Ga nooit, ik herhaal nooit, in zee met de AIVD

Ooit was misdaadjournalist Bas van Hout een ‘bron’ voor de BVD, voorloper van de AIVD. Door fouten van de veiligheidsdienst is zijn leven in gevaar gebracht.

Misdaadjournalist Bas van Hout is nieuwsgierig als hij op woensdagmiddag 29 april 2009 met een medewerker van de geheime dienst AIVD het terras van de Zandvoortse strandtent Far Out oploopt. Het is 15 graden en half bewolkt. Ze gaan zitten op twee van de vele lege stoelen aan de strandlijn en bestellen iets: een cappuccino voor de AIVD’er, een Lipton Ice voor de journalist.

Van Hout kent zijn contactpersoon bij de geheime dienst al twaalf jaar, maar ze hebben elkaar al jaren niet gesproken. Waarom belde J. hem de dag ervoor, met de boodschap dat ze elkaar dringend moesten spreken?

Na wat smalltalk komt de AIVD’er ter zake. Een oud-medewerker van de geheime dienst staat terecht op verdenking van het lekken van staatsgeheimen, zegt J.. Deze man, Paul H., heeft tijdens een besloten zitting van zijn rechtszaak gezegd dat Bas van Hout ‘een bron was van de dienst’, zo vertelt J.. De officier van justitie heeft H. zo snel mogelijk de mond gesnoerd, maar het was al te laat. Iedereen in de zaal, inclusief advocaten, beschikt sinds dat moment over explosieve, vertrouwelijke informatie.

Van Hout schrikt. Als in het criminele milieu bekend wordt dat hij informatie doorspeelde aan de geheime dienst heeft dat onvoorspelbare consequenties voor zijn gezin. Dan is zijn leven in gevaar, en dat van zijn vriendin, zoon en dochter. En wat betekent dit voor zijn werk?

‘Hoe kon Paul H. dit weten? Had hij die informatiepositie?’, vraagt Van Hout de AIVD’er. Zelfs binnen de muren van de dienst zou uiterst voorzichtig met zijn rol worden omgegaan. Zijn gespreksverslagen zouden toch in een kluis liggen? ‘Het is bij ons net als bij andere organisaties, er wordt weleens geluld,’ antwoordt J..

Dat is slecht nieuws. De dienst had hem bezworen dat zelfs daar vrijwel niemand zou weten dat Van Hout informant was. Ineens vraagt de misdaadjournalist zich af of het mogelijk is dat zijn rol al eerder is uitgelekt. Het kost de laatste jaren steeds meer moeite zijn criminele bronnen te spreken te krijgen. Komt dat daardoor? Is dit de reden waarom hij een anonieme dreigbrief ontving? En heeft het iets te maken met de mannen in camouflagepakken die twee verschillende buren ’s nachts met een zaklamp rond zijn huis zagen rondlopen?

In de rest van het gesprek stelt de AIVD’er hem gerust: er is geen reden voor bezorgdheid, alles zal hoogstwaarschijnlijk binnenskamers blijven. Geen enkele crimineel weet dat hij informant is. Als Van Hout de laatste tijd in gevaarlijke situaties terechtgekomen is, komt dat gewoon door de aard van zijn werk, als misdaadjournalist. De enige reden om met spoed bij elkaar te komen is dat de AIVD het formeel noodzakelijk vond – ‘uit oogpunt van goed bestuur’ – Van Hout op de hoogte te stellen van deze ‘indiscretie’ en het potentiële risico.

J. vat het zo samen: ‘Ik denk dat er geen bloed uit vloeit – laat ik het maar zo cru zeggen – maar ik vond het wel verstandig om je te informeren.’

Vijf jaar later komt Van Hout erachter dat hij op dat moment, in april 2009, wel degelijk gevaar liep. Sterker nog, al veel eerder was in criminele kring bekend dat Van Hout met de geheime dienst sprak. Dat is de conclusie van een officieel onderzoek naar deze zaak, ingesteld na een klacht van de misdaadjournalist.

De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD), onder leiding van voormalig justitietopman Harm Brouwer, constateert in 2014 in een geheim rapport – waarvan de inhoud bekend is bij deze krant – dat Van Hout al sinds 2001 verkeert in een ‘levensbedreigende situatie’. Daar heeft het ‘handelen van de AIVD’ aan bijgedragen. Rond die tijd is een staatsgeheim document met zijn voornaam erin uitgelekt naar criminelen, door toedoen van onder anderen voormalig AIVD-medewerker Paul H. Hoe en waarom dat is gebeurd, heeft de CTIVD niet onderzocht. Een van de gelekte documenten bevat details waaruit criminelen de bron van de informatie kunnen herleiden: Bas van Hout. De geheime dienst had hem destijds hierover moeten informeren, stelt de CTIVD.

