Levens, werk

50 jaar Stephan Vanfleteren

Van de straatfotografie uit zijn beginjaren via de gruwelen van Rwanda naar de portretfotografie, maar dan in de hectiek van het filmfestival van Cannes. Voor zijn 50ste verjaardag kiest Stephan Vanfleteren uit eigen werk en beschrijft hij voor de Volkskrant het verhaal erachter.

Londen 1989

De straat is een plaats vol geheimen, wachtend om ontdekt te worden. Het doorgronden van raadsels die op het voetpad voor het oprapen liggen, het ontmaskeren van het enigma van de vluchtige passant.

De straat was in die beginjaren klaarblijkelijk ook mijn terrein, maar niet mijn thuis. In de negatieven zie ik mijn angst voor de confrontatie met de mens.

Een angst die er altijd is. Zelfs nu nog. Het blijft een gevecht om de straat op te gaan. Je loopt door een plaats die van niemand en van iedereen is. Je doet iets in de publieke ruimte waar niemand om gevraagd heeft, je loopt met je eigenbelang door de straten.

Als je niet lekker in je vel zit, is de straat de hel. Iedere straatfotograaf kent wel het uitstelgedrag om de onbekende straat op te gaan vanuit de veiligheid van thuis of de hotelkamer. De gedempte klanken dringen je bovenkamer binnen. De ingebeelde wolven staan buiten op de loer. Je controleert nog even je toestel, draait aan je diafragma, poetst nog even je tanden en spreekt de man in de badkamerspiegel moed in. De fotograaf die dat gedrag ontkent, is een leugenaar.

Straatfotografen zijn moedige mensen. In de openbare arena moet je zelfvertrouwen hebben. Je kan teren op routine, maar het blijft een confrontatie met een onvoorspelbaar karakter en een wankel evenwicht.

Het is winter 1989, twee mannen zaten voor me in de Londense metro. Twee vrienden, samen op stap maar nu nog even afzonderlijk in gedachten. Ze staren kruiselings door het beeld, met ingebeelde blikschade ergens onderweg. De linkse man met zwarte handschoenen en de rechtse zonder, beiden met hoed en friemelend aan hun kin. Piekfijn uitgedost en zich afvragend wat de nacht zal brengen. Ik weet het al, ze zijn op weg naar liefde.

Drie keer afgedrukt. Volgende halte. Ze stappen uit. De deuren sluiten. De metro trekt zich weer op gang. De mannen glijden voorbij. Ze worden achtergrond in de ondergrond. Ik besef: ik zal ze nooit meer zien.

Maar ik had het verkeerd. Ik zie ze nog, door de foto waarop trillende ogen het weinige licht in de wiebelende wagon verraden. En kijk eens goed, rechts in de reflectie van het raam. Herken je daar een schim van een gelaat? Dat is de liefde van mijn leven. Het is een zaterdagavond, ergens eind jaren tachtig. Niet alleen die nacht was veelbelovend. Er was meer dan alleen een metro vertrokken.

Saint-Omer1990

Als student reed ik vaak langs de Belgische en Noord-Franse kusten op zoek naar iets wat mijn oog streelde. De zee is altijd een streling, maar de interessante lelijkheid langs de verlaten kustdorpen was dat ook. Soms ging ik wat dieper het binnenland in, zoals hier bij Sint-Omer. Geen idee waarom ik daar belandde. Het was toen al dwalen. Een gevoel dat nooit is weggegaan, ook nu nog. Verdwalen is een onderschat fenomeen. In mijn archiefmap van 1990 vind ik een pareltje.

Totaal vergeten dat ik het ooit fotografeerde.

