Het beste voor Mohamad

Een conservatieve Oostenrijkse politicus ‘adopteerde’ een Syrisch vluchtelingengezin met een zieke zoon uit Turkije. Wie deed hij daar eigenlijk een plezier mee?

Mohamad stuitert door de sneeuw, lanceert zichzelf een paar keer van een helling en duwt een wortel in zijn sneeuwpop. ‘Klaaaaaaar!’, galmt hij, met overslaande stem. Dan volgt een hoestbui die niet stopt tot hij thuis is en met rode konen tegen zijn moeder kruipt.

In veel opzichten is Mohamad Abdelmajeed een gewoon jongetje van 9 dat houdt van gamen, vloggers, frietjes en voetbal. Maar wie hem ontmoet, ziet meestal eerst iets anders.

De huid in zijn hals plooit, alsof de zwaartekracht extra hard aan hem trekt. Zijn tanden zijn klein en broos, zijn grote oren staan wijd uit en hij heeft een gezicht vol rimpeltjes. Mohamad oogt als een man van 80 in het lichaam van een kind. Wanneer hij praat klinkt het krakerig, als een stem die al een lang leven meegaat.

Het is kerst 2016 als de Oostenrijkse lokale politicus Oliver Natter (45), docent en vader van drie, op zijn Facebook-tijdlijn een filmpje aanklikt. Meerdere van zijn bijna 2.500 digitale kennissen hebben het gedeeld.

De video is van Al Jazeera en heeft in een paar uur tijd al acht miljoen views (inmiddels is dat ruim drie keer zoveel). In beeld verschijnt een jongetje met grote oorschelpen, rimpels en hangende huidplooien. ‘Mohamad is 7 en hij is ziek’, zegt de stem van zijn moeder in het Arabisch, terwijl droevige pianomuziek klinkt.

Door zijn ziekte, progeria volgens het filmpje, veroudert niet alleen zijn uiterlijk, maar alles in zijn lichaam – ook zijn hart en longen – razendsnel. Het is de vraag of hij de 14 zal halen.

Mohamad heeft driftbuien, is onhandelbaar en ontroostbaar, meldt de video, hij gaat niet naar school, wordt nagewezen, uitgelachen en gepest. Zijn ouders hebben alle spiegels uit huis verwijderd, omdat het jongetje zijn eigen aanblik niet verdraagt. Het gezin is gevlucht uit Syrië en verblijft op dat moment in Turkije. ‘Als we hier blijven, gaat Mohamad dood’, zegt zijn moeder.

Het kerstmaal moet nog maar even wachten, besluit Oliver Natter, nog vastberadener dan ontroerd. Hij wil uitzoeken hoe hij het jongetje en zijn gezin kan helpen.

De makers van het filmpje bij Al Jazeera kunnen hem niet verder helpen; dat achten ze als journalisten niet hun taak. Natter vertelt het met enige verontwaardiging, in zijn moderne woonkeuken in het dorpje Wolfurt, in het uiterste westen van Oostenrijk. Niet hun taak? Het zijn toch mensen, en goed opgevoede mensen helpen hun naasten, journalist of niet – zo ziet Natter de zaken tenminste.

Gelukkig heeft Natter ervaring met hulp aan Syrische vluchtelingen, via een Oostenrijkse organisatie waarvoor hij vrijwilligerswerk doet. Zijn netwerk is aanzienlijk; via kennissen op Facebook weet hij de familie te traceren.

Via Skype neemt hij, met de hulp van een tolk, contact op met Mohamad en zijn ouders. Zij verblijven, zoals veel gevluchte Syriërs, in het Turkse Batman, vlak bij de Syrische grens. Het gesprek verloopt stroefjes, ondanks de hulp van de tolk. De verbinding is slecht, het beeld schokkerig. Mohamad zegt niets, hij zit verlegen aan zijn moeder geplakt. Moeder Sherin zegt later over het gesprek: ‘Ik dacht: wat wil deze man van ons?’

Het gezin woont met meerdere gevluchte families in één huis. Als de vader werkt – hij sjouwt cementzakken – is er eten, anders niet. Dus stuurt Natter wat geld.