Volgens de commissie is binnen de AIVD in 2009 en 2010 de inschatting gemaakt dat Van Houts naam ‘rondzingt’ in het criminele milieu en dat dit zou kunnen leiden tot ‘repercussies’. Toch heeft de dienst ‘nagelaten concrete veiligheidsmaatregelen voor te stellen’. De beslissing Van Hout hierover niet te informeren noemt de commissie ‘onbehoorlijk’. De CTIVD oordeelt op 14 augustus 2014 ook dat Van Houts woonhuis veel beter moet worden beveiligd. Het rapport is voor de staat aanleiding om een schadevergoeding te betalen aan de misdaadjournalist.

Het AIVD kantoor in Zoetermeer. Foto Getty

Dit is gevoelige materie. Bas van Hout (60) had het liefst gewild dat alles geheim zou blijven. Maar het liep anders, door een slepend verschil van mening over de hoogte van zijn vergoeding. Er kwam een mediator en daarna een arbitragecommissie aan te pas. De misdaadjournalist had volgens de arbitragecommissie recht op 865 duizend euro schadevergoeding voor gederfde inkomsten, inclusief gederfde rente, aangevuld met een immateriële schadevergoeding en extra kosten die hij maakte om zijn huis te beveiligen. Van Hout was het er niet mee eens, maar hij kon in hoger beroep alleen de gevolgde procedure aanvechten. Die zaak verloor hij, bij het gerechtshof in Amsterdam.

Complicatie: de uitspraak van het hof werd op 11 december 2018 – ingekort, geanonimiseerd en gecensureerd – gepubliceerd op rechtspraak.nl, een openbare website. Niet op een prominente plek, maar de redactie van de Volkskrant stuitte er wel op na een tip, overigens niet van Van Hout zelf. Op basis van deze uitspraak viel uiteindelijk te achterhalen welke misdaadjournalist informant was van de AIVD en recht had op schadevergoeding.

Toen de krant hem in de loop van december vragen stelde over de uitspraak, koos Van Hout na enig nadenken voor een vlucht naar voren. Door in de Volkskrant zijn verhaal te vertellen, wil hij zo veel mogelijk de regie houden. En sinds hij zich realiseert dat het arrest van zijn rechtszaak openbaar is, heeft hij ook besloten mee te werken aan een tv-documentaire en zelf een boek te schrijven – dat op zijn vroegst dit najaar klaar is. Volgens hem was het onontkoombaar dat zijn samenwerking met de AIVD ooit naar buiten zou komen. Als dat zo volledig en genuanceerd mogelijk gebeurt, is de kans kleiner dat onjuiste verhalen rondgaan in het criminele circuit.

Voor Van Hout staat nogal wat op het spel. In de periode dat hij in tientallen gesprekken informatie uitwisselde met de inlichtingendienst, tussen 1997 en 2002, had hij ook veel contact met topcriminelen. Veel van die mannen – zoals Sam Klepper, John Mieremet en Stanley Hillis – zijn geliquideerd, maar er lopen nog figuren rond die hem zijn gesprekken met de overheid kwalijk kunnen nemen. De laatste jaren is hij meermaals bedreigd.

De afgelopen vijf maanden heeft Van Hout aan ‘damage control’ gedaan, bijvoorbeeld bij zware criminelen met wie hij destijds contact had. Hij heeft ze op hoofdlijnen verteld wat de Volkskrant zou gaan publiceren en uitgelegd dat niemand op basis van zijn gespreksverslagen is veroordeeld. Van Hout benadrukte dat hij geen operationele informatie heeft gegeven aan de dienst. De criminelen lieten niet het achterste van hun tong zien, maar waardeerden zijn openheid, zegt hij.

Voor Van Hout is het van levensbelang dat hierover geen misverstanden ontstaan: ‘Alle informatie die ik heb gedeeld met de AIVD, heb ik verzameld als journalist. Al mijn bronnen wisten dat ik met ze sprak als verslaggever en dus ook dat hun informatie openbaar zou kunnen worden. Ik heb altijd tegen contacten gezegd: ik praat met iedereen, als dat een manier is om mijn informatie compleet te krijgen. Dus ook met de politie, het OM en andere criminelen. Ik zit bij niemand op schoot.’

Hij vindt zichzelf geen ‘verrader’, zoals informanten in het criminele milieu te boek staan. Bovendien heeft Van Hout naar eigen zeggen geen rechtstreekse schade toegebracht. ‘Ik heb nooit operationele informatie, over bijvoorbeeld drugstransporten, gedeeld met de dienst en nooit namen genoemd. Alleen in levensbedreigende situaties alarmeerde ik de dienst, om liquidaties te voorkomen.’

Van Hout vertelt zijn verhaal ook om te waarschuwen: ‘Ga nooit, ik herhaal nooit, samenwerken met de AIVD. De overheid is geen betrouwbare partner voor me gebleken. Ingaan op hun verzoek bleek levensgevaarlijk en is de grootste fout uit mijn leven.’

