Gegarandeerd een positieve uitslag: hoe de politie jarenlang sjoemelde met geurproeven

De omvang van het gesjoemel met geurproeven bij de politie blijkt veel groter dan gedacht. ‘Wij wisten dat hondengeleider Kobus S. garant stond voor een positieve uitslag.’

We waren verbijsterd’, zegt Theo de Roos. ‘Er ging een schokgolf door de rechtszaal.’

Het was eind september 2006. Theo de Roos, emeritus hoogleraar strafrecht, maakte deel uit van het hof dat het strafproces van twee overvallers behandelde. Een hondengeurproef had hen als daders aangewezen, maar hun advocaten zaaiden twijfel over de test. Dus werden de uitvoerende politiemensen van de geurproef opgetrommeld als getuigen: de hondengeleider en degene die geurmonsters voor de speurhond klaarlegt. Bij zo’n onderzoek moet een hond de menselijke geur op een bewijsmiddel – een corpus delicti – herkennen tussen stalen buisjes die zijn vastgehouden door testpersonen, doorgaans politiemensen, en de verdachte.

‘De hondengeleider mag niet weten welke buis de geur van de verdachte ­bevat’, zegt De Roos. ‘Dus ik vroeg: heeft u de test blind uitgevoerd? En die testuitvoerder zei: nou, dat doen we eigenlijk nooit.’

Nog diezelfde dag kwamen de twee verdachten – van wie er een al 15 maanden in voorarrest zat – vrij.

Uit een oud onderzoeksrapport blijkt nu dat al decennia met de geurproef werd gesjoemeld om de verdachte veroordeeld te krijgen. Destijds zag het Openbaar Ministerie dat niet, of wilde het OM dat niet zien. Toch had een geurhond al verschillende keren een verdachte als dader aangewezen, hoewel later aantoonbaar bleek dat hij het delict niet kon hebben gepleegd. Zo werd fiscalist Ernest Louwes in de Deventer moordzaak (1999) ten onrechte door een geurhond aangewezen als dader van het doodsteken met een mes dat later niet het moordwapen bleek te kunnen zijn; het lemmet paste niet in de steekwonden in de kleding van het slachtoffer. Louwes werd vrijgesproken (en later op andere gronden opnieuw veroordeeld. Een herzieningsonderzoek loopt nog).

In hetzelfde jaar werd de Oostenrijker Armin Otto S. door een geurhond aangewezen als dader van een moordaanslag in Amsterdam. Na vijf maanden ontwaakte het slachtoffer uit zijn coma en zei dat S. niet de dader was. In de Zaanse paskamermoord (1984) duidde een geurproef op een onschuldige fietsenmaker die in hoger beroep werd vrijgesproken; dna-onderzoek wees op een heroïneverslaafde sadist. Vijf jaar later kwam in de Kampense studentenmoord de ‘geurproefverdachte’ na 70 dagen voorarrest vrij omdat de echte dader een volledige bekentenis aflegde. Zijn vingerafdrukken kwamen overeen met die op het slagwapen.

Het argument van de hondengeleiders destijds dat een hond zich weleens vergist is opmerkelijk: een geurtest werd altijd herhaald om een vergissing te voorkomen. Dat zou betekenen dat de hond twee keer per abuis het verkeerde buisje aanwees.

‘Onbestaanbaar’, zegt Theo de Roos. ‘Dit was geen fout, dit was fraude.’ Hij vergelijkt het met de leugendetector die in de Verenigde Staten werd afgeschaft doordat die onbetrouwbaar bleek. ‘Maar dit is veel erger’, zegt De Roos. ‘Hier was sprake van een patroon, van een frauduleuze cultuur. Van scoringsdrift bij de politie en een uit de klauwen gelopen gebrek aan controle en toezicht.’

