. Het lijkt vals alarm.

Inmiddels gaan steeds meer stemmen op om buitenlanders uit Wuhan te evacueren. Frankrijk zou een vliegtuig willen inleggen, en andere Europese landen willen daarbij aanhaken. Ik word gebeld door de Belgische ambassade om te vragen of ik, als er een evacuatie komt, mee wil. Dat wil ik, aangezien de lockdown van Wuhan nog weken kan duren. Na de evacuatie zouden we veertien dagen in quarantaine moeten, maar dat lijkt me normaal. Ook als ik op eigen houtje zou vertrekken, zou ik in Beijing in huisquarantaine gaan.

Over de evacuatie moet met de Chinese overheid onderhandeld worden, dus blijven we nadenken over een ontsnappingsplan. Aan de zuidgrens van Wuhan zouden nog enkele gaten in het stadskordon zitten. Als we er daar uit kunnen, kunnen we met een auto naar Beijing rijden en daar in quarantaine gaan. Maar we weten niet hoeveel wegblokkades we onderweg door moeten, en we horen dat Wuhanezen overal worden geweerd. Als we onderweg stranden, brengen we niet alleen onszelf in gevaar, maar ook anderen, als zij door ons besmet zouden worden. We blazen het plan af.

Dinsdag 28 januari

We nemen vandaag een kijkje bij een controlepost op de buitengrens van Wuhan, om te zien hoe de bevoorrading op gang wordt gehouden. Duizenden chauffeurs hebben na het autoverbod van zondag een doorgangspas gekregen, om voedsel, beschermingsmateriaal en medisch personeel aan te voeren. Een van de inkomende chauffeurs heeft enkele verpleegsters en een koffer vol mondkapjes mee. Hij geeft een pak mondkapjes aan de agenten, die hem uitgebreid bedanken – de nood is duidelijk hoog.

Net voor we vertrekken, meldt zich nog een chauffeur bij de controlepost die Wuhan wil verlaten. Hij heeft vanuit een nabijgelegen stad een verpleegster naar Wuhan gebracht, en keert nu terug naar huis. Zijn auto wordt gecontroleerd en gefotografeerd, zijn documenten nagekeken. Alles lijkt in orde, tot een agent ziet dat zijn doorgangspas niet meer geldig is. ‘Maar mijn zoontje zit alleen thuis’, protesteert de man. De agenten gebaren: snel dan. De man springt in zijn auto en scheurt weg.

Als ik het voorval achteraf aan taxichauffeur Liu vertel, knikt hij goedkeurend. En grapt: ‘Misschien moeten we over een paar uur terugkomen en ook zeggen dat jullie kinderen alleen thuis zitten. Dan komen jullie er misschien toch nog uit.’ Ik kom een paar minuten niet bij van het lachen. Ontlading van een paar dagen spanning.

Woensdag 29 januari

Vandaag is rustdag, dat kan niet anders. Ik heb sinds mijn aankomst in Wuhan gemiddeld vier uur per nacht geslapen, en dat weegt door. Ik wil ook bijlezen, want ik heb me de laatste dagen volledig op Wuhan geconcentreerd, terwijl het virus en de bijbehorende paniek zich in heel China beginnen te verspreiden, en met mondjesmaat ook in het buitenland. Ik doe een kort radiogesprek, maar vandaag neem ik vooral informatie op, in plaats van haar voortdurend uit te zenden.

Ondertussen wordt er al twee dagen over een evacuatie gesproken, maar is er nog steeds geen bevestiging. Met de uitputting neemt ook mijn frustratie toe, want in Wuhan lopen we tegen steeds meer obstakels aan. Chauffeur Liu is opgedragen om boodschappen rond te voeren en kan nog slechts korte ritten met ons maken. Ik wil naar ziekenhuizen toe, maar zonder auto kan ik niet en zonder beschermingspak durf ik niet. Ik besef dat ik de ergste ellende niet krijg te zien.

Anouk en ik besluiten een fietstocht te maken, met een deelfiets, om een beeld te krijgen van een groter deel van de stad. Het is nog steeds leeg in Wuhan, maar er zijn iets meer fietsers op straat, en aan de monumentale Wuhan-Yangtze-brug maken amateurfotografen gebruik van de unieke situatie. Ze willen even aan hun isolement ontsnappen, zeggen ze, en in de openlucht is er op zich geen gevaar. Het is alleen zaak om contact met anderen te vermijden.

Tot mijn verbazing neemt een handvol restaurants weer bestellingen aan, rondgebracht door een enkele bezorger. Om te vermijden dat zij het virus verspreiden, wordt aan de ingang van elk wooncomplex hun temperatuur gemeten, en moeten ze de maaltijden achterlaten bij de portier. Ik bestel een bakje dumplings. Ik moet er twee uur op wachten, in plaats van de gebruikelijke tien minuten, maar het zijn de beste dumplings die ik ooit heb gegeten.

Donderdag 30 januari

Ik zit dit artikel te tikken, als ik een e-mail zie binnenkomen met als onderwerp: ‘Vertrek uit Wuhan’. Het is zover: de evacuatie onder Franse vlag is bevestigd, ik vertrek in de nacht van vrijdag op zaterdag. Er gaan geruchten dat we in huisquarantaine zouden moeten, maar ik heb geen huis in België. Ik vraag mijn man of ik om de woning van een reizende vriendin zal vragen, maar zijn reactie is ontnuchterend: veel mensen zijn bang van het coronavirus en zitten niet te wachten op een evacué uit Wuhan.

Ik begin nu pas te beseffen dat ik hier in een bubbel zit, dichter bij het gevaar, maar er daardoor ook meer aan gewend. Om hier te kunnen functioneren heb ik mezelf een soort mentale quarantaine opgelegd: niet denken aan de totaliteit van de ramp, maar focussen op het concrete. Met 9795 besmettingen en 213 doden zijn er nu tien keer zo veel slachtoffers als ik toen ik hier een week geleden aankwam. Maar de wachtrijen in de ziekenhuizen zijn korter, de kant-en-klaarnoedels zijn aangevuld, en de bezorger heeft geen koorts.

Vrijdag 31 januari

Te vroeg gejuicht: de evacuatie wordt een dag uitgesteld. Zoals het er nu uitziet, vertrekken we zaterdag. Daarna volgen veertien dagen in een militair hospitaal in België, en dan hopelijk snel een vlucht terug naar Beijing. Ik maak me niet druk over de vertraging, maar ik voel me verscheurd over het vertrek. Ik hoor in China te zijn, mijn woonplaats en mijn journalistieke gebied. En ik heb lang niet alle verhalen over Wuhan kunnen vertellen. Maar ik kies voor mijn eigen veiligheid. Het is tijd om te gaan.