Omdat de kwestie ruim twintig jaar teruggaat in de tijd, is Van Hout details vergeten: soms weet hij niet meer waar een gesprek plaatsvond of wie er precies bij waren. Wat helpt is dat hij veel heeft opgeschreven en bewaard – als misdaadverslaggever is hij het gewend dossiers samen te stellen. Ook beschikt hij over opnames van meerdere vertrouwelijke gesprekken, waaronder de ontmoeting bij de Far Out, die hij heeft laten horen aan de Volkskrant. Deze krant heeft zoveel mogelijk details geverifieerd via andere bronnen en documenten (zie verantwoording).

Waarom wilde de BVD samenwerken met Bas van Hout? En waarom stemde hij in met dat plan? Het antwoord op die vragen hangt onder meer samen met zijn levensgeschiedenis.

Van Hout, geboren in 1959, groeit op onder erbarmelijke omstandigheden op de Amsterdamse Wallen. Zijn vader verlaat al jong het gezin, zijn moeder teert op uitkeringen of de portemonnee van haar ex en behandelt Bas en zijn oudere zus erg slecht. Zijn moeder heeft een psychische stoornis – ‘een bakfout’, zegt Van Hout –, drinkt veel en heeft een reeks wisselende vriendjes. Ze sluit Van Hout soms dagen op in de kast en laat haar kinderen tijdens een vakantie een paar weken achter met als enige maaltijd een teil hutspot, buiten op het platje. De hutspot wordt zompig als het regent en zuur als de zon schijnt.

Bas van Hout bracht zijn jeugd door op de Amsterdamse Wallen, onder erbarmelijke omstandigheden. Foto prive archief.

Als kind is Bas van Hout veel op straat, waar hij als 9-jarige in contact komt met Maurits de Vries, alias ‘Zwarte Joop’, een uitbater van casino’s en seksshows die opereert op de rand van de criminaliteit. De jonge Bas doet kleine en grote klusjes voor hem en verlaat als 12-jarige het ouderlijk huis. In zijn tienerjaren werkt hij als croupier in Zwarte Joops casino, waar hij in contact komt met talloze criminelen met wie Zwarte Joop samenwerkte. Zo ontmoet hij bijvoorbeeld leden van de Amerikaanse maffia uit Las Vegas, Maier Lansky en Dino Cellini. Meerdere jongens die hij kent van school of worstelen – die sport beoefent hij op hoog niveau – belanden in de misdaad. Een van zijn jeugdvriendjes, Cha K., zal later opklimmen tot steunpilaar van onder anderen topcrimineel Klaas Bruinsma, die in de jaren tachtig als drugsbaron in verband werd gebracht met brute moorden.

Als Van Hout 18 is, vraagt Zwarte Joop of hij zijn zaken op termijn wil overnemen. Maar daar voelt hij niks voor. Van Hout wil zich juist ontworstelen aan zijn milieu, is druk bezig om zijn platte accent af te leren en oefent voorzichtig met sportreportages voor de lokale radio. Van Houts journalistieke carrière krijgt vorm als stagiair bij De Telegraaf. Hij schrijft geregeld over vechtsport en ontpopt zich als misdaadspecialist. Zijn gouden jaren beleeft hij als medewerker van onder meer Panorama, De Telegraaf en Nieuwe Revu. Over drugscrimineel Steve Brown schrijft hij in 1995 een goed verkochte ‘ongecensureerde biografie’.

Maurits de Vries, alias ‘Zwarte Joop’ (links) met Dino Cellini, een lid van de maffia uit Las Vegas. In de inzet Bas van Hout als zestienjarige croupier in een casino van Zwarte Joop. Artikel uit Playboy

Zijn verleden werkt in zijn voordeel. Veel leden van de Amsterdamse penoze beschouwen Van Hout als een van hen, niet zo’n ‘studeerkamertype’ als sommige andere verslaggevers. Willem Holleeder noemt hem een tijdlang ‘vriend’, iets waarover Van Hout zich ongemakkelijk voelt. Op zijn aandringen schakelt Holleeder over op ‘kennis’ – de vaste openingszin van ‘De Neus’ is vanaf dat moment: ‘hé, kennis’.

De criminelen met wie hij omgaat, weten dat Van Hout ook over hen schrijft. Sommigen hebben sympathie voor hem, anderen gedogen hem, zolang hij zich aan de feiten houdt en hun vertrouwen niet schendt. Sommige journalisten kijken in die tijd met enige jaloezie of argwaan naar zijn goede contacten. De misdaadverslaggever beklemtoont dat hij onafhankelijk is, maar niet alles opschrijft wat hij hoort. ‘Ik heb liever 100 procent informatie waarvan ik 80 procent mag gebruiken, dan dat ik 0 procent informatie heb’, zegt hij er zelf over.

In zijn boek De jacht op de erven Bruinsma, uit 2000, beschrijft Van Hout dat hij met drugs- en wapenhandelaar Mink K. in een Grieks restaurant zit als ineens een dertiger aanschuift. In de publicatie heet hij ‘Bennie Saab’, insiders weten dat het de beruchte Sam Klepper is. ‘Ik hoor links en rechts dat je naar ons op zoek bent, dat je bezig bent met een boek’, zegt ‘Saab’. Hij wil meewerken, zodat er geen ‘onzin’ in het boek terechtkomt. De misdadiger is opmerkelijk openhartig: hij bekent een reeks moorden en beschrijft er een paar in detail. Daarna kijkt hij Van Hout strak aan: ‘Als je ons verneukt, schieten we je dood.’