Een goed getrainde geurhond maakt vrijwel nooit fouten, zegt de Franse neuro­bioloog en dierengedragexpert Barbara Ferry. Uit een groot Frans onderzoek uit 2016 onder haar leiding blijkt dat de kans dat een hond zich vergist vrijwel nihil is, mits de voorschriften correct worden nageleefd. Onder gecontroleerde omstandigheden met vijftien honden gedurende meer dan tien jaar voerde Ferry’s onderzoeksteam 18 duizend geurproeven deels dubbel blind uit: niet alleen de baas, ook de testvoorbereider wist niet welk geurmonster bij de verdachte hoort. Bij alle tests kwamen meerdere honden steeds tot dezelfde uitslag. Als een hond geen verbinding kon maken tussen het geurmonster en de verdachte, lukte dat andere honden ook niet.

Opnames van een geurproef Bron: NOVA Den Haag Vandaag

Slechts in 8 van de 18 duizend proeven (minder dan een half promille) koppelde de speurhond een geurmonster aan de verkeerde persoon. De kans dat deze verkeerde persoon ook nog eens de verdachte is, is verwaarloosbaar, zegt Ferry: ‘Een test wordt herhaald met een andere hond. Dat zou betekenen dat twee honden uit zes of meer mensen de verkeerde aanwijzen, die toevallig ook nog eens de verdachte is. Die kans is zo goed als nihil. Zo’n hond is niet goed genoeg getraind. Een goedgetrainde hond weet: bij twijfel kan ik beter geen geurmonster aanwijzen, dan de verkeerde. Want dan word ik niet beloond.’

Als een geurproef niet blind wordt uitgevoerd, zegt de Franse onderzoeker, ‘weet je bijna zeker dat een hond het geurmonster aanwijst waarvan de hondengeleider weet dat het hoort bij de verdachte die de politie op het oog heeft. Want de wens van de baas gaat boven alles.’

Honden, benadrukt Ferry, kunnen de emoties van hun baas feilloos ‘lezen’. ‘Een hond kijkt voortdurend naar zijn baas met de vraag: is dit wat je wilt? Hij weet: als ik doe wat de baas wil, word ik beloond. De geringste aanwijzing, de miniemste gezichtsuitdrukking of zelfs een gevoel is voor een hond genoeg. Daarom móét je zo’n test blind uitvoeren – de hondengeleider mag absoluut niet weten welk geurmonster dat van de verdachte is.’

De politiemensen die in 2006 voor het hof in Leeuwarden toegaven dat ze een geurtest nooit blind uitvoerden, schreven consequent in alle processen-verbaal dat ze dit wel hadden gedaan, tot ‘ontzetting’ van het hof waarvan Theo de Roos deel uitmaakte. Kort daarna verklaarde de top van het Openbaar Ministerie alle 2.685 geurproeven die waren uitgevoerd door het hondenteam uit Oost-Nederland met terugwerkende kracht tot 1997 ongeldig. Dat leidde tot zo’n honderd herzieningsverzoeken.

‘Wij wisten al lang voor 1997 dat hondengeleider Kobus S. garant stond voor een positieve uitslag’, zegt oud-brigadier Jan Paalman. ‘Kobus kon van een zwakke zaak een sterke zaak maken.’

Paalman was van 1974 tot 2005 coördinator van de districtsrecherche Noordwest-Twente. Volgens hem pleegde het Twentse politiegeurtestteam met het gesjoemel met bewijs en leugens daarover in het proces-verbaal feitelijk meineed, vergelijkbaar met het opzettelijk aanbrengen van dna van een verdachte op kleding of lichaam van een slachtoffer, of op een plaats delict. ‘Iedereen bij de recherche wist dat je bij Kobus de meeste kans had op een positieve uitslag. We vroegen Kobus heus weleens waarom hij bijna altijd een positieve score had. Dan antwoordde hij: ik heb gewoon een heel goeie hond. En daar bleef het bij. Niemand stelde kritische vragen, want je wilde maar één ding: een zaak oplossen. En daar had je een dader voor nodig.’

