Polarisatie op het platteland: hoe stinkende varkens gemeenschappen verscheuren

Boeren noemen het ‘geurhinder’, de overheid ook, maar wie naast een megastal woont weet beter: de stank van duizenden varkens is onverdraaglijk. Het leidt tot scheuring binnen gemeenschappen, met uitsluiting, intimidatie en achterdocht. In een serie verhalen onderzoekt de Volkskrant Nederland varkensland. Deel 3: de overlast voor de buren.

Henk Cuppen (65), gepensioneerd directeur van een vmbo-school in Den Bosch, wijst naar de windhaan op het dak van zijn huis in het buitengebied van het Oost-Brabantse dorp Zeeland, gemeente Landerd. ‘De wind komt van het noordwesten, daarom ruiken we nu niks’, zegt hij. ‘Maar als hij van het zuidwesten komt, de overwegende windrichting in Nederland, krijgen we de volle laag van twee varkensbedrijven verderop, daar achter het maisveld, plus een kippen- en geitenbedrijf. De stank van varkens is het ergst, maar zo’n mix van geuren is echt een ramp.’

Olga Meulenhoek (38), intelligence specialist bij een zorgverzekeraar, heeft aan twee kanten een varkens­bedrijf als buurman. ‘Er wordt weleens gezegd dat mensen kunnen wennen aan geuren, maar dat is dus niet zo’, stelt ze aan de keukentafel bij buurtgenoot Cuppen. ‘De boeren ­wonen er zelf niet eens, die wonen ergens anders, en wij zitten met de stank.’

En nu wil één van die varkensboeren ook nog eens flink uitbreiden, naar 17 duizend varkens. Samen met andere buurtbewoners strijden Cuppen en Meulenhoek tegen de geplande uitbreiding, maar tot dusver tevergeefs. De Raad van State gaf eind vorig jaar definitief groen licht aan de varkensboer, die zelf in Heeswijk-Dinther woont, ruim 20 kilometer verderop – de bouw is echter nog steeds niet begonnen.

Aan de rand van de Peelregio

We zitten hier in de Graspeel, een gebied vol intensieve veehouderijen aan de rand van de Peelregio dat zich uitstrekt over de gemeenten Landerd, Mill, Grave en Sint-Hubert. Je zal er als burger maar tussen wonen, daar op het Brabantse platteland. Vroeger ­waren er boerderijen die weleens ‘landelijk’ konden ruiken, zegt Geert Verstegen uit Sint-Hubert, gepensioneerd medewerker van de Brabantse Milieufederatie. Maar de laatste decennia hebben kleine stallen plaatsgemaakt voor ‘grote industriële veebedrijven’, die volgens hem ook nog eens ‘harder mogen stinken’ dan gewone industrieën.

‘De stank, die scherpe lucht van ammoniak is er altijd’, verzucht Verstegen. ‘Ik woonde hier eerder dan de varkens. En het ergste is dat je je er nooit voor af kunt sluiten. Je kunt niet even de andere kant op ruiken.’

Verdeeldheid en spanningen op het platteland

Die stank – boeren en overheid spreken liever van ‘geurhinder’ – leidt tot grote verdeeldheid en spanningen op het platteland; tussen burgers en boeren, maar ook tussen burgers en burgers die de kant van de boeren kiezen. ‘We zijn wel een tijdje persona non grata geweest’, zegt Cuppen, een van de drijvende krachten achter de actiegroep Groen Graspeel. ‘Op buurtfeestje waren we opeens niet meer welkom. We zouden anti-boer zijn. Maar de laatste tijd gaat het beter. Er zijn ook boeren die erkennen dat er te veel dieren zijn.’

Stankoverlast kan leiden tot stress en andere gezondheidsklachten, zo blijkt uit onderzoek van onder meer GGD, RIVM en Nivel. Maar hoe wordt die stankoverlast of geurhinder berekend? Dat is best een ingewikkeld verhaal. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn maximale uitstootnormen voor geurhinder geformuleerd – voor een concentratiegebied van veehouderijen is dat 14,0 odeur (of offi­cieel: odour) per vierkante meter lucht.

Maar gemeenten kunnen via de gemeentelijke geurverordening afwijken van die normen. Ze kunnen kiezen voor strengere of juist soepelere geurnormen. Zo hanteert de gemeente Landerd een maximale norm van 9,0 odeur, terwijl buurgemeente Mill soepeler is voor haar boeren en op 14,0 zit.