In die jaren is de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) – de voorganger van de AIVD – zeer geïnteresseerd in de onderwereld. Na de val van het IJzeren Gordijn is het traditionele werkterrein van Nederlandse spionnen deels in het ongerede geraakt en heeft de BVD een misdaadtak opgezet. Dat zou onder meer nodig zijn omdat criminelen wapens uit de Balkanoorlog leveren aan de terroristische organisatie RARA, om de maatschappij te ontwrichten. RARA pleegt tot in de jaren negentig bomaanslagen, onder andere op ministeries.

Binnen de Amsterdamse penoze woedt in deze periode een oorlog over wie zich de opvolger van de in 1991 geliquideerde drugsbaas Klaas Bruinsma mag noemen. Stanley Hillis, Mink K. en Jan Femer zijn een paar van de grote namen. Er zijn ook criminelen uit voormalig Joegoslavië die hun intrede doen en relatieve nieuwkomers als Sam Klepper en John Mieremet. De BVD wil graag weten wie de baas is en hoe het mogelijk is dat veel vertrouwelijke informatie van politie en justitie circuleert in de onderwereld. Er lijkt sprake van vrij grootschalige corruptie.

Probleem is dat de BVD nauwelijks beschikt over goede bronnen in de onderwereld. Zo komt Van Hout in beeld. Hij kent topcriminelen persoonlijk en heeft als onderzoeksjournalist ervaring opgedaan met infiltreren in ontoegankelijke milieus.

Befaamd is een uitzending die hij maakt voor het tv-programma Deadline, over de extreemrechtse Centrum Democraten van Hans Janmaat. In 1993 en 1994 gaat hij in totaal zeven maanden undercover bij de partij. Zo wint hij het vertrouwen van de lijsttrekker voor de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen. Terwijl Van Hout stiekem filmt, bekent de man betrokkenheid bij brandstichting in zeker twee asielzoekerscentra. Daarvoor krijgt hij uiteindelijk twee jaar celstraf en het jaagt veel kiezers weg bij de Centrum Democraten.

Na die onthulling wordt Van Hout gevraagd zitting te nemen in de begeleidingscommissie voor een onderzoek van het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen in Utrecht. Dit onderzoek wordt gedaan in opdracht van de BVD. Het is een hele eer voor iemand die op straat is opgegroeid. Hij gaat op de uitnodiging in. In de commissie, met onder anderen criminoloog Frank Bovenkerk en sociaal antropoloog Jaap van Donselaar, geeft hij vier keer per jaar advies aan een onderzoeker die wil binnendringen in kringen van skinheads, gabbers en extreemrechts.

Bas van Hout weet nog goed dat het vierde commissielid, BVD-medewerker Paul Abels, tijdens een etentje op de Zeedijk in Amsterdam zei: ‘We willen met je praten, mag een collega met je bellen?’ Zo kwam het contact tot stand, zegt hij. Abels heeft een andere herinnering. ‘Ik weet nog dat ik geïnteresseerd was in zijn onderzoeksmethoden en dat de AIVD veel interesse had in de georganiseerde misdaad als nieuw onderzoeksgebied’, zegt de toenmalige BVD’er. ‘Als beleidsmedewerker was het niet mijn rol om operationele contacten te leggen.’

Na een summiere uitnodiging belandt Van Hout vervolgens in januari 1997 in een wegrestaurant nabij Zoetermeer. Tegenover hem zitten twee of drie mannen, goed in het pak, een kop koffie op tafel. Innemend en voorkomend, zijn ze. ‘Ze waren de volstrekte tegenpool van gehaaide James Bondtypes’, zegt hij nu.

Na wat inleidend gebabbel vertellen zijn gesprekspartners dat ze van de BVD zijn. Van Hout zag dat niet aankomen; hij dacht met ambtenaren van Binnenlandse Zaken te spreken. Over een volgende adviesklus, bijvoorbeeld. Toen hij werd uitgenodigd, legde hij niet de link met de geheime dienst.

Van Hout: ‘Een van die BVD’ers zei: wij hebben eigenlijk geen betrouwbare ingangen in het randstedelijke criminele milieu, op hoger niveau. We weten dat jij die wel hebt. Dus we zouden graag met jou een relatie aangaan. Ik zei: dat zie ik niet gebeuren. Ik ben journalist.’

Als Van Hout vooraf het onderwerp had geweten, was hij dit gesprek niet aangegaan, denkt hij nu. ‘Ik werd er een beetje door overvallen. Ik had nee kunnen zeggen, maar ik vond die mannen te aardig om dat meteen te doen. Hun verzoek intrigeerde me ook. Dat heeft met mijn achtergrond te maken. Door gebrek aan een normale opvoeding moest ik alles zelf uitzoeken. Daardoor ben ik altijd leergierig geweest, ik stond erg open voor ervaringen. En ik was naïef.’