Kobus S. wil niet reageren. Adee Schoon, gepromoveerd op geursorteerproeven en destijds getuige-deskundige in strafzaken over de betrouwbaarheid ervan, wil eveneens geen commentaar geven. Feit is dat zij in sommige zaken belastend heeft verklaard jegens een verdachte die door een hond als dader was aangewezen, zonder te weten dat de politie de voorschriften, die ze zelf mede had opgesteld, niet naleefde.

De stalen buisjes, met daarin het geurmonster, worden op de vloer bevestigd. Foto: Politie

In oktober 2007 kwamen zeven politiemedewerkers wegens fraude voor de rechtbank in Zutphen. De rechters schreven in hun vonnis: ‘Op grond van de verklaringen lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat door de hondengeleiders nimmer blind werd gesorteerd.’ En: ‘Zij hebben in strijd met de waarheid ambtsedige proces-verbalen opgesteld en ondertekend.’

Ook constateerden de rechters dat de agenten die de tests voorbereidden, bijdroegen aan de fraude door het weglegschema niet uit te wissen of domweg ‘in te fluisteren’ welk buisje de geur van de verdachte droeg.

Vier van de agenten kregen een taakstraf voor het vervalsen van de tests en de processen-verbaal, drie van hen werden vrijgesproken. Alle betrokkenen mochten bij de politie blijven werken. In de politiek bleef het stil. Niemand stelde publiekelijk de vraag: hoelang is dit al aan de gang?

Dat is opmerkelijk, omdat het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) al in 1997, in opdracht van het ministerie van Justitie, een onderzoek had gelast naar de geurproeven tussen 1 september 1994 en 1 september 1995. Een onderzoeksgroep van de Universiteit Leiden analyseerde ruim 700 geurproeven op basis van gerechtsdossiers. Daaruit blijkt dat de later veroordeelde hondengeleiders uit Oost-Nederland ook al in 1994-1995 (dus de periode voorafgaand aan de ongeldigverklaring van proeven door het OM) een buitenproportioneel hoge score hadden in het koppelen van een bewijsmiddel aan een verdachte.

Van de 700 geurproeven werd bijna een kwart (170) uitgevoerd door de politie­regio’s Twente, IJsselland en Noord- en Oost-Gelderland, hoewel die drie regio’s slechts 8 procent uitmaakten van de totale politie van destijds. Zij voerden dus drie keer zoveel geurproeven uit dan elders in Nederland. Deze hondengeleiders werkten nauw samen: gedurende tientallen jaren ontmoetten ze elkaar tweewekelijks in café-restaurant De Korenmolen in Eerbeek. Ze stelden er de dienstlijsten op, wisselden ervaringen uit en trainden gezamenlijk met hun honden.

Waar elders in Nederland 51 procent van de geurproeven tot een positieve match leidde, koppelt de hond van Kobus S. in 86 procent van de tests het bewijsmiddel aan de verdachte die de politie op het oog heeft.

Als dit ook zijn percentages zijn geweest in de periode 1987-1996 – toen de geurproef-voorschriften minder aangescherpt waren – dan zal deze hondengeleider in zijn eentje verantwoordelijk zijn geweest voor ongeveer 450 ten onrechte aangewezen daders. Maar ook de twee andere hondengeleiders uit Oost-Nederland hadden aanmerkelijk hogere scores dan gemiddeld.

Op de vraag waarom destijds geen onderzoek werd ingesteld naar deze opmerkelijke conclusies uit WODC-onderzoek, antwoordt het Openbaar Ministerie dat het ‘niet meer mogelijk is om te achterhalen welke afwegingen destijds zijn gemaakt’. Op de vraag waarom geurproeven van de groep Oost-Nederland pas vanaf 1997 ongeldig werden verklaard, en niet die van langer geleden, volgt hetzelfde antwoord.

