In het arme steenkoolzwarte Kentucky gloort een gouden toekomst

In Oost-Kentucky is de armoede overal. Het is een van de meest uitzichtloze gebieden van Amerika nu de steenkoolmijnen er sluiten. President Trump belooft veel, maar het is een groep ondernemers die met kassen uit Nederland van Kentucky het beloofde land wil maken.

‘Moet je je voorstellen’, zegt Jonathan Webb, en hij spreidt zijn armen. Webb staat op een grintweggetje dat van de ene horizon naar de andere leidt, op een vlakte van gras en zand en korenbloemen, een lome leegte die niet te vullen lijkt. ‘Hier gaat het gebeuren. Vijfentwintig hectare glas en staal. De grootste hightech kas van Amerika. Misschien wel het begin van een nieuw Oost-Kentucky. We hebben de kans om het land naar een nieuwe toekomst te leiden.’

Heel in de verte staan een paar bulldozers, piepklein. Een kas? In deze enorme ruimte? Het vergt verbeeldingskracht.

Maar Webb (34), in spijkerbroek en blauw T-shirt, met een baardje en een bril en een baseballpetje van de University of Kentucky, heeft die benodigde verbeeldingskracht. Hij is een jongen die ook activist of onderwijzer zou kunnen zijn, met zijn drang de wereld te verbeteren en uit te leggen waarom dat verbeteren nodig is, maar hij is er ondernemer mee geworden. De afgelopen twee jaar heeft hij als debuterend entrepreneur 94 miljoen dollar (85 miljoen euro) opgehaald voor zijn start-up AppHarvest om hier, in zijn thuisstaat Kentucky, een voor dit land volstrekt nieuwe bedrijfstak op poten te zetten. Hoogtechnologische tuinbouw. ‘We willen hier doen wat jullie in Nederland hebben gedaan’, zegt Webb, die in Wageningen zijn licht heeft opgestoken. ‘Amerika loopt enorm achter. Dat biedt mogelijkheden.’

Jonathan Webb: ‘Ik wilde een start-up in mijn eigen staat beginnen, op een plek waar nieuwe bedrijvigheid hard nodig is, waar ik verschil kan maken.’

Die mogelijkheden zocht hij dus juist hier. Het plaatsje Morehead, waar de kas gaat komen – er zijn zeshonderd containers met bouwmateriaal onderweg, geleverd door kassenbouwer Dalsem uit Den Hoorn, en LED-lampen van Philips – ligt in het op twee na armste district van de Verenigde Staten. Dit is het hart van de Appalachen, dit is coal country, waar steeds meer mijnen sluiten en de werkloosheid tot 13 procent is opgelopen (landelijk is het 4 procent). Het is het land van de hillbilly’s in woonwagens, waar Amerikaanse kustbewoners, met hun macht en geld en invloed, nog steeds vrijwel uitsluitend van tien kilometer hoogte op neer kijken.

Webb is zo’n Amerikaan die gelooft dat de economische achterstanden in dit soort regio’s alleen op de klassieke Amerikaanse manier overwonnen kunnen worden. Niet door de landelijke overheid of door het gevestigde bedrijfsleven – ‘die bewegen niet snel genoeg, die zijn te log’. Nee, het moet van echte ondernemers komen, mensen die iets nieuws beginnen. Idealistische kapitalisten. Alleen: wie durft er geld in zo’n achtergebleven gebied te steken?

De visionairen, kapitalistisch idealisme, in de Appalachen

‘Driekwart van het Amerikaanse durfkapitaal stroomt naar drie regio’s: rond San Francisco, rond New York en rond Boston’, zegt Webb. ‘Het geld gaat naar een paar honderd slimme mensen die allemaal met dezelfde ideeën bezig zijn. Er is niets dat de naald beweegt. Ik wilde een start-up in mijn eigen staat beginnen, op een plek waar nieuwe bedrijvigheid hard nodig is, waar ik verschil kan maken.’

Tot zijn geluk bleken er meer Amerikanen te zijn die er zo over denken. De schrijver J.D. Vance, die bij een investeringsfonds in Silicon Valley werkte, besloot na het succes van zijn familiesage Hillbilly Elegy uit 2016 dat hij iets wilde terugdoen voor de regio waaruit hij zelf was ontsnapt.