Het gesprek leidt niet tot een akkoord, maar de BVD’ers voelen dat ze een kans maken. Ze spreken nogmaals af met Van Hout, die steeds met nieuwe argumenten komt waarom ze niet kunnen samenwerken. Ze vegen alles van tafel. Dat hij aanbiedingen om hem te betalen of anders minstens een onkostenvergoeding te geven afhoudt, is geen bezwaar. Dan krijgt hij geen geld. Is hij bang voor een lek? Dat is onmogelijk: in gespreksverslagen staat alleen zijn codenaam, alles gaat direct de kluis in. Zelfs bij de AIVD kunnen maar weinig mensen zo’n verslag inzien. Slechts enkele leidinggevenden weten wie achter een codenaam schuilgaat.

De BVD’ers doen herhaaldelijk een beroep op Van Houts maatschappelijke verantwoordelijkheid: als burger moet je toch helpen als iemand anders gevaar loopt? Meer hoeft hij niet te doen.

Dat argument treft doel. Als journalist heeft hij al een paar keer iets gehoord waarvan hij dacht: ik moet hier iets tegen doen. Meermaals maakten criminelen in zijn bijzijn toespelingen op een aanstaande liquidatie. De politie tippen was geen optie, dat vond hij te gevaarlijk. Om te voorkomen dat een vriend uit de vechtsportwereld zou worden vermoord, na het mishandelen van een topcrimineel, regelde Van Hout bijvoorbeeld in het geheim een bemiddelaar, die het conflict oploste. Dat soort oplossingen bedacht hij een paar keer. Mocht iemand doodgaan terwijl Van Hout dit had kunnen voorkomen, dan zou hij zichzelf niet meer recht in de spiegel kunnen aankijken.

Als hij terugblikt op zijn gesprekken met deze BVD’ers, gebruikt hij een metafoor. Het was alsof ze hem wilden meenemen naar een kamer aan het eind van een gang, waar een contract klaarlag. Hij probeerde steeds te ontsnappen door een zijdeur, maar de BVD gooide elke deur dicht. Dat hij uiteindelijk akkoord ging, is niemand anders dan hemzelf te verwijten, vindt hij.

Eerlijk is eerlijk: hij was ook nieuwsgierig en dacht misschien wijzer te worden van het contact met de BVD. ‘Een van mijn voorwaarden was: ik voer alleen wederkerige gesprekken, over dingen waarover ik toch al ga schrijven als journalist. Ik vertel iets, maar verwacht af en toe ook iets terug. En ik wil niet gezien worden als informant. Dat woord voelde verkeerd. Ze vonden het prima. Maar het was onzin, weet ik nu. Als je met de dienst praat, al gaat het over het weer, dan ben je een informant.’

Het eerste gesprek met J. – in jargon: zijn operateur – is in het Victoria Hotel in Amsterdam. Heel soms maakt de man korte aantekeningen, meestal spreken ze langdurig zonder dat hij iets opschrijft. Wellicht, denkt Van Hout, neemt J. alle gesprekken stiekem op en luistert hij ze later terug.

Drieëntwintig gesprekken voeren de twee tussen januari 1997 en oktober 1998, zo is door de BVD geregistreerd. Dat blijkt uit het verslag van toezichthouder CTIVD, opgesteld in 2014. Ook na de officiële beëindiging van de relatie tussen Van Hout en de geheime dienst, per 1 april 1999, volgen tot medio 2002 nog ‘tientallen gesprekken’. De registratie van het precieze aantal ontbreekt bij de BVD.

Na de bijeenkomst in Amsterdam volgen onder meer ontmoetingen bij de Van der Valk in Haarlem, een locatie in Leiden en enkele restaurantjes in de binnenstad van Haarlem. Bijna altijd neemt J. het initiatief en meestal betaalt de BVD’er ook de rekening, maar om hiërarchische verhoudingen te voorkomen trekt Van Hout ook af en toe de portemonnee.

Victoria Hotel. Foto Getty

Wat Van Hout en zijn operateur bespraken, moet grotendeels geheim blijven, om veiligheidsredenen. De misdaadverslaggever wil wel kwijt dat hij enkele moordplannen heeft doorgegeven. Hij wist in Italië een topontmoeting te regelen tussen de geheime dienst en een zware crimineel, die bereid was informatie te delen. En hij heeft verteld dat er concrete plannen waren voor een ontvoering. Wat de geheime dienst met die informatie heeft gedaan, is hem niet bekend. Maar hij weet vrijwel zeker dat de beoogde slachtoffers niets is overkomen.

De meeste impact had zijn bericht aan de geheime dienst over corrupte agenten. Criminelen gebruikten politie-informatie om liquidaties uit te voeren. Voor Van Hout was dat de reden om aan de AIVD te melden dat er ‘platte petten’ waren. Namen van corrupte politiemedewerkers heeft hij niet genoemd, tot ergernis van J., zegt hij.