Bovendien wordt die geurnorm berekend via een complex computerprogramma met allerlei variabelen, zoals aantal dieren, staltype of type luchtwassers op de stal. En die norm geldt slechts per individueel bedrijf. Er wordt geen rekening gehouden met meerdere intensieve veehouderijen binnen een klein gebied of zelfs naast elkaar – cumulatie van geurhinder valt niet binnen de regelgeving. ‘Al die veehouderijen leggen een ­deken van stank over het platteland hier’, verzucht Cuppen aan de keukentafel. ‘Maar voor de vergunningverlening maakt het niks uit – daarbij wordt slechts per individueel bedrijf bekeken of het binnen de stanknormen blijft.’

Een luchtwasser filtert de uitgaande lucht van een varkensstal op geur en ammoniak. Er zijn chemische, biologische en gecombineerde (‘combi’-) luchtwassers – allemaal met hun eigen rendement. Sinds een spraakmakend onderzoek van ­Wageningen University & Research liggen de combi-luchtwassers echter zwaar onder vuur.

De WUR-onderzoekers concludeerden vorig jaar dat deze installaties ‘een aanmerkelijk lager rendement dan verwacht halen bij het verwijderen van geur en ammoniak’. Uit metingen bleek dat de combi-luchtwassers slechts de helft van het verwachte geurrendement realiseren.

Staatssecretaris Stientje van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat, verantwoordelijk voor milieu en luchtkwaliteit, stelde niet alleen de geurreductiepercentages van combi-luchtwassers in de regelgeving ijlings naar beneden bij. Zij gaf ook een commissie onder voorzitterschap van Pieter Jan Biesheuvel opdracht onderzoek te doen naar mogelijkheden om geurhinder van veehouderijen voor omwonenden te verminderen.

De commissie stuitte in het onderzoek op tal van ‘emoties, onmacht en tegengestelde belangen’, zo schrijft voorzitter Biesheuvel in het voorwoord van het rapport Geur Bekennen, dat in april is gepresenteerd. ‘De problematiek van geurhinder leidt in sommige gemeenschappen tot polarisatie, met schrijnende voorbeelden van uitsluiting, intimidatie en een afnemend vertrouwen in het lokale bestuurlijke en politieke veld.’

Weinig vertrouwen in overheid en politiek

Geurhinder wordt omschreven als ‘een veelbewogen onderwerp’ dat veel impact heeft op het dagelijks ­leven van mensen. ‘Bovendien is in een aantal lokale gemeenschappen de sociale samenhang verdwenen door ogenschijnlijk onoverbrugbare verschillen’, aldus het rapport.

Het gebrek aan vertrouwen noemt de commissie niet verwonderlijk. ‘Omwonenden merken immers dat een deel van de veehouders legaal de geurnorm kan overschrijden’, aldus het rapport. ‘Ook ervaren zij dat bij de aanpak van geurhinder niet of nauwelijks rekening wordt gehouden met cumulatie: de optelsom van de geur van meerdere veehouderijen. Juist cumulatie kan maken dat geurhinder onhoudbaar is.’

Daar staat tegenover dat er ook veel veehouders zijn die weinig vertrouwen meer hebben in overheid en politiek. ‘Ook dat is begrijpelijk’, vindt Biesheuvel. ‘Aanvankelijk bevorderde de overheid het investeren in luchtwassers. Nu zijn er problemen met de effectiviteit van luchtwassers.’

De commissie doet drie aanbevelingen: stel grenswaarden aan emissies van geur waaraan veehouders zich permanent – niet alleen op papier, ook in de praktijk – moeten houden. Zorg voor meer inzicht in de effectiviteit van luchtwassers en probeer het rendement te verhogen. En geef lokale overheden meer mogelijkheden om gebiedsgericht beleid te voeren, waarbij ook rekening kan worden gehouden met cumulatie van geurhinder.

Op het huidige cumulatieverbod is veel kritiek, niet alleen van omwonenden, maar ook van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Daarnaast willen beide koepelorganisaties van gemeenten en provincies ook af van de omstreden ‘50-procentsregeling’: een veehouder kan een nieuwe stal met goede luchtwasser bouwen, waarbij hij de helft van de behaalde geuremissiereductie mag ‘opvullen’ met dieren. ‘Er is dan weliswaar lagere geurbelasting op omliggende woningen, maar de geurbelasting kan aldus legaal boven de geurnorm blijven. Anno 2019 is dat niet meer gewenst’, schrijven zij begin september in een reactie op het rapport van de commissie-Biesheuvel.

