Touren in Amerika: een investering in de droom

Vieze hotels, lang wachten, saaie highways: touren in Amerika is niet altijd een droom die uitkomt, merkte bassist Corto Blommaert van Mozes and the Firstborn.

Met een harde ruk aan het stuur trekt Ernst, de gitarist, de tourbus weer in het juiste karrenspoor van sneeuw en ijs. Even hobbelt de bus diagonaal, waarna hij weer in de groeven van de rijbaan landt. Met een goedgemikte tik leg ik de jengelende country uit de autoradio het zwijgen op. Plots zitten we in de onderzeeër uit Das Boot: een ronkende stalen kooi, overgeleverd aan de stuurman. Het is muisstil, op de piepende ruitenwissers en doffe stompen van blokken ijs die onder de bus uiteenspatten na.

Oorverdovend telefoongerinkel. De organisator van het optreden in Columbus, Ohio belt. ‘Ik ga het optreden cancelen. Jullie komen te laat, de zaal heeft een avondklok, dus één en één is hier nul.’ Ook dat nog. De zes uur durende rit door regen, sneeuw en ijs is voor niets geweest. Ons restje hoop op een geslaagde dag wordt vermorzeld als een blok ijs onder de witte Chevrolet. En nu?

Een Instagrambericht: willen jullie bij gebrek aan beter in de kelder van ons studentenhuis spelen? Whatever, waarom ook niet. Met onze magen zo leeg als onze blikken rijden we Columbus binnen. De kelder van het studentenhol bereik je via een trapje waarvan de treden doorbuigen als we de versterkers naar beneden sjouwen. ‘Zo dicht bij ‘doorbreken in Amerika’ zijn we nog niet gekomen’, vat ik samen.

De kelder in Columbus.

Met mijn 1,96 meter kan ik niet staan in de met palen gestutte kelder. Voorovergebogen zetten we ons gerief op zijn plek. We proberen een nummer. Als ik mijn basgitaar aansla, dwarrelt stof uit het plafond. Het houten huis werkt als een klankkast. Duimen gaan omhoog, het is tijd om te spelen. Maar voor wie? Een twintigtal langharigen met een zoet aura van wiet schuifelt de trap af. Veertig minuten prediken we het evangelie van Tinnitus, om daarna met de stoners naar boven te gaan.

De Nederlandse band Mozes and the Firstborn on the road in Texas, tussen Houston en Dallas. Tweede van links: bassist Corto Blommaert.

Een verdwaalde pizza en wat blikken bier later en het dagdeel in de stalen doodskist is verworden tot een verre herinnering. Melle, de zanger, lacht voorzichtig. ‘Zo erg als vandaag gaat het echt niet meer worden, hoor.’ Op de manshoge tv in de huiskamer raadt een bezorgde vrouw ons een hartmedicijn aan, een olijke verkoper een nieuwe 4x4-truck (‘Goed krediet, slecht krediet, helemaal geen krediet? Geen probleem, u rijdt vandaag nog een dikke bak!’). De vermoeidheid, de stalen kooi, de eindeloze stroom optredens en de devil’s lettuce van de studenten maken me tegelijkertijd melancholisch en cynisch.

Morgen rijdt de karavaan van mijn band Mozes and the Firstborn weer verder, over nieuwe wegen naar nieuwe zalen en nieuw publiek. Vanaf 2010 spelen we garagerock, eerst alleen in Nederland, toen ook in buurlanden en sinds we in 2014 bij het Californische label Burger Records tekenden voornamelijk in Amerika. Bijna ieder jaar vliegen we wel met onze gitaren de oceaan over. Om het daar ‘te maken’. Hoe is het om te touren in Amerika?

Catch 22

Je hebt een band en je wilt touren in Amerika: hoe regel je zoiets? Er zijn grofweg drie vereisten voor een Amerikaanse tour: shows, geld en een werkvisum. Het lijkt een catch 22, maar stap 1 is geld verdienen (met shows) in Europa. Slide in de dm’s van al je (minder) favoriete bands als ze een tour aankondigen. Bluf. Nu je shows en wat geld hebt, kun je via een Amerikaanse advocaat een werkvisum aanvragen. Heb je dat visum, dan vraag je toursubsidie in Nederland aan. Doe de tour, kom afgepeigerd terug en herhaal stap 1.