Dat blijkt ook uit zijn vertrouwelijke ‘exit-document’, gedateerd op 1 april 1999. Daarin staat dat de gesprekken worden stopgezet omdat de ‘samenwerking zich niet in de door ons gewenste richting heeft ontwikkeld’ en ‘niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd’.

Hoe Van Houts informatie is gebruikt, valt niet te achterhalen. Feit is wel dat het Openbaar Ministerie begin deze eeuw Amsterdamse (ex-)agenten heeft vervolgd voor het lekken naar criminelen; uiteindelijk is er een veroordeeld.

Tijdens de gesprekken met de AIVD hoort Van Hout ook weleens iets dat hij als journalist kan gebruiken. Diverse bevindingen uit zijn onderzoek voor het boek De jacht op de erven Bruinsma legt hij voor aan zijn operateur, die hem zo goed mogelijk helpt. Door de gesprekken met J. leert hij ook anders denken en grotere verbanden te leggen.

Van Hout voelt zich tijdens de eerste gesprekken nog steeds onzeker over zijn veiligheid, ook gezien zijn dan nog jonge zoon en dochter. Vandaar dat hij in november 1997 J. om extra zekerheden vraagt. Na enig aandringen besluit de BVD een contract op te stellen, een ongebruikelijke stap.

BVD-directeur Sybrand van Hulst belooft in dit ‘convenant’ te handelen ‘vanuit de wettelijke plicht tot bronbescherming’. Informatie die Van Hout (‘relatie’) deelt met zijn operateur, zal met ‘uiterste zorgvuldigheid’ worden behandeld. De BVD acht zich volgens Van Hulst ‘gebonden aan haar zorgplicht en verplicht zich tot een uiterste inspanning om naar de aard van de omstandigheden al het mogelijke te doen om de veiligheid van relatie en/of gezin te waarborgen’. Na ondertekening van het convenant verdwijnt het in een kluis van de dienst.

Terwijl Van Hout gesprekken voert met J. heeft de BVD in 1997 zijn administratie niet op orde, constateert de CTIVD tijdens zijn onderzoek in 2014. Boven de eerste tien operatierapporten – zeg maar gespreksverslagen – staat Van Houts eigen naam. ‘Deze vermelding is op enig moment doorgekrast’, schrijft commissievoorzitter Brouwer. Pijnlijk detail: na het doorkrassen was de naam ‘echter nog leesbaar’.

Van Houts naam is uiteindelijk vervangen door ‘Operatie Acheron’, blijkt uit het CTIVD-rapport, waarin Van Hout consequent wordt aangeduid met de term ‘klager’. Acheron is een verwijzing naar de verbindingsrivier tussen de onder- en bovenwereld in de Griekse mythologie. Opvallend is dat het in 1997 ‘tien maanden heeft geduurd’ voordat Van Hout een zogeheten operatienaam kreeg toegewezen. ‘Zelfs nadat in september 1997 naar aanleiding van een teamoverleg werd geconcludeerd dat klager met onmiddellijke ingang een operatienaam diende te hebben, duurt het nog ruim twee maanden, waarin drie operatierapporten zijn opgesteld, voordat een operatienaam bovenaan de operatierapporten verscheen.’

Er gaat meer mis. Documenten met informatie die wordt verstrekt door Van Hout zouden als ‘STG. Zeer geheim’ betiteld moeten zijn, maar krijgen slechts het predicaat ‘STG. Geheim’. Dat is ‘in strijd met het interne beleid’, zegt Brouwer. Door deze lagere staatsgeheime classificatie waren de stukken breder toegankelijk binnen de AIVD en nam simpel gezegd de kans op lekken toe.

Het zal medio 2001 zijn als Bas van Hout voor de eerste keer een ongemakkelijk gevoel krijgt over een mogelijk lek. Een hem bekende crimineel vertelt hem dat er verontrustende geruchten rondgaan, zonder in details te treden. De misdadiger weigert nog langer met hem te praten.

Het werk gaat moeizaam. Hij begint in die periode aan twee nieuwe boeken. Eentje moet gaan over Willem Holleeder en eentje over de omstreden vastgoedhandelaar Willem Endstra. Maar hij kan de boeken niet afronden, omdat hij te weinig bronnen te spreken krijgt. Na enkele jaren waarin hij verschillende eigen televisieprogramma’s heeft, zoals Candid Crime en Backsite, komen nieuwe tv-klussen niet meer van de grond. Hij verschijnt alleen nog als analist bij Barend & Van Dorp. ‘Ik ging in die jaren door stroop, maar had geen idee waarom mijn werk als misdaadjournalist niet goed meer lukte’, zegt hij achteraf.

Voor Bas van Hout is 2006 een cruciaal jaar. De Telegraaf publiceert in januari het verhaal dat criminele organisaties in het bezit zijn van staatsgeheime dossiers van de veiligheidsdienst. Zo komen misdadigers ook te weten dat de AIVD informanten heeft ingezet om hen dwars te zitten. Van een aantal is te achterhalen wie het zijn, omdat hun namen erin staan. ‘Uit de documenten wordt duidelijk dat de geheime dienst jarenlang onderzoek deed en infiltraties aanstuurde rond Amsterdamse drugscriminelen’, schrijft De Telegraaf.

