Moet je wel hulp geven aan gevluchte IS-aanhangers?

Tineke Ceelen ontmoette vrouwelijke aanhangers van IS en hun slachtoffers, yezidi-vrouwen. Nu moet ze met haar Stichting Vluchteling allebei helpen.

Tineke Ceelen bezoekt IS-vrouwen in vluchtelingenkamp Al Hol.

Een enorm dilemma. Directeur Tineke Ceelen van Stichting Vluchteling ontmoette dit weekend in Syrië en Irak vrouwelijke IS-aanhangers én hun slachtoffers. Die yezidi-vrouwen werden door IS ontvoerd, verkracht en verhandeld als slaven. Ze werd diep getroffen door de ‘hartverscheurende’ verhalen van de yezidi-vrouwen. En Ceelen raakte geërgerd – uiteindelijk heel boos – over wat ze meemaakte van het stuitende gedrag van de IS-vrouwen.

Toch wordt Stichting Vluchteling geacht beide groepen hulp te bieden. Zowel de IS-vrouwen als de yezidi-vrouwen zijn de laatste dagen en weken ontkomen uit het helse oord Baghouz, de allerlaatste enclave van het kalifaat in Syrië. De IS-vrouwen en hun kinderen kwamen terecht in kamp Al Hol in het noordoosten van Syrië, de yezidi-vrouwen worden met hun kinderen opgevangen rond de stad Duhok in Irak. Op beide plekken – vooral in Al Hol - is aan alles gebrek. De behoefte aan hulp is urgent.

Toch is er dat dilemma, zegt Ceelen telefonisch vanuit Duhok. ‘De humanitaire principes zijn duidelijk: wij moeten alle vluchtelingen helpen, wie het ook zijn, wat ze ook vinden. Maar als je de yezidi’s spreekt, raak je vertwijfeld. Wat met die mensen is gebeurd, gaat elke voorstelling te boven. Dit is zó erg, hoe kún je mensen dit aandoen?

‘Als je op één en dezelfde dag de slachtoffers spreekt en de IS-aanhangers ziet die mijn collega’s bedreigen omdat ze niet fatsoenlijk gekleed zouden zijn, dan is het heel verscheurend dat je het beetje geld dat je hebt aan beide partijen moet besteden. Ik ben geneigd bij die IS-aanhangers te denken: zak er maar in, je hebt er zelf voor gekozen.’

De 55-jarige Ceelen heeft in haar zestien jaar bij Stichting Vluchteling heel wat menselijke ellende gezien in kampen wereldwijd. Toch klonk ze zelden zo aangedaan. De pijn van de yezidi-vrouwen en de confrontatie met slachtoffers die tegelijk daders zijn, zorgen ervoor dat ze meer dan ooit stilstaat bij de essentie van het humanitair werk.

‘Op kantoor hadden we er felle discussies over. Daarom ben ik hierheen gegaan. De humanitaire principes zijn helder: mensen helpen, punt. Maar emotioneel ligt het anders. Ik ben zelf donateur van Stichting Vluchteling. Ik geef mijn geld liever aan een yezidi dan aan een IS’er. Ik ben ook maar een mens.’

Al Hol.

Hebben jullie al besloten wat jullie doen?

‘Ja, we blijven op beide plekken werken. Er is veel reden de mensen in Al Hol wél te helpen. De kampbevolking bestaat voor 60 procent uit kinderen. Zij zijn er beroerd aan toe. Als je hoort hoe oud ze zijn, denk je: dat bestáát niet. Kinderen van 9 zien eruit als 4.’

Veel kinderen in het kamp zijn ziek en ondervoed, zegt Ceelen. Opvallend veel kleine kinderen die een arm of been missen, doordat oorlogswonden slecht zijn geheeld. Kinderen met één been in een rolstoel. De afgelopen weken zijn in Al Hol 108 jonge kinderen gestorven, puur door ontberingen.

‘Je kunt kinderen niet verantwoordelijk houden voor wat hun ouders doen. Dat zou ons even erg maken als IS. Bovendien, wat creëer je als je niet helpt? Maak je het dan niet erger dan het al is? We moeten ingrijpen. Maar ik zeg je dat het me moeite kost.’

Een ander probleem: lang niet alle vrouwen in Al Hol zijn echtgenotes van strijders of aanhangers van IS. Veel burgers zijn als menselijk schild gebruikt, ze hadden de pech in deze situatie verzeild te raken.

‘Maar het verschil kan ik niet zien aan de buitenkant’, zegt Ceelen. ‘Alle vrouwen gaan in zwarte gewaden gehuld. Wie is IS-aanhanger, wie niet? Zeg het maar. Mag je dan iedereen over één kam scheren? Het hele kamp verantwoordelijk stellen voor wat een deel heeft gedaan?’