In Hillbilly Elegy beschrijft Vance de locals als – inderdaad – hillbilly’s die van armoede een ‘familietraditie’ hebben gemaakt, en passief de uitkeringen incasseren waarmee de overheid het ergste leed probeert te verzachten. ‘Ik ben een conservatief’, schrijft Vance voor de duidelijkheid in zijn nawoord, ‘en ik betwijfel of de jaren-zestigbenadering van de welvaartsstaat het wel makkelijker heeft gemaakt voor de arme kinderen in dit land om hun dromen waar te maken.’ Zijn zedenschets bood veel buitenstaanders hun eerste en enige inkijkje in fly-over country, maar voor veel bewoners van de Appalachen was het een belediging.

Misschien daarom dat Vance het goed probeert te maken. Hij realiseerde zich dat zijn verkettering van overheidssteun consequenties heeft: dan moeten het geld en de banen en kwaliteit van leven dus uit particulier initiatief voortkomen. ‘Wat gemeenschappen nodig hebben is niet alleen financiële steun, maar talent en energie en toegewijde burgers die levensvatbare bedrijven kunnen opzetten en burgerinstituties kunnen creëren’, schreef hij in een opiniestuk in The New York Times in 2017. ‘Maar als iedereen de streek verlaat die daar ook maar enigszins toe in staat is, komt er nooit iets van de grond.’

Hij vond dat hij daar zelf ook schuldig aan was.

Dus keerde hij terug naar zijn geboortestreek, riep andere geslaagde vluchtelingen uit de Rust Belt op hetzelfde te doen, en richtte met mede-investeerder Steve Case een fonds op, Rise of the Rest, dat voortaan zijn geld niet zou steken in de gebruikelijke techsteden maar in de achtergebleven gebieden tussen de Amerikaanse oost- en westkust. Vance en Case haalden 150 miljoen dollar (135 miljoen euro) op bij investeerders en toerden met een bus door het hartland, op zoek naar startende ondernemers met een goed verhaal.

Jonathan Webb was een van de gelukkigen. Hij kreeg een zak startgeld voor AppHarvest, zijn droom om een soort Westland in Kentucky te beginnen (Rise of the Rest geeft hooguit een miljoen ‘zaaigeld’ per start-up).

‘Het was een katalysator’, zegt Webb. ‘Door dat geld durfden enkele grote investeerders het vervolgens ook aan. Daar ben ik Vance dankbaar voor.’

Vance is ook blij met AppHarvest, schrijft hij in een e-mail. ‘We zijn trots dat we AppHarvest kunnen steunen. We kijken ernaar uit met hen samen te werken en kostenefficiënt fruit en groente te produceren met duurzame landbouw. De kas zal bijna driehonderd banen creëren in Oost-Kentucky. Om te beginnen.’

Webb wil uiteindelijk tientallen kassen neerzetten en heeft daarvoor de bergen op het oog die voor de steenkoolwinning met dynamiet van hun toppen zijn ontdaan. De vlakten die dat heeft opgeleverd, zijn in theorie ideaal om kassen op te bouwen, al werd dat plan voor de eerste megakas geschrapt, omdat de grond te instabiel bleek. ‘Maar het is nog steeds mijn doel om die locaties te gebruiken’, zegt Webb.

De president, de loodzware belofte aan de mijnwerkers

Het was presidentskandidaat Donald Trump die in 2016 beloofde de sputterende steenkoolwinning in de Appalachen er weer bovenop te helpen. ‘We geven de mijnwerkers hun banen terug’, zei Trump bij diverse gelegenheden, tot luid applaus van de gehelmde aanwezigen. Hij hoopte dat te doen door Barack Obama’s strenge uitstootregels voor kolengestookte elektriciteitscentrales te schrappen. Maar hij kon een veel krachtiger trend niet keren. Aardgas, in de VS overvloedig aanwezig door het ­fracken van de Amerikaanse bodem, is een veel goedkopere energiebron dan steenkool, en dus is het aandeel van kolen in de productie van elektriciteit de afgelopen jaren verder gedaald tot 27 procent – in 1988 was dat nog 57 procent. Sinds Trumps aantreden zijn 51 kolencentrales gesloten en acht mijnbouwbedrijven failliet gegaan.