Een straathoek, een blinde gevel met gesloten luiken rechts en een winkelfaçade met ‘Cordonnerie’ en gesloten gordijnen vooraan links. Une cordonnerie is een schoenmakerswinkel. Niet alleen de vergane glorie van de gevelopschriften verraden een andere tijd. Amper nog te lezen, maar het staat wel als een voorspelling op de zijmuur: ‘Réparation Industrielle’. Wie herstelt er nu nog schoenen? Bijna niemand meer. We leven in een wegwerpmaatschappij. Winkelketens als H&M, Zara en – nog erger – Primark maken dat we alles goedkoop kopen, nog geen seizoen dragen en nadien wegwerpen. Iets repareren is niet meer van deze tijd. Zoals zoveel: liever afbreken dan restaureren. Liever dumpen dan oplappen.

Kijk naar de twee mensen, gefotografeerd op de straathoek. Twee achterdochtige blikken van een oud koppel dat net uit hun reeds lang gesloten winkel stapt. De man met een sigaretstompje in de mond, met zijn handen zijn ruitjeshemd nog eens goed leggend en met blinkende schoenen die nooit in de mode waren en dus voor eeuwig hip zijn. Hij heeft nog zijn professionele trots, zelfs al is hij met pensioen. De vrouw daarentegen sloft op minder elegant schoeisel: open pantoffels. De opwaaiende schort verraadt wind uit de kleine zijstraat. Ik identificeer het straatnaambord: Rue au Vent. De straatnaam heeft zijn naam niet gestolen.

Rwanda 1994

Op de avond van 6 april 1994 wordt het vliegtuig van de Rwandese president Habyarimana uit de lucht geschoten. Meteen na de moord, ’s nachts, begint de moordpartij op Tutsi’s en gematigde Hutu’s. In de honderd dagen die daarop volgen, vinden naar schatting 800.000 mensen de dood. De Rwandese genocide is een feit.

Knikkende knieën bestaan echt. Toen ik het kantoor van de algemeen directeur verliet met groen licht voor een trip naar Rwanda, liep ik met slappe benen door de gang van de krantenredactie. De ambitie van een jonge fotograaf die overal bij wil zijn, zou werkelijkheid worden. Ik was 24 jaar en eigenlijk te jong voor deze missie. Op deze reportage kwam ik Guus Dubbelman van de Volkskrant tegen. We reisden even samen in dezelfde foto naar de hoofdstad Kigali. Ik vergeet nooit zijn wijze woorden die hij als ervaren fotograaf voor deze jongeman had: ‘Denk aan de lange termijn, Stephan. Brand jezelf niet op.’ Ik ben zijn wijze raad nooit vergeten en dankbaar voor het inzicht dat ik toen goed kon gebruiken.

De foto is een gruwelijke scène. Trucks komen aan- en afgereden. Een put zo groot als een voetbalveld. Maar hier geen groen gras of een volle tribune, wel een rechthoek vol lijken. Het is het beeld van de concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog, maar dan 50 jaar later. Alsof ik in een beeld van George Rodger zit. Maar het is niet Auschwitz, het is Goma. Je ziet een lijk dat men uit een truck gooit in een massagraf.Het deken van het ingewikkelde lijk valt in de vlucht af, je ziet de rubberen handschoen van de weggedoken ‘werper’ in de truck en ook het kinderlijk tussen de stapels lichamen. En de vruchtbare bananenboom op de achtergrond natuurlijk. Sedert die dag heb ik nooit meer een banaan gegeten.

De traan 1996

Op een zomerdag in 1996 word ik erop uit gestuurd naar Bertrix, een provinciestadje in de Ardense bossen. Een tienermeisje is verdwenen en er heerst ongerustheid. Er worden zoekacties georganiseerd. De sfeer is gezellig en lijkt op een dropping tijdens een scoutingkamp. Natuurlijk wordt er niets gevonden. Ik ben ervan overtuigd dat het meisje is weggelopen met haar vakantieliefje. Er verschijnt een leuke foto op de voorpagina van de krant: een oude man met pet in profiel, zoekend tussen hoge varens. De zomer kabbelt voort.

Zes dagen na de verdwijning wordt het tienermeisje Laetitia gevonden, samen met Sabine, een meisje dat eerder werd ontvoerd en exact 77 dagen opgesloten heeft gezeten in een kelder in Charleroi. Een fait divers van een boswandeling wordt plots een zaak van nationaal en internationaal belang.