Na de publicatie begint het Openbaar Ministerie een klopjacht op de schenders van het staatsgeheim. Al vrij snel komt Paul H. in beeld, een voormalige spion bij de BVD die onderzoek deed in de onderwereld en rond 2001 met mot is vertrokken. Hij blijkt veel dossiers van zijn oud-werkgever te hebben meegenomen – wat verboden is – en zal uiteindelijk in hoger beroep tot twee jaar cel worden veroordeeld voor het ontvreemden van staatsgeheimen.

Zonder dat Van Hout het weet, wordt in die tijd bij de AIVD overlegd over de veiligheid van de misdaadjournalist. In de 1.200 pagina’s met naar de onderwereld gelekte staatsgeheime dossiers staan namelijk ook de namen van enkele informanten.

Twee van deze bronnen worden in 2006 door de AIVD op de hoogte gesteld van de uitgelekte dossiers, zo zal de onderzoekscommissie onder leiding van Harm Brouwer in 2014 constateren. Een van de bronnen krijgt zelfs beveiliging. Ook de voornaam van Bas van Hout – ‘ene Bas’ – staat vermeld in een dossier, constateert de CTIVD in het rapport.

Deze Bas vertelt in een van de dossiers een verhaal over een kroongetuige dat alleen bekend kan zijn bij Van Hout. Het gaat over een kroongetuige die informatie achterhield over twee zware criminelen; de misdaadverslaggever sprak J. erover in 1997. Volgens de commissie is het ‘aannemelijk dat deze informatie voor bepaalde personen in het criminele milieu herleidbaar is tot klager’. Van Hout dus.

Volgens de CTIVD is er ‘reeds in 2006 alle reden om actie te nemen naar aanleiding van het uitlekken van de informatie over klager.’ De dienst besluit na intern overleg de verslaggever niet op de hoogte te brengen, hoewel het ‘risico van repercussies speelde’. Hij was in ‘levensgevaar’. De commissie vindt dat de AIVD hierbij is tekortgeschoten en ‘onbehoorlijk’ heeft gehandeld.

Hoe de gestolen dossiers van ex-AIVD-medewerker Paul H. precies bij De Telegraaf zijn beland, is nog altijd in nevelen gehuld. Het Openbaar Ministerie meende dat twee kennissen, onder wie een oud-huisgenoot van Paul H., de dossiers uit zijn huis hadden meegenomen. Zij zouden de dossiers hebben overhandigd aan de Telegraafjournalisten, Joost de Haas en Bart Mos, die erover schreven. De kennissen van H. hebben altijd ontkend dat zij de bron waren en ze zijn wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken. De twee Telegraafjournalisten hebben nooit verteld wie hun bron is – ook niet toen ze door het OM eind 2006 enkele dagen in gijzeling werden genomen.

Telegraaf-journalisten Bart Mos (links) en Joost de Haas worden bij het verlaten van de gevangenis onthaald door hun adjunct-hoofdredacteur Kees Lunshof. Foto Martijn Beekman

Van Telegraafverslaggever Bart Mos krijgt Bas van Hout in oktober 2006 een merkwaardig telefoontje. De journalist informeert of Van Hout in het bezit is van de staatsgeheimen. Mos vraagt hiernaar omdat hij kennis heeft van een proces-verbaal van toenmalig officier van justitie Fred Teeven, waarin dat staat.

Het is een brisant proces-verbaal: ‘Bas van Hout, freelance journalist, heeft de informatie die is ontvreemd aangeboden aan het dagblad De Telegraaf. Zij willen niet alles publiceren. Thans biedt Van Hout die informatie aan andere media aan. Van Hout bewaart de AIVD-informatie bij hem thuis.’ Als dit waar zou zijn, kan Van Hout tot 15 jaar cel krijgen.

De misdaadverslaggever is stomverbaasd, hij ontkent glashard. Na een kort gesprek begint hem te dagen dat de vraag van De Telegraaf eigenlijk onlogisch is. Mos heeft die staatsgeheime dossiers waarover de krant in januari 2006 publiceerde, zelf van iemand gekregen. Dat was zeker niet Van Hout. Bovendien zou de Telegraafjournalist zijn eigen bron altijd beschermen – zoals later bleek, toen hij werd opgesloten. De verslaggever moet dus weten dat wat Teeven zegt, niet klopt.

Van Hout: ‘Ik zei tegen Bart Mos: Je belt mij om iets te verifiëren waarvan je zelf al weet dat het onzin is.’ Maar hij zei: dit staat in een officiële verklaring, die is nu onderdeel van het dossier-Paul H. Daarom bel ik jou.’

Drie dagen later verschijnt in De Telegraaf een verhaal over de verklaring van Teeven. De kop, tussen aanhalingstekens: ‘Van Hout bood AIVD-stukken aan’.