De hopeloosheid van die harde economische realiteit is in september te zien bij het plaatsje Cumberland, een uur ten zuiden van Morehead. Daar blokkeren mijnwerkers al weken een spoorlijn waarop een trein vol steenkool staat te wachten. De lading, die naar schatting een miljoen dollar waard is, is formeel eigendom van het bedrijf Blackjewel, dat eind juli failliet is gegaan. Maar dat faillissement was bijzonder grof: uitbetaalde salarissen werden teruggevorderd van de bankrekeningen waarop ze al waren gestort. Daarom vinden de mijnwerkers dat de lading steenkool op de trein van hen is. ‘Wij hebben de steenkool gedolven en onze ruggen gebroken om het uit de grond te krijgen, dus is het van ons tot ze ons ervoor betalen’, zei Chris Rowe (35) tegen The Washington Post.

De mijnsluitingen zijn in een nieuwe, hardere fase beland. Lange tijd is er een cyclus geweest waarbij mijnbouwbedrijven failliet gingen, en daarna toch weer een doorstart konden maken doordat een nieuwe eigenaar kans zag om met minder mensen en met lagere salarissen (en vaak met minder milieu- en veiligheidsmaatregelen) toch nog een stuiver te verdienen door nog wat kolen uit de grond te halen, en daarna zelf failliet te gaan. Blackjewel heeft die uitpersstrategie tot in het uiterste doorgevoerd, door de mijnwerkers niet eens hun salaris meer te betalen, en ook geen belastingen en milieuherstelbetalingen. Alleen financiers die geld hebben geleend aan Blackjewel lijken hun geld terug te krijgen. Dit zijn de stuiptrekkingen van een ooit trotse industrie.

‘De mijnbouw in de Appalachen is altijd een bloei- en breekbranche geweest’, zegt Bob Helton, hoofd economische ontwikkeling in Morehead Rowan County. ‘Maar dit keer is het anders. Dit keer lijkt het einde definitief.’

Wat resteert zijn de mensen, zegt Jonathan Webb. ‘Ze zeggen vaak dat het hout, het water en de kolen in deze streek ons land hebben aangedreven. Dat klopt niet – het waren de mensen in deze bergen die het land hebben aangedreven. En die zijn er nog steeds. Die willen werken.’

De softwaregoeroe, hippe techsteden, slimme bergmensen

Dat realiseerde ook Ankur Gopal zich een paar jaar geleden. Gopal (45), de oprichter van softwarebedrijf Interapt, vertelt in zijn kantoor in een oude glasfabriek in Louisville dat hij voortdurend nieuwe programmeurs nodig had om de groei bij te benen, en de hele tijd mensen moest over­halen om naar Kentucky te komen. ‘Man, je moest eens weten wat een vooroordelen ze hebben tegen Kentucky. Ik stond op een tweesprong. Moest ik vertrekken naar een van de hippe tech-steden, of hier in Kentucky blijven? Ik besloot te blijven. Ik dacht: hier zijn mensen genoeg. Ik moet ze alleen nog leren programmeren.’

Hij is zelf geboren in een stadje iets verderop, als zoon van Indiase immigranten. ‘Succes was gedefinieerd als: vertrekken uit Kentucky’, zegt hij. Dat deed hij ook. Maar na een paar jaar als management-consultant begon hij een bedrijf en keerde terug naar zijn thuisstaat. Lekker goedkoop beginnen, en als het aanslaat naar San Francisco, was het plan. ‘Toen besloot ik hier te blijven. Ik dacht: waarom een van de duizenden zijn in Silicon Valley, terwijl ik hier een van de weinigen ben?’

Alleen: dat personeel. Hij begon antropologen en politicologen tot programmeurs op te leiden, en op een gegeven moment vroegen de (Democratische) gouverneur en een (Republikeins) Congreslid hem: waarom ga je geen mensen trainen in Oost-Kentucky? Er was zelfs een potje voor, gecreëerd door Barack Obama.