Fanatieker

Intussen leggen de IS-aanhangers in Al Hol hun wil op aan andere vrouwen in het kamp, zegt Ceelen. Van hulpverleners hoorde ze dat de sfeer meer en meer gespannen wordt. ‘Het wordt steeds moeilijker rond te wandelen en een praatje aan te knopen met mensen, wat ik normaal altijd doe in een kamp. In Al Hol kan dat niet. Sommige kinderen worden door hun moeder opgestookt om stenen te gooien naar de buitenlanders. Praten met iemand zoals ik kan een vrouw duur komen te staan, omdat andere vrouwen vinden dat ze dat niet moet doen.’

Gesprekjes kon Ceelen alleen voeren in de wachtkamer van de kliniek van de hulporganisatie waarmee Stichting Vluchteling samenwerkt. ‘Maar dan nog. Alle vrouwen zijn van top tot teen gesluierd. Vaak hebben ze handschoenen aan en een lap over hun ogen. Dat maakt praten niet eenvoudiger.

‘Ook krijgen lokale collega’s te horen dat ze niet goed gekleed zijn, niet volledig gesluierd. Dat gebeurt steeds vaker. De recentelijk binnengekomen groepen lijken steeds conservatiever te zijn, steeds fanatieker. Dat zijn echt de IS-aanhangers.’

Het aantal mensen in het kamp is enorm gegroeid, van 20 duizend in december tot 70 duizend nu. Hulpverleners waren stomverbaasd dat telkens weer golven vluchtelingen uit het piepkleine Baghouz kwamen, het hield niet op. Al Hol is een splinternieuw kamp, alles glimt en blinkt, maar er zijn veel te weinig tenten. De recent aangekomen gezinnen slapen met z’n allen in grote tenten. Ook daar zijn de vrouwen boos over. Aan alles – van voedsel tot matrassen – is gebrek.

‘In het begin zat er een ander soort mensen. Wat nu binnenkomt heeft tot op het laatst vastgehouden aan de laatste flinter van het kalifaat. Heel fanatiek. De buitenlandse vrouwen zitten in Annex, een apart deel van het kamp. Daar kom je helemaal moeilijk bij. Het Engelse meisje dat met de media sprak, is dat slecht bekomen. Ze schijnt mishandeld te zijn. Dat maakt de animo om met hulpverleners te spreken niet groot.’

IS-vrouwen en hun kinderen in het kamp Al Hol in het noordoosten van Syrië. Zowel de IS-vrouwen als de yezidi-vrouwen die worden opgevangen bij Duhok in Irak zijn de laatste dagen en weken ontkomen uit het helse oord Baghouz, de allerlaatste enclave van het kalifaat in Syrië.

Slavenmarkt

In Irak gaat dat makkelijker. Grote indruk maakte een gesprek dat Ceelen had met Barfi, een yezidi-vrouw bij Duhok. In augustus 2014 was ze ontvoerd door IS. Ze had op dat moment een zoontje van 1 jaar en was hoogzwanger van haar tweede kind, dat werd geboren in gevangenschap.

‘Ze vertelde van de slavenmarkt in Deir al-Zor in Syrië. Alle vrouwen stonden op een podium, de mannen eromheen. Een voor een moesten ze naar voren komen en hun naam en leeftijd zeggen. Dan konden de mannen in de zaal bieden. De vernedering! Ze is zeven of acht keer doorverkocht.

‘Op een gegeven moment kwam Barfi bij een ‘goed’ IS-gezin dat haar wilde terugverkopen aan haar eigen familie. Anderen bij IS kwamen daar achter en die man is onthoofd. Later kwam ze bij een Russische IS-strijder. Haar jongetjes spreken nu Russisch en Arabisch. In hetzelfde huis woonde een 9-jarig meisje. Ze hoorde hoe dat meisje regelmatig werd verkracht.

‘Haar kinderen hebben nooit anders gezien dan dat hun moeder werd geslagen, geschopt en uitgescholden. Dus die jongetjes deden het nu zelf ook! Twee monsters van kinderen. Ze beten hun moeder en ze sloegen mij nota bene ook. Komt dat ooit nog goed? Kijk eens wat je aangericht hebt. Een heel gezin verwoest.’

Op 11 maart kwam de vrouw tevoorschijn uit het inferno van Baghouz. De laatste dagen verbleef ze daar in een kuil buiten het dorp, zonder zeil of dekens. Na een regenbui moest ze zich maar laten opdrogen.

‘Het trauma stond op het gezicht gebeiteld’, zegt Ceelen. ‘Ik heb een foto van haar gemaakt. Het ongeluk straalt ervan af, de pijn, het verdriet. Ik vroeg haar wat ze nodig had. Daar hoefde ze niet over na te denken. ‘Ik heb maar één wens. Ik wil mijn man terugzien.’ Wij daar om de tafel wisten: die man ziet ze nooit meer terug. Hartverscheurend.

‘Als je dan zo’n verhaal hoort, en je ziet die kinderen rond rauzen, met een sleutelbos het raam er bijna uitslaan, hun moeder bijten, mij een mep verkopen, dan denk je… Je hoort me hardop worstelen. Morgen ga ik naar huis. Dan ga ik eerst maar eens een halve dag op bed liggen huilen.’