Drie jaar na de veroordeling van de hondengeleiders gaf het Openbaar Ministerie twee statistici van de TU Delft, Geurt Jongbloed en Frank van der Meulen, opdracht om de meer dan 8.300 uitgevoerde geurproeven in Nederland tussen 1997 en 2006 te onderzoeken. Zij keken naar mogelijke fraude van de politiemensen die het weglegschema van de geurproeven bepaalden – de volgorde waarin de geurmonsters voor de honden werden neergelegd. Dat moest conform voorschrift met een dobbelsteen, volstrekt willekeurig, gebeuren. De onderzoekers concludeerden op basis van statistiek dat zeker acht van de tien politiemensen zich – net als de hondengeleiders uit Oost-Nederland – niet aan de instructies hielden. Hoe dat ging, bleek al uit het vonnis in 2007 over de fraude door hondengeleiders: helpers veegden het weglegschema op het bord in de sorteerruimte geregeld niet uit, ze fluisterden de hondengeleiders soms in welk buisje de geur van de verdachte bevatte of lieten de hondengeleiders soms gewoonweg meehelpen bij het wegleggen van de geurmonsters.

In hun publicatie merken de onderzoekers Jongbloed en Van der Meulen in 2011 op dat er veel kritische vragen rijzen bij de geurproeven, zoals de vraag of de proef daadwerkelijk blind wordt uitgevoerd, maar dat ‘de door het College van PG’s (de top van het Openbaar Ministerie) geformuleerde probleemstelling zich beperkt tot het procedurele punt van de randomisering’. Anders gezegd: het Openbaar Ministerie leek niet al te diep in de drek te willen roeren.

‘Het is gek dat advocaten niet meer werk van dat rapport hebben gemaakt’, zegt oud-recherchecoördinator Jan Paalman. ‘Die zouden toch massaal voor cliënten een herziening hebben moeten aanvragen, zou je denken.’

Het rapport van Geurts en Van der Meulen was voor de toenmalige Raad van Korpschefs reden de hondengeurproef te verbieden. ‘Dit is een verkeerde weg’, erkende procureur-generaal Henk van Brummen destijds. Toch gingen de agenten die sjoemelden met het wegleggen van de geurmonsters vrijuit: volgens Van Brummen was er ‘een patstelling tussen de wetenschappelijke statistische werkelijkheid en de ontkenning van enige onzuiverheid door de verdachten als hun werkelijkheid’. Oftewel: de verdachten ontkenden, de zaak werd geseponeerd. Eerdere fraudeconclusies werden niet meegenomen, er werd geen ruchtbaarheid aan gegeven. Mede daardoor is de omvang van de fraude van de hondengeleiders uit Oost-Nederland en hun ‘wegleggers’, in de zeker twintig jaar dat ze actief waren, nooit aan het licht gekomen. Tot vandaag.

Hoe werkte een geurproef?

Geurproeven werden vanaf begin vorige eeuw tot 2011 in strafzaken gebruikt om daders aan te wijzen. Daarbij moest een speciaal opgeleide speurhond de menselijke geur op een moordwapen of voorwerp van een plaats delict herkennen tussen geurmonsters (vastgehouden stalen buisjes) van testpersonen – doorgaans politiemensen – en de verdachte, die allemaal van tevoren hun handen wasten met dezelfde zeep. De hondenbegeleider mocht niet weten welk buisje de geur van de verdachte bevatte. De ligplaats van de buisjes in een genummerde rij moest met een dobbelsteen worden bepaald.

Op die manier deed de politie jaarlijks acht- tot negenhonderd geurproeven. Het reukvermogen van een hond werd in Engeland aangetoond. Een gaschromatografie-detector kon geen verschil bespeuren in de lichaamsgeur van een eeneiige tweeling, maar een speurhond wist ze voorbeeldig van elkaar te onderscheiden.