Volgeplempt met varkens

Aan de keukentafel bij Cuppen spuien meerdere verontruste burgers uit de regio hun gal over de toenemende stankoverlast als gevolg van de schaalvergroting in de veehouderij: steeds grotere bedrijven met steeds meer dieren. ‘Die luchtwassers zijn een lachertje’, schampert oud-­ondernemer Piet Catsburg (68). ‘Ze doen niet wat ze moeten doen en die ventilatoren maken ook nog eens een enorm lawaai. Het gebied wordt gewoon volgeplempt met varkens en wij burgers zitten steeds in die helse stank.’

Ze kunnen ’s zomers niet meer lekker buiten zitten of het raam open hebben of de was buiten hangen – voor je het weet ruikt je overhemd naar varken. Om nog maar te zwijgen over de gezondheidsrisico’s, niet alleen door de stankoverlast, maar ook door het gevaar dat dierziekten kunnen overspringen op de mens.

‘De overheid verzaakt haar zorgplicht jegens de plattelandsbewoners’, meent Catsburg. Zodra de varkensboer met de bouw van zijn megastal voor 17 duizend varkens wil beginnen, zal hij samen met andere buurtbewoners een kort geding aanspannen om een bouwstop af te dwingen.

Cuppen heeft eens laten uitrekenen wat de stankoverlast van de toekomstige megastal met luchtwassers voor hem zal betekenen: ‘Volgens de huidige berekeningen, uitgevoerd door de Omgevingsdienst Brabant Noord, is de geurbelasting op mijn woning 3,9 odeur. Bij de komst van die nieuwe stal wordt dat 8,5. Maar op een woning nog geen 100 meter hiervandaan wordt die geurbelasting 32,5. Dat is bijna vier keer zoveel als de maximale geuruitstoot die de gemeente Landerd in haar geurbeleid toestaat.’

De boerenorganisaties POV en LTO Nederland hebben in een gezamenlijke reactie op het kritische rapport Geur Bekennen laten weten dat het advies voor een robuust toekomstig geurbeleid van de commissie-Biesheuvel ‘onvoldoende concreet is om in te schatten of dit uiteindelijk leidt tot een werkend perspectief’ voor veehouders die gecombineerde luchtwassers gebruiken. ‘Geur is complex’, zeggen ze in een verklaring. ‘We hadden gehoopt op een advies met meer sturing voor de invoering van een nieuwe werkwijze.’

Rechtszaak tegen stank

Actievoerders tegen de stankoverlast van intensieve veehouderijen op het Brabantse platteland willen de staat voor de civiele rechtbank dagen wegens het plegen van een onrechtmatige daad jegens burgers. Want in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens staat expliciet dat de overheid garant moet staan voor een gezond leefmilieu voor bewoners.

‘Voor de bestuursrechter moeten wij als verontruste burgers vaak bakzeil halen, omdat die slechts toetst of bij de vestiging of uitbreiding van een varkensbedrijf aan alle wetten, regels en vergunningen is voldaan’, aldus Geert Verstegen uit Sint-Hubert. ‘De Raad van State oordeelt dan: het stinkt wel, maar het mag. Dan ben je in het bestuursrecht uitgeluld.’

Bij de civiele rechter denken de verontruste burgers meer kans te maken. ‘Onze jurist gaat de staat aanklagen wegens een onrechtmatige daad’, aldus Verstegen. ‘De overheid doet onvoldoende zijn best om te voorkomen dat burgers worden blootgesteld aan allerlei gezondheidsrisico’s door de intensieve veehouderij. Die procedure achten wij kansrijk.’

Want het is juist een falende overheid die voor tweespalt zorgt op het platteland, vinden zij. Of zoals Gerda Arts (64), oud-docent uit Langenboom, het verwoordt: ‘De overheid zet de burger op tegen de boer door niks te doen.’ Verstegen wijst erop dat de stichting Urgenda eveneens via de civiele rechter het falende klimaatbeleid van Nederland met succes op de agenda heeft gezet: ‘Wij voorzien een Urgenda-achtige aanpak.’