En zo zette hij in de zomer van 2016 een advertentie. Opleiding tot programmeur: 400 dollar per week. Geen kosten, maar loon. Gopal: ‘Ik wilde de cursisten vanaf het begin betalen. Ik wilde laten zien dat ik ze serieus nam.’

‘Bergmensen’, worden de bewoners van de Oost-Kentucky genoemd. Heel hoog zijn de Appalachen niet, maar de bewoners hebben zich genesteld in smalle kronkelige valleien aan zijweggetjes van zijweggetjes van zijweggetjes, in nederzettingen waarvan de naam nergens staat opgeschreven. Het isolement en hun werk in de mijnen maakt ze buitengewoon inventief: als je auto het begeeft, moet je het zelf oplossen. ‘Wat die mensen kunnen, daar is geen school voor’, had Bob Helton gezegd. ‘Programmeren sluit daar op een bepaalde manier bij aan’, zegt Gopal. ‘Je loopt ergens vast en moet dan bedenken hoe je de zaak weer in beweging krijgt.’ Mac­Gyveren.

Er kwamen ruim achthonderd gegadigden op de advertenties af. Een cursus van 24 weken, nog betaald ook, en daarna via een stage een baan. ‘Er was veel scepsis, dit was bijna te mooi om waar te zijn’, zegt Alex ­Hughes, die jarenlang als printerinstallateur had gewerkt maar zijn broodwinning was kwijtgeraakt omdat er door de neergang van de mijnbouw veel minder geprint hoefde te worden. ‘Ik dacht: dat is de kans op een hele nieuwe toekomst.’

Shea Maynard: ‘Ik dacht: programmeren? Dat kan ik nooit. Maar ik dacht ook: dit kan de weg zijn naar een beter leven.’

Ook Shea Maynard meldde zich, een jonge vrouw uit Lovely, een dorpje waarvan de naam alleen maar ironisch kan worden opgevat, sinds de pijnstillers over deze streek zijn uitgestrooid. ‘Als vrouw kun je hier twee dingen worden: lerares of verpleegkundige. Ik wilde geen van beide en belandde dus in een pizzatent. Ik verdiende 7,25 per uur, al kreeg ik na een tijdje wel een dubbeltje opslag.’ Ze nam er een baan bij en ging als nachtportier in een hotel werken. De twee banen samen waren bijna genoeg om van te leven – als het kon nam ze diensten over van collega’s. ‘Elk uur extra werk is een paar dollar extra voor eten of benzine’, zegt ze. ‘Je kunt altijd een uur minder slapen.’

En toen werd zij door vrienden gewezen op die advertentie van Interapt. ‘Ik dacht: programmeren? Dat kan ik nooit. Ik kon wel mijn pagina’s op My­Space aanpassen, dat soort dingen, maar ik had nooit gedacht dat ik meer kon dan dat. Maar ik dacht ook: dit kan de weg zijn naar een beter leven.’

Ze is inmiddels een volleerd programmeur en ontwerpt vanuit haar trailer apps voor de klanten van Interapt, voor een salaris waarvan ze vroeger alleen kon dromen. ‘Lange tijd heb ik last gehad van het bedriegerssyndroom’, zegt Maynard. ‘Ik dacht elk moment ontmaskerd te kunnen worden. Ik kon niet geloven dat ik dat geld verdiende. Dat is sinds een half jaar pas aan het slijten.’

Het was ook vreemd, om ineens door de thermiek van de goeddraaiende economie te worden opgetild – terwijl de meeste mensen in de Appalachen alleen maar aan de lijzijde van de hoogconjunctuur blijven. Interapt zelf werd ook beticht van oplichterij, omdat ze de subsidie zouden hebben misbruikt – en keerde na dat jaar niet terug. Gopal leidt zijn programmeurs nu op andere plekken in Kentucky en Georgia op.

Shea Maynard: ‘De reactie van mijn familie? Tussen trots en jaloezie. Ik laat mijn vader soms opzettelijk niet zien hoe gelukkig ik ben. Hij heeft zijn hele leven twee of drie banen gehad en ik voel me schuldig dat hij nog steeds zo moet worstelen. Maar de familie van David, mijn man, vindt het prachtig. Voor hen wilde ik in deze streek blijven wonen. We willen hier nu een echt huis gaan kopen. We houden van deze plek.’