Begin 2019 zit ik midden in mijn vijfde tour, met 29 optredens in evenveel steden, in feite een autorit van meer dan 17 duizend kilometer. De zalen variëren enorm in grootte. In een provinciestadje als Davenport, Iowa spelen we in de lokale whiskybar (voor de eigenaar en twee barmannen). In een metropool als New York doen we de Rough Trade aan, ooit nog het strijdveld van Blondie, met een capaciteit van ruim driehonderd bezoekers. Het is een manisch-depressieve rondreis door de steegjes van Amerika, soms gaat alles goed en waan je je een rockster, de dag erna sta je in een ijskoude zaal de schaamte weg te spelen. Het is mijn droom het in Amerika te maken, maar iedere keer dat ik terugvlieg denk ik: tegen welke prijs?

Vooropgesteld: op tour maak je onvoorstelbare dingen mee. Een bloemlezing uit vijf tours. In een vreetschuur in het Texaanse gehucht Midland vermoedde de serveerster dat we een band waren. Vier jongens in T-shirts, afgetrapte schoenen en gitaartassen; zeer scherp. ‘We zijn Mozes and the Firstborn uit Ajnthoowfun. Dat ligt in Nederland.’ Ze reageerde verbaasd: ‘Mozes, dat is bijbels. Zijn jullie dan een christianrockband?’ Een klein leugentje later hing een gesigneerde placemat aan de muur en lag de rekening in de prullenbak.

  • Tussen Spokane, Washington en Boise, Idaho.

In Atlanta werden we na de show overgehaald door een fan om mee te gaan naar een huisfeestje. We bestelden een Uber en werden naar een verlaten supermarktje met wat huizen eromheen gebracht, net buiten het centrum. Dit zag er niet goed uit. Toen we klaarstonden om de handdoek in de ring te gooien, arriveerde een volgepakte Uber. En nog een. En nog een. We bereidden ons voor op een bestorming. Onze gids drukte op een van de tientallen bellen. Een roestige deur ging open. Een bonk van een kerel ondervroeg onze vriend: ‘Sta jij in voor deze honkies (witte mensen)?’ Met een zuidelijk accent als uit een film antwoordde hij: ‘Ze zijn een band en cool.’ Het appartementencomplex bleek een schuilkerk te zijn voor blowende, twerkende en zuipende kerkgangers. Een geheime nachtclub, diep weggestoken in de boezem van Atlanta. Onze oren piepten twee dagen later nog van de zware bassen.

Mozes and the Firstborn  - Sad Supermarket Song. Live in Los Angeles, 2019.

Als vrijgezel is touren leuker dan als er thuis iemand op je wacht. Ik merk dat ik niet in details durf te treden, omdat ik bang ben plastisch en lomp over te komen. Proefondervindelijk heb ik ondervonden dat er wederzijdse vleselijke interesse bestaat tussen rondreizende bands en hun publiek. Dus ja, er is seks, voor wie wil. Maar ik heb altijd gevoeld dat zo’n nacht gepaard gaat met schuldgevoel en angst. Schuldgevoel, omdat je in je eentje erop uit bent gegaan en dus de heilige loyaliteit aan de band hebt verbroken. En ook angst, omdat je de volgende ochtend als een malle moet zorgen dat je op tijd bij de bus bent. Ook deze tour wacht op niemand, dus geen tijd voor een douche, laat staan ontbijt. In de bus meesmuilende bandleden en de universele vraag: ‘Hoe was het?’ ‘Ja, top, maar hoever moeten we vandaag rijden?’

De anekdoten zijn legio, maar het zijn korte momenten. Losse avonden op wekenlange tours. Het zijn de verhalen die je vertelt aan de thuisblijvers. De stoere verhalen transformeren touren in een droomleven. De REM-droom versus de diepe slaap. Touren is vooral wachten; in de tourbus, de kleedkamer of in de hotelkamer.

Op de app van de boekingssite is het iedere dag weer kiezen tussen kwaden. De harde matrassen van Quality Inn? De ranzige handdoeken van Motel 6? Of toch het onvolprezen onvriendelijke personeel van Red Roof Inn? Het krokante hoogpolige tapijt van Comfort Inn? Of het van-alles-watmenu van Travelodge? Het gemiddelde hotel staat langs de snelweg en heeft een kleine receptie en twee vleugels van ieder zo’n dertig kamers. De kamer is volgestouwd met twee tweepersoonsbedden en een kamervullend televisiemeubel. Achterin bereik je een badkamertje met bontgekleurde stars and stripes van schimmel.

Iedere avond: je stort neer op een van de bedden, waarna een golf van geluid de kamer overspoelt, de afstandbediening is gevonden. Om logische redenen kunnen veel muzikanten niet zo goed tegen stilte — in de auto: muziek, in de zaal: muziek, in het hotel: televisie, voor het slapengaan: muziek. Alles om het wachten draaglijker te maken.