Een man wordt opgepakt, een zekere Dutroux. Die veelvoorkomende en banale naam betekent letterlijk ‘van het gat’. Surrealisme in België is hardnekkig.

Al snel blijkt dat hij ook verantwoordelijk is voor de verdwijning van vier andere vermiste meisjes: An en Eefje, Julie en Mélissa. Bewust zijn de namen hier per twee neergeschreven. Ze werden als koppels ontvoerd en hebben het samen niet overleefd. Tragedie in tandem. Julie en Mélissa zijn gestorven in de omgebouwde kelder van Dutrouxs huis. Hij zat voor andere feiten in de gevangenis en de twee kinderen zijn ondertussen omgekomen van honger en dorst. Een gruwelijke dood in ontbering en eenzaamheid. Terwijl zijn vrouw boven hen op de gelijkvloerse verdieping woonde, maar de meisjes in de kelder geen eten durfde te geven. Een ondraaglijke gedachte.

Zwarte donderdag. Heel België houdt een minuut stilte om elf uur, bij de aanvang van de begrafenis van Julie en Mélissa. Het is aangrijpend, niet alleen door de grote opkomst maar vooral door de combinatie van massa en stilte. De Luikse Basilique Saint-Martin zit vol en duizenden mensen staan buiten te wachten om hun medeleven te tonen. Het is een kruising tussen een bedevaart en een volksprotest. Elke klik van je toestel is er auditief één te veel. Je probeert geruisloos te bewegen en je nederig op te stellen. Als een vlieg tegen de kerkmuur.

In al die stilte staat ook een meisje tussen het volk. Een meisje met de leeftijd van Julie en Mélissa. Ze staat daar in die massa vooraan, leunend op een dranghek. Met enkel een traan die beweegt. Een traan onderweg van het ooglid langs de lichte sproeten op de wang, om dan met de rug van de hand weggeveegd te worden. Een metafoor voor het verdriet van België.

René, Brussel 2004

Achter de façades van de huizen in de Brusselse Marollen spelen zich soms pijnlijke taferelen af. Isolement, ontgoocheling of verbittering. De voordeur is een barrière die af en toe doorbroken wordt om voedsel, drank en honden- of kattenvoer te kopen, om vervolgens zo snel mogelijk weer naar huis te keren, met de deur op slot en de gordijnen potdicht. Het huisdier is vaak het enige andere warme wezen en de postbode het enige menselijke contact. Het gezelschap komt van het flikkerende licht van de beeldbuis.

De eerste keer dat ik René ontmoetten, dronken we enkele pintjes in Café Renard in de volksbuurt De Marollen. Maar de combinatie van alcohol en zijn zware medicatie was een slecht huwelijk. Samen met een vriend heb ik René naar huis moeten brengen. Een zwaar lichaam een smalle trap op dragen is geen sinecure. Het leek wel een slechte maffiafilm waarin wij twee Italiaanse acteurs waren die een lijk moesten doen verdwijnen. We hebben hem netjes met kostuum en al in zijn bed gelegd. Enkel zijn schoenen trokken we uit. De volgende dag ben ik nog eens langs geweest om te kijken of alles goed met hem ging. Dat was ik hem verschuldigd. Renés lichte hoofdpijn schuilde onder zijn mooi naar achteren gekamde haren, gevormd door heerlijke brillantine.

Maar op een dag stond de buurvrouw met tranen in haar ogen toen ik vroeg waar René was. ‘René est décedé.’

Ik mis hem en zal nooit vergeten hoe mooi zijn sigaret oplicht.

Theofiel 2004

Boer Theofiel is een van de bijzonderste mensen die ik heb gefotografeerd. Hij verloor zijn ouders heel jong en kreeg de verantwoordelijkheid voor de boerderij op zijn zestiende. De nukkige Theofiel vond nooit een vrouw en ploegde alleen voort op zijn te grote en vervallen boerderij. Hij was een gierige, moeilijke man, maar ik mocht hem en hij mij ook, denk ik. Je wist nooit hoe of waar je hem zou treffen. Soms lag hij gewoon te slapen op zijn stoel, op zijn trap of in de kruiwagen. Zijn bed heb ik nooit mogen zien. Misschien was dat er wel niet.