Maar het knaagt. Wat nou als hij meer zou kunnen betekenen dan een stapeltje biljetten dat zo weer wordt uitgegeven?

Natter wil weleens weten hoe dat zit met die ziekte van het jongetje. Een bevriende Weense arts kijkt op zijn verzoek naar het filmpje van Mohamad. De arts verrast hem. Hij kan natuurlijk geen diagnose stellen op basis van een video, maar de jongen zou volgens hem weleens een ander syndroom kunnen hebben: het zeldzame cutis laxa. Dat lijkt op progeria, maar is toch anders. Er bestaan nare en dodelijke varianten van, maar ook vormen waarmee je een hoge leeftijd kunt bereiken.

Mohamad moet naar een goede dokter, denkt Natter. Alleen is er in Batman nergens een specialist, en als vluchteling kun je niet zomaar even naar de andere kant van het land.

Op Facebook maakt Natter ondertussen een pagina aan voor Mohamad, waarin hij vraagt om hulp. Het linkje dat hij onder het filmpje van Al Jazeera plaatst, wordt door de nieuwsorganisatie verwijderd. Maar het heeft er nét lang genoeg gestaan om door twee Amerikaanse dames op leeftijd te worden opgemerkt. Dames met een filantropische inborst en een bijpassend vermogen. Zij worden Natters belangrijkste financiële steunpilaren, al steekt hij zelf ook ‘heel wat euro’s’ in het gezin.

Al snel dient zich een radicaal plan aan. Natter weet dat Oostenrijk beperkt vluchtelingen opneemt, maar voor dit gezin moet een uitzondering worden gemaakt, vindt hij, vanwege de ziekte van Mohamad.

Zelf is Natter al bijna twintig jaar lokaal actief voor de conservatieve Oostenrijkse Volkspartij (ÖVP), voornamelijk in zijn eigen dorp Wolfurt. Het maakt hem op het eerste gezicht niet de meest voor de hand liggende weldoener voor een Syrisch gezin op drift, dat beseft hij.

Natter is een pragmatisch man, een realist, niet het type dat met tranen in de ogen naar het filmpje van Mohamad kijkt en roept om open landsgrenzen. Maar bij onrecht kom je in actie – dat noemt hij een burgerplicht.

Maandenlang blijft Natter lobbyen; hij mailt, belt en gaat langs bij elke denkbare overheidsinstantie en ngo die iets voor vluchtelingen doet. Hij richt zijn pijlen tot aan de Oostenrijkse regering.

En dan, begin september 2017, na negen maanden ‘pushen en praten’, komt het verlossende telefoontje. Natter loopt de klas uit waar hij op dat moment lesgeeft. De stem van een vooraanstaand ÖVP’er klinkt: ‘Oliver, het is rond. Jij neemt de kosten voor een vlucht en een appartement voor je rekening. Ik zorg dat de rest wordt geregeld – op één voorwaarde: dat mijn naam nooit wordt genoemd.’

Een ÖVP’er die zich ontfermt over vluchtelingen is slechte reclame, legt Natter uit. Wat hij best gek vindt, want ooit was zijn partij vooral een club van brave christenen. En die zetten zich toch in voor naastenliefde. Enfin, met tevreden grijns: ‘Ik denk dat ze me gewoon spuugzat waren.’

In het appartement van de familie Abdelmajeed staat de wandvullende tv op volume ‘alles overstemmend’. De overige decoratie: kunstbloemen, een Koerdische vlag en een kanarie in een kooitje. De woning bevindt zich op de eerste verdieping van een statig pand in het centrum van het pittoreske stadje Bregenz aan de Bodensee, waar toeristen ’s zomers komen om te zwemmen en ’s winters om te skiën.

Vader Azad ligt op een van de twee matrassen op de grond. Ze hadden aanvankelijk een sofa, zoals andere mensen in Oostenrijk, maar dat zitten op zo’n verhoging, ver weg van de grond – ze snapten er niets van.