Een andere wachtkamer is de tourbus. Rijden over de Route 66 en Pacific Coast Highway is geweldig. Dénk ik. Want als je tourt, leef je als een trucker, die nemen in Nederland ook niet de provinciale wegen, maar denderen voort over de A2. Niemand, op horden toeristen na, rijdt in Amerika over idyllische wegen. Countryzanger Del Reeves verwoordt het mooi: ‘I’m looking at the world through a windshield/ Watchin’ it a-flyin’ by me at the right.’ Het is rubber branden op de Interstates: kaarsrechte wegen, waar je exact iedere 7 minuten een McDonald’s passeert. Het zijn deze saaie betonnen sluizen richting de einder die je 17 duizend kilometer lang bereist.

De derde wachtruimte is de kleedkamer. Nederland staat bekend om zijn gastvrijheid bij zalen. Wilt u nog wat handdoeken? Een warme douche? Een kamer voor yoga-oefeningen? Het wordt geregeld. In Amerika is het spartaanser. Veel Amerikaanse zalen verwarren de term kleedkamer met ‘schoonmaakhok’, ‘drankopslag’ of ‘parkeerterrein’. Als band krijg je twee drankbonnen per persoon, een bank waarin je wegzakt en misschien een deur die dicht kan. Daar zit je dan te wachten op de soundcheck, weggestopt in een achterkamertje met een blik bier.

Corto Blommaert in Salt Lake City.

Na al die optredens en al die fans die vuilniszakken vol T-shirts en platen kopen, kom je vast thuis met een goedgevulde bankrekening. Helaas. Touren is ‘een investering in een droom’, dat prent de manager en boeker je in. Je speelt op goedbetaalde Europese festivals om de Amerikaanse PR- en tourkosten te dekken.

In Amerika krijg je per show een paar honderd dollar gage en verkoop je nog wat merchandise, maar de dagelijkse kosten zijn hoog. Iedere dollar die je verdient, geef je weer uit aan hotels, benzine voor de slurpende bus en eten. Amerika is een tough son of a bitch die zich niet zomaar gewonnen geeft.

Zo lijkt in een band zitten net het besturen van een krakkemikkig vliegtuig. Eerst trek je met man en macht aan de stuurknuppel. Eindelijk vlieg je, maar hoe hoog je ook vliegt, altijd is er de angst om neer te storten. De strijd met de zwaartekracht zul je nooit winnen. Hoe houdbaar is het succes van mijn band? Wanneer moet ik mijn droom opgeven? Wanneer is de tank leeg?

Touren is gewoon keihard werken (of ‘investeren’). Maar als je na een maand weer in je eigen stille slaapkamer ligt, bekruipt je een vreemd gevoel. Er ontbreekt iets. De sigarettenlucht en drankmuil naast je. De oeverloze tv-reclames en anderhalveliter-bekers cola. De soundchecks en de rugpijn van het versterkers sjouwen. Je sluit je ogen en je droomt, van Amerika en volle zalen. Misschien moeten we nog één keer terug, dit zou ’m weleens kunnen worden.

Dromen van Amerika

Amerika is al lange tijd het shangri-la van Nederlandse muziekgroepen. Het is onmogelijk een volledig overzicht te geven, maar duidelijk is dat de Haagse groepen Shocking Blue en Golden Earring pionierswerk verrichten in de jaren zestig en zeventig. Nog steeds zijn ze er op de radio te horen. In de jaren negentig speelde de Amsterdamse band Bettie Serveert veel in Amerika. Begin jaren nul tourde de Limburgse punkband Heideroosjes er nog, maar begon ook de opmars van de Nederlandse dancescene. De laatste tien jaar is ook het Nederlandse gitaarspel weer in trek, onder meer dat van Jacco Gardner, Traumahelikopter en meer recent Pip Blom.

En dus Mozes and the Firstborn. Van mijn band begon het Amerikaanse avontuur in januari 2014 in Groningen, op Eurosonic Noorderslag. Daar werden de contacten gelegd waardoor het debuutalbum, dat in Nederland uitgebracht is bij Top Notch, ook in Amerika werd uitgegeven. Het was de perfecte aanleiding voor de eerste Amerikaanse tour, een half jaar later. In Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk speelde we die zomer meer dan vijftig festivals. Maar zo ontstaat het luxeprobleem waar veel Nederlandse bands mee kampen: verdelen we de winst van Europa of gaan we all-in op Amerika?

De gages in Amerika zijn veel lager, je begint natuurlijk onderaan de ladder. De kans op succes is nihil. Met het opgespaarde geld van een goede festivalzomer in Europa konden we met Mozes net één keer op tour in Amerika. De investering wordt op de lange termijn beloond: na vier tours (tezamen meer dan honderd optredens) waarin we het voorprogramma van Amerikaanse bands verzorgden, speelden we begin 2019 alle optredens onder eigen naam.