Soms werkte hij in zijn stallen, in zijn zetel tussen stapels gespaard papier en paperassen, in de keuken, waar de vuilbak eigenlijk de hoek van de kamer was. De hoek was een schuine berg tot heuphoogte. De grond kon je al niet meer zien, want het lag er vol eierschalen. Hij at alleen eieren en vlees van zijn eigen dieren en dronk zijn zelf gemolken melk. Hij was volledig zelfbedruipend. ‘Je kunt het meest verdienen door niets uit te geven.’ Ik vermoed dat hij steenrijk was. Af en toe verkocht hij een dier. Een koe, een stier, varkens of kippen. Met dat geld kon hij dan weer voort. Kon hij zijn kettingzaag laten repareren, zijn dierenarts betalen of, ja hoor, een nieuw stukje grond kopen. Een echte boer wil altijd meer grond. Maar dat was waanzin, want hij kon nu al zijn land niet onderhouden. Hij hoopte nog altijd op een gezonde boerenvrouw voor een nageslacht. Het verhaal gaat rond dat hij daags na de dood van zijn buurman, ook een landbouwer, de kersverse weduwe ten verloving is gaan vragen. Agrarische geopolitiek.

Ik ben jaren bij hem langs geweest. Van fotograferen was niet altijd sprake, soms werd ik bevolen om mee te helpen. Zijn prikkeldraad repareren, brandhout stapelen of, die ene keer dat hij daar zelf niet meer de kracht voor had, de kettingzaag aantrekken om hem op te starten. Zodra ik dat gedaan had, nam hij de zaag over en stuurde me terug naar huis.

Ondanks zijn gebrek aan hygiëne, zijn beschadigde huid en zijn kromme rug vond ik hem een mooie man. Meer zelfs, ik vond hem een levend kunstwerk. Zeker als hij zijn haar kamde met een portie brillantine en zijn sigaret aanstak met lucifers van Union Match. Hij was de James Dean van agrarisch Vlaanderen. Die te jong gestorven acteur was overigens ook een boerenzoon. Niet uit het Pajottenland zoals Theofiel, maar uit Indiana, VS.

Hoe hij schuin en versleten over het weiland strompelde, het was experimentele dans, theater en film ineen. Ik was zijn enige, aandachtige toeschouwer. Ik was getuige van een anachronisme. Achter de heuvel bevonden zich computers en verkeersopstoppingen.

Ik werd telkens rustig op zijn erf. Zijn hoeve was het laatste huis van een doodlopende straat aan het einde van de wereld. Je kwam er niet als je er niet moest zijn.

Maar niemand is onsterfelijk en ook Theofiel stierf op een dag. Ik had hem al even niet meer gezien en wist niet dat hij in het ziekenhuis lag. Ik heb spijt dat ik niet nog meer bij hem langs ben geweest.

Atlantic Wall, Quiberville, Frankrijk 2014

Ik zou de Atlantische Oceaan afrijden op zoek naar bunkers van de Atlantic Wall, de Duitse verdedigingsmuur uit de Tweede Wereldoorlog aan het westelijke front.

Mijn invalshoek was na enig denkwerk duidelijk: hoe staat een bunker nu in de natuur? Simpel. Maar zoals altijd zijn simpele dingen moeilijk.

Ik wist nog niet dat ik aan een van mijn dierbaarste projecten begonnen was. Wederom het alleen werken in de natuur, mijn geest die door de zeewind helemaal vrij werd, mijn conditie die sinds jaren niet meer zo goed geweest was door al die wandeltochten.

Een horizon. Vaak was het niet meer dan dat. De wachtende soldaat zal daar niet treurig om zijn geweest. Beter een vredig Atlantisch zeezicht dan een oorlogstafereel in een koude toendra aan het oostfront.