Anderhalf jaar wonen Azad (45), moeder Sherin (33), Mohamad (9), Nada (8) en Yusuf (3) op het moment van ons bezoek in ‘het beloofde land’. Twee weken na het telefoontje van de anonieme vooraanstaande ÖVP’er stapten de vijf uit het vliegtuig en zagen ze voor het eerst de Oostenrijkse bergen én hun helper Natter. Beleefd schudden ze de lachende man met het ronde gezicht en de borstelige wenkbrauwen de hand.

Na twee dagen in een opvangkamp kunnen ze – dankzij Natter – hun tijdelijke intrek nemen in een prachtige woning op een uurtje van Bregenz, aan de rand van een bergwei. Alsof ze naar een ansichtkaart zijn verhuisd – al zien Azad en Sherin het anders: er is geen winkel in de buurt en de sigaretten zijn op.

Waar Natter het sprookje al bijna wilde afsluiten met ‘...en ze leefden nog lang en gelukkig’, is de dagelijkse realiteit van de familie Abdelmajeed weerbarstiger.

Sherin herinnert zich nog goed dat ze via Facebook Messenger een Engelstalig berichtje van ene Oliver kreeg. Een kennis vertaalde het voor haar: dat ze naar Oostenrijk konden komen. Dat had deze Oliver voor hen geregeld. ‘Wat is Oostenrijk?’, dacht Sherin.

‘Ik wilde helemaal niet weg uit Turkije’, vertelt ze anderhalf jaar later in de keuken van het appartement. Ze rolt gehakt met kruiden in druivenbladeren. Buiten valt natte sneeuw. Koken en binnen zitten, zo zien haar dagen hier in Bregenz eruit, zegt ze. ‘Al mijn familie is in Turkije. Nu spreek ik ze nooit meer, want mijn zussen mogen niet bellen van hun man.’

De familie Abdelmajeed is afkomstig uit het Noordoost-Syrische Qamisli, een landelijke regio waar de rollen tussen man en vrouw traditioneel verdeeld zijn. De man werkt – of, in het geval van de analfabete en werkloze Azad: ligt op de bank met een mobieltje, en de vrouw zorgt voor het huishouden, de maaltijden en de kinderen.

De eerste keer dat ze met Oliver Natter en zijn gezin pizza gingen eten, zei Azad na afloop tegen dochter Nada: daar is de keuken, voor de afwas. Hij maakte geen grapje. Hij was nog nooit in een restaurant geweest.

Dat ze toch naar Oostenrijk kwamen, heeft eigenlijk maar één reden, zegt Sherin, met een donkere blik. ‘Ik dacht dat ze Mohamad zouden genezen. Maar dat hebben ze niet gedaan.’

Genezen is in het geval van Mohamad een ingewikkeld woord. In december 2017, het gezin is dan twee maanden in Oostenrijk, belt de Belgische specialist die alle medische data van het jongetje heeft bestudeerd: Mohamad heeft inderdaad cutis laxa. Een van de ‘betere’ varianten. Zijn hart is in orde, zijn longfunctie is wel wat minder, maar zeker niet slecht. Er is volgens de arts geen enkele reden waarom hij niet gezond stokoud zou kunnen worden.

Natter wil een vreugdedans doen, maar als de tolk het aan Sherin heeft uitgelegd, kijkt ze helemaal niet blij.

Dit is fantastisch nieuws, zegt Natter nog eens. Je zoon kan gewoon volwassen worden, oud.

Sherin kijkt hem niet-begrijpend aan. ‘Kan hij mijn zoon beter maken?’, vraagt ze de tolk. ‘Hoe hij eruit ziet, kan de dokter hem normaal maken?’

In Oostenrijk heeft Sherin het gevoel dat ze alles verkeerd doet. Ze vertelt dat een oudere dame, een gepensioneerde lerares, hen vaak komt ‘helpen’. Die zegt dat Sherin de kinderen te veel snoep geeft en dat ze geen ‘gekke dingen’ in hun lunchtrommel moet doen, zoals paprika of platbrood. Dat ze geen vuilnis op straat mag gooien en dat je je kinderen niet alleen thuis mag laten als je boodschappen doet.