Ik voelde me als een soldaat. Ik vond het fascinerend. Wat ik zag door die betonnen gleuf was hetzelfde als wat een jonge Duitse soldaat zeventig jaar geleden zag, namelijk een lijn in de verte met daaronder een bewegende watermassa.

De natuur knabbelt aan de kustlijn, waardoor bunkers stilaan op stranden belanden en al in zee verdrinken. Of door mos, struiken of een heus bos omsingeld worden. Nu weet ik hoe hoog een 65-jarige boom kan zijn. Nature doesn’t care about history. De natuur versmacht, verzuipt en kraakt langzaam de betonnen vijand. Getij na getij, storm na storm. De Atlantic Wall voert vandaag geen oorlog meer tegen de geallieerden maar tegen de natuur. Van Wereldoorlog via Koude Oorlog naar global warming. De bunkers krijgen het de laatste jaren hard te verduren. De duinen kalven af onder hun voeten. De meeste dienen tot niets. Vergeten door de mens, omhelsd door de natuur. Ze staan er te staan, schijnbaar nutteloos. Bunkers als kiezelsteentjes van de geschiedenis.

Maar ik vond ze prachtig. Ik was een bunkerjunk. Fotograferen en opnieuw fotograferen, en opnieuw. Hetzelfde, maar anders. Niets is trouwens ooit hetzelfde.

En ik besefte dat beton langzamer sterft dan vlees.

Dode zwaan 2016

Toen ik zelf als een dood dier op mijn studiotafel lag en keek waar het licht vandaan kwam, zag ik hoe het mijn studio penetreerde en ik zag ook al die verschillende reflecties. Blauwe lucht, rode muur, bruine bladeren of de groene klimop tegen de muur op de binnenplaats. Wit licht is een bepaalde verhouding van alle kleuren samen. Maar mijn daglicht is een gekleurde vlinder, grillig en weerbarstig. De variaties in kleurtemperatuur zijn onvoorstelbaar.

Als de zon op de bakstenen muur schijnt, baadt mijn studio in een warme gloed. Is het bewolkt, dan is het licht killer en zachter. Als de uitgeputte zomerbladeren van de beuk stilaan herfstig worden, verandert het terugkaatsende licht van de groene kruinen langzaam naar bruin. Wanneer de winter al de bladeren van de takken heeft gewaaid, is er nog licht en is de hoek van het licht dat mijn studio binnenvalt minder steil. Mijn daglichtstudio verandert mee met het seizoen, de stand van de zon en het wolkendek. En de grijze achtergronddoeken gedragen zich als de avondjurken van grillige diva’s. Het is mooi hoe grijs dartelt tussen de poëzie van petroleumblauw, Lincoln-groen en Mountbatten-roze.

Niets zo moeilijk als levende dieren fotograferen. Vaak zijn ze schuw en snel of leven ze ’s nachts. Ze vallen niet te regisseren. Ik ben nooit een natuurfotograaf geweest en zal het nooit worden. Als natuurfotograaf moet je vlug zijn, over telelenzen beschikken en geduld hebben. Ik voldoe enkel aan de derde voorwaarde: ik kan wachten.

Dode dieren zijn nog geduldiger. Veren en vacht in zacht licht als troost voor het geleefde leven. Hun geduld krijgt op den duur wel een geurtje. Welke chemische reacties zich precies afspelen weet ik niet, maar het begint altijd bij de oogleden. Daarna volgt de verdroging van de ogen, vochtverlies, druppelend bloed, postmortale ontlasting.

Een kadaver leeft voort in zijn aftakeling. Soms komt een dood dier verrassend uit de hoek. Een onverwachte laatste stuiptrekking of een luchtzak ter hoogte van de darmen zijn geen uitzondering. Ook de stijfheid kan behoorlijk nukkig zijn. De nek van een zwaan is geen volgzaam elastiekje. Je kunt een dood dier laten liggen en het de volgende dag opnieuw fotograferen. De nacht brengt inzicht. De ochtend is anders dan de avond.