Natter stuurt steeds nieuwe mensen langs, die schooltassen en winterkleren komen brengen, terwijl de kelder beneden al vol staat. Wat moet één jongetje met zes steps en vier rugtassen? Altijd is Sherin beleefd, maakt eten en bedankt de mensen. Natter bedankt ze ook, zegt ze. Hij is geweldig, hij doet zo veel voor ons, zo veel, herhaalt ze. Ze weet dat van haar wordt verwacht dat ze dankbaar is.

Niet dat haar leven alleen maar slechter werd. ‘We hebben nu altijd eten’, zegt ze. En haar kinderen kunnen naar school. Vooral voor Nada is dat bijzonder, als meisje zou ze deze kans thuis in Qamisli nooit hebben gekregen, weet Sherin. En haar leven ‘moderniseerde’ ook: ze deed haar hoofddoek af en heeft een eigen telefoon. Stralend: ‘Met Snapchat.’

Vriendinnen heeft ze niet. De andere vluchtelingen die ze bij de verplichte Duitse les ontmoet, vinden haar maar een bevoorrecht exemplaar. Ze heeft nooit zelf dingen hoeven regelen, dat doet ‘die man’ allemaal voor haar, omdat ze een zielige zoon heeft. Ja, zo kunnen zij het ook.

Binnenspeeltuin de Spielfabrik in Dornbirn is deze zondag afgeladen. Stuiterend, oververhit kroost zover het oog reikt. Buiten is het guur en grauw. Oliver Natter trakteert zijn zonen, Mohamad, Nada en Yusuf op een uitje.

Lenig maakt Mohamad salto’s op de trampoline – glimlach van oor tot oor als er applaus klinkt. Bij de kartbaan regelt hij extra muntjes voor een rondje rijden. Door onbekende ouders zielig aan te kijken. Dat kan hij als geen ander. Trots laat hij zijn vangst zien. Natter zegt dat hij dat niet moet doen: ‘Jullie hebben van mij toch al gehad?’

Niet veel later komt Mohamad aangerend. In tranen. Hij duikt weg in de armen van Natter. Het duurt even voordat duidelijk is waarom. Zusje Nada, grote ogen, zachte stem: ‘Iemand noemde hem een aap.’ Ze identificeert de dader: een stevige jongen met stekeltjeshaar en een brutaal gezicht, twee koppen groter dan Mohamad. Natter berispt hem.

Het mag niet baten. Terwijl de andere kinderen nog bijna twee uur uitgelaten spelen, wijkt Mohamad niet meer van Natters zijde.

Mohamad ontmoet zijn eerste journalist als hij 3 jaar is, in Irak. Het is 2013, het gezin is dan net uit Syrië gevlucht, voornamelijk omdat er in hun woonplaats geen eten, elektriciteit en stromend water meer was.

De Koerdische journalist heeft gehoord van het gezin met de bijzondere zoon. Na hem volgen nog drie Irakezen, een Libanees, een Engels team van journalisten en een Griek, vertelt Sherin. Ze maken foto’s, filmopnamen, en interviewen de familie. En stuk voor stuk beloven ze geld, dat nooit komt.

Natter kent het verhaal van Sherin. Hij heeft haar vaak geprobeerd uit te leggen dat de journalisten waarschijnlijk niet letterlijk geld hebben beloofd, dat zij waarschijnlijk iets hebben gezegd als: door aandacht aan uw situatie te besteden weten mensen wat er hier speelt en is de kans groter dat mensen als u worden geholpen.

Sherin ziet het verschil niet. ‘Ze beloven hulp, maar geven niks.’

Onlangs kwam er weer een filmploeg, van Al Jazeera. Om het ‘succesverhaal’ te filmen. Natter onthaalde hen enthousiast. ‘Hoe meer media-aandacht, hoe meer mensen doneren voor het gezin. Ze beseffen het misschien niet, maar hun hele inboedel, de fietsen voor de kinderen, speelgoed en schoolboeken, alles is op deze manier bekostigd.’