Joaquin Phoenix, Cannes 2017

De gerenommeerde Franse krant Le Monde vraagt me in 2016 om naar het filmfestival van Cannes te gaan. Kan ik dat wel, een portret maken in die hectiek, waanzin en stress? Zal ik mentaal overleven in het vreugdevuur van ijdelheid? Het is keihard werken, de persattachés kunnen monsters zijn, de tijd voor een opname is minimaal, de agenda is een stuiterbal, en de foto’s moeten de avond van de shoot zelf geselecteerd en ’s nachts bewerkt en doorgestuurd worden.

De eerste dagen word ik wat geïntimideerd door mijn collega’s. Niet zozeer door hoe ze kijken naar mij, een nieuwkomer, maar vooral door hun professionaliteit. De manier waarop sommigen hun flitsen opstellen, de snelheid waarmee achtergronden worden uitgerold. Hoe ze met schwung en peptalk hun onderwerpen rond hun vinger draaien. Dat alles maakt van mij en mijn assistent echte losers. Alleen al hoe onze wankele constructies van onze setting eruitzien, en mijn lamp zonder flitslicht. Gelukkig heb ik mijn digitale Hasselblad die er professioneel uitziet, want anders word ik er misschien wel uitgegooid.

Eén ding heb ik snel in de gaten: twijfel mag je hier niet tonen of men ruikt bloed en peuzelt je op. Ik draai een knop om en doe iets wat ik weinig doe: ik bluf. Dat is mijn redding. Op den duur schenkt het theater zelfs plezier. Er heerst een unieke energie. Iedereen is druk, heeft iets te verkopen of te kopen.

Hier is geen tijd voor wat smalltalk. Het helpt natuurlijk dat personen in de filmbusiness weten wat beeld is. Spike Lee was daarin het meest no-nonsense. ‘Tell me what you want, brother.’ Ik pak zijn vinger vast en leg die naast zijn oog. Ik schiet een paar keer en een minuut later staat hij al voor de lens van een collega naast mij.

Sterren als Juliette Binoche, Pedro Almodóvar, Terry Gilliam en Mads Mikkelsen zijn de vriendelijkheid zelve. Ik fotografeer Joaquin Phoenix, de fantastische acteur van glansrollen in Gladiator, You were never here en recent The Joker. Maar vooral de bijrol als nieuwscameraman in Hotel Rwanda, een film over de genocide, heeft een grote emotionele impact op mij gehad. Ik herinner me de hese stem waarmee hij zijn twijfels uitte over het verspreiden van zijn filmbeelden over de Rwandese gruwel: ‘If people see this footage, they’ll say ‘Oh my God, that’s horrible’, and then go on eating their dinners.’

Phoenix is een zachte en zelfs wat timide man. Hij staat voor mijn lens. Ik zie die prachtkop, zijn litteken op zijn lip, zijn intense blik. Ik denk dat ik weet waarom Phoenix meer dan alleen een knap model is. Kijk apart naar zijn ogen. Zijn linkeroog en rechteroog seinen andere signalen. Wat het is, weet ik ook niet exact. Maar hij kijkt naar je, door je en naast je. Zijn blik is een effectbal.

Milan, Engel van de Zee 2017

De leerlingen van het IBIS-internaat - vroeger weeskinderen maar nu jongeren uit complexe gezinssituaties - dragen gedurende hun maritieme opleiding al meer dan honderd jaar dezelfde kledij. Ze beschikken over verschillende uniformen, waaronder een zondags first class uniform voor plechtigheden en een gala-uniform voor feestelijkheden.

De kostuums krijgen telkens een nieuwe bewoner met een nieuw ingenaaid stamnummer, zonder naam. Enkel gedragen schoenen worden niet hergebruikt. Op zich lijken een verplicht uniform, een stamnummer en de hier heersende discipline niet meer van deze tijd.

Je zou kunnen beweren dat uniforme kledij je eigenheid belemmert, maar ik denk dat het net het tegenovergestelde is. Doordat je geen vestimentair verschil kan maken op basis van mode, persoonlijke voorkeuren en budget blijft enkel de persoon over. Mode wordt weleens overschat en verward met persoonlijkheid. Het is een verlengstuk van je persoonlijkheid, maar niet meer dan dat.

En zelfs met dezelfde kleren kan je eigen accenten leggen.

Bij de matrozenkinderen zie je wie wat opstandiger of frivoler is door de manier waarop ze hun IBIS-pet dragen. Lichaamstaal spreekt boekdelen. Sommigen staan als coole Hollywoodsterren voor mijn camera, anderen als gedisciplineerde soldaten en weer anderen als verkrampte kinderen. Milan, hier op de foto, was een vlotte en pientere jongen met een blik verder dan zijn neus. Hij is bijna klaar om op Times Square, New York, een onbekende vrouw te kussen.

Door de uniformen die al jaren onveranderd zijn, gebeurt er iets wat ik interessant vind. De indicatie van het tijdvak is spoorloos. De portretten dobberen op een soort tijdloosheid. Ik zie parallellen met de oude foto’s van de weeskinderen tegen de schoolmuren. De blik vol kinderlijke onschuld is na een eeuw nog altijd onveranderd.

Terre-Mer, Zeeland 2018

Zeeland heeft zijn naam niet gestolen. Dit landschap schuurt tegen de zee en de westenwind heeft er vrij spel. Het was heerlijk om bij het wildplassen de bries tegen mijn eikel te voelen. Rijden, wandelen, wachten, weer stappen, zoeken, op de achterbank van de auto slapen om het laatste licht te vangen en het vroege licht niet te missen. Een hotel was zinloos voor die korte nachten. Ik zag de dingen zoals Piet Mondriaan honderd jaar voordien. Soms leek het alsof ik voor dezelfde kromme boom stond, hetzelfde duin, dezelfde teruggetrokken zee.

Stress, beton, internet, hectiek. Onze maatschappij is een salto mortale geworden. Alleen nog hier en daar bestaan er eilandjes van stilte. Of is het eerder luwte? Het is telkens het landschap dat me die wijsheid brengt.

Fotografeer je een boom in een veld, dan is hij niet bezig met zijn voorkomen. Hij kijkt niet terug, hij geeft geen commentaar, je moet er geen afspraak mee maken en hij staat altijd op dezelfde plaats. Een boom is een boom. Met trage dorst en veel geduld. Het seizoen bepaalt zijn kostuum. Ik ben geen boomknuffelaar, maar ik erken de magische kracht van dit wonder. Samen met de olifant en de walvis is de boom een van de drie levende organismen die de mens overklast in présence.

Zodra de horizon uit het gezicht is, vergeet je het weer. De stad maakt de mens superieur. De natuur doet het omgekeerde. Soms heb ik medelijden met mensen die nooit eens uit de stad geraken, al was het maar voor een dag. Zij voelen nooit zo scherp de proportie tussen zichzelf en de wereld.

Maar we moeten het toegeven: een stad kan de mens in enorme mate zelfvertrouwen geven. Je ziet het vernuft en de innovatie van mensenbreinen en mensenhanden. Een auto die tussen wolkenkrabbers rijdt, een metalen roltrap op weg naar de diepte van een metro, een doorzichtige winkelvitrine. We zijn al die dingen gewend en staan niet meer stil bij die evidente verwezenlijkingen van de ambitieuze primaat.

De mens is immers ook maar een dier. Een wezen dat zich helaas wel de meerdere voelt van de dieren maar graag vergeet dat hij er zelf een is.

Bekijk hier hoe de selectie tot stand kwam

Dit jaar wordt Stephan Vanfleteren vijftig en dat viert hij met een grote overzichtstentoonstelling in het volledige Antwerpse Fotomuseum (FOMU, van 25 oktober 2019 tot 1 maart 2020) en met een boek uitgegeven bij HANNIBAL.

www.fomu.be