Na het verschijnen van de video op Facebook is Mohamad twee dagen niet naar school geweest, zegt Sherin. Zijn hele klas had het filmpje gezien. ‘Hij heeft thuis in bed liggen huilen.’

De BBC heeft gebeld, en nog een Arabische zender, vertelt Natter glunderend. Maar hij zal ze voorlopig afhouden, belooft hij Mohamad plechtig.

Mohamad kijkt niet op van zijn telefoon, waarop hij zijn schietspel speelt. Hij wil niet mee naar karate. Pijn in zijn voet. Natter rolt met zijn ogen.

Als Natter anderhalf uur later terugkeert met Nada, die wel ging trainen, hangt Mohamad nog altijd onderuitgezakt op het matras. ‘Ratatataaaaa’, klinkt een mitrailleur op zijn telefoon. Op de achtergrond schreeuwt de tv.

Natter vindt dat iedereen te lief is voor i Mohamad. Hij is onderwijzer en vader van drie, hem houdt Mohamad niet voor de gek. ‘Pijn in je voet, ja ja.’

Bovendien is hij ongevoelig voor Mohamads ‘zieligheid’. Hij ziet een 9-jarige diva. Dat er wellicht een verschil is tussen een jongetje dat geen spinazie wil eten en een kind dat zijn kwetsbaarheid niet wil tonen in journalistieke projecten, ziet Natter niet. Het is allemaal terug te voeren op Erziehung, opvoeding.

Mohamad is een kind, en als volwassene weet Natter het beter. Spinazie is gezond.

Dus komt er een preek. ‘Het is elke maandag hetzelfde liedje, je wilt niet naar karate, we komen je speciaal ophalen en jij doet je best niet. Je wilt geen huiswerk maken, je wilt geen Duitse woordjes leren, je wilt alleen maar tv kijken en op je mobiel spelen. Wat wil je, wil je voor altijd op de bank blijven hangen, zoals in Turkije, dat je het huis niet meer uit kunt?’

Mohamad, zonder op te kijken: ‘Ja, dat wil ik. Ik wil terug naar Turkije.’

Oliver: ‘Oké, dan gaan we dat regelen.’

Dan, na een stilte: ‘Goed, ik heb een verrassing voor je. Ik heb skiles geregeld. Wil je een Oostenrijks kind worden? Dan moet je skiën, alle kinderen leren hier skiën. Met school ga je ook skiën.’

Mohamad zegt dat hij niet wil skiën.

Je kunt kiezen uit voetbal, skiën of karate, zegt Natter. ‘Je mag alle drie uitproberen en dan kiezen welke je het leukst vindt.’

Tegen moeder Sherin: ‘Het is belangrijk dat Mohamad buiten komt, dan maakt hij vrienden, oefent hij de taal. En het is gezond, buitenlucht, goed voor zijn spieren. De dokters hebben gezegd dat het goed voor hem is.’

Dan ineens roept Mohamad, gedraaid als een blad aan een boom: ‘Ik wil geen karate, ik wil geen voetbal, ik wil niet skiën – ik wil alle drie.’

Sherin loopt weg en komt terug met schalen eten die ze op de vloer zet: aardappels, aubergine, lamsbouten, platbrood. Natter eet wat en zegt dan: ‘Ik moet naar huis, anders krijg ik klappen van mijn vrouw. Nada, vertaal het voor je vader.’ Tegen vader Azad: ‘Zo gaat dat in Oostenrijk, de vrouw is de baas en als de man niet luistert, krijgt hij klappen.’ Azad glimlacht beleefd.

Later die avond verzint Mohamad voor het slapen gaan een verhaaltje. Over een klein konijntje dat geen vriendjes heeft op school. De juf zegt dat alle kinderen samen moeten spelen. Hoe het verhaaltje eindigt, wil Nada weten. ‘Het kleine konijntje is nooit meer alleen’, zegt Mohamad. Nada: ‘Waarom zeg je konijntje, je bedoelt toch Mohamad?’

Het jongetje springt op, pakt een speelgoedgeweer en rent al schietend weg.

Over fotograaf Marlena Waldthausen en haar fotografieproject over Mohamad

expanded Klik hier om te bekijken