De gevolgen voor Van Hout zijn enorm. Opeens staat hij in het criminele milieu bekend als handelaar in geheime stukken – geheime stukken die ze maar wat graag zouden willen hebben. De dag erna melden criminele contacten zich, ze eisen op hoge toon dat hij ‘zijn’ staatsgeheimen deelt. Ze komen ook thuis langs, waar zijn jonge kinderen hun geschreeuw horen. Eén van deze gesprekken – er waren volgens hem heftigere – heeft Van Hout opgenomen:

‘Nogmaals, als jij een dossier achter houdt, dan wordt het vervelend’, klinkt het.

‘In welk opzicht?’, reageert Van Hout.

‘Dat hoef ik jou toch niet uit te leggen, dat begrijp je toch wel.’

Voor zijn werk als journalist is het bericht uit De Telegraaf ook schadelijk. Al op de ochtend van de publicatie van het verhaal belt de directeur van een productiemaatschappij hem om opheldering te vragen. Het is een vriendelijk gesprek, maar de man moet een paar dagen later toch melden dat de opdracht voor een nieuw tv-programma met de werktitel Crimetravel niet doorgaat. Bestuurders van het bedrijf willen niet in zee gaan met iemand die – als ze De Telegraaf moeten geloven – het verlengstuk van een criminele organisatie is.

Uiteindelijk maakt de rechtbank in de zaak-Paul H. gehakt van Teevens verklaring. Onderzoek naar het scenario dat Van Hout in staatsgeheimen handelde, heeft volgens de rechters ‘geen enkele bevestiging voor de juistheid hiervan opgeleverd, maar wel duidelijke indicaties dat hij niet degene is geweest die de bewuste stukken aan De Telegraaf heeft verstrekt’.

Waarom heeft Teeven dit dan opgeschreven? Hij is erover verhoord, bij de rechter-commissaris, en verklaarde dat hij is getipt door een collega bij het OM: Hans Vrakking. Die zou dit hebben gehoord van een misdaadjournalist. Tijdens de verhoren zegt Vrakking daar niets meer van te weten. Hij verklaart kort samengevat: als Teeven dat zegt, zal het wel zo zijn gegaan. Ook de twee misdaadjournalisten waarvan Teeven en Vrakking tijdens het onderzoek de naam noemen, ontkennen de tipgever te zijn. De rechter-commissaris neemt er geen genoegen mee. Had Teeven een dubbele agenda, vraagt hij. Wilde de officier van justitie met die verklaring een huiszoeking bij Van Hout mogelijk maken om meer te weten te komen over de boeken over Endstra en Holleeder waaraan de misdaadjournalist werkte? Teeven: ‘Ik ben blij dat u het vraagt, dan kan ik zeggen dat het bullshit is.’

Bart Mos laat weten dat hij en zijn collega toentertijd feitelijk verslag deden van het strafrechtelijk onderzoek. ‘Het leverde soms dilemma’s op om te schrijven over een onderzoek waarin we zelf een rol speelden. We konden niets prijsgeven over wie wel of niet onze bronnen waren. En wij wisten ook niet alles. Als een officier van justitie zo’n proces-verbaal opstelt is dat nieuws. We hebben over meer verdachten geschreven, die vonden dat ook niet leuk. Dat van Hout last kreeg van de publicatie vind ik heel vervelend, maar mijn collega en ik hebben gewoon ons werk gedaan.’

De uitspraak van de rechtbank, die oud-spion H. veroordeelt voor het meenemen van staatsgeheime dossiers, maakt geen einde aan de kwestie. In april 2009, tijdens een zitting in het kader van zijn hoger beroep, vraagt H. het hof waarom de verdenking tegen Van Hout niet serieus is onderzocht, terwijl die hem kan vrijpleiten. Achter gesloten deuren zegt de voormalige geheim agent bovendien dat Van Hout informant was en in die hoedanigheid best aan dossiers had kunnen komen. De officier van justitie grijpt in, want H. mag deze staatsgeheime informatie nooit openbaren.

Dan is het kwaad al geschied: vanaf dat moment is in grotere kring bekend dat Van Hout gesprekken voerde met de inlichtingendienst. Reden voor de AIVD om een week later operateur J. naar strandtent Far Out te sturen om de misdaadjournalist hierover te informeren.

Tijdens hun gesprek aan het strand in Zandvoort halen Van Hout en J. ook herinneringen op aan hun samenwerking. Van Houts claim dat hij geen operationele informatie heeft gedeeld met J., blijkt ook uit hun conversatie. Het is een van de redenen waarom de dienst niet tevreden over hem was.

‘We hebben gesprekken gehad en we hebben niet eens informatie uitgewisseld, want dat wou je niet,’ zegt de AIVD’er op een gegeven moment.

‘Zo simpel is het’, antwoordt Van Hout.

‘Ik ben ook niet goed in mijn werk’, reageert J. cynisch.

Het gesprek in Zandvoort zit Van Hout niet lekker, ook omdat hij heeft gehoord dat er binnen de AIVD veel meer mensen op de hoogte zijn van zijn rol dan was toegezegd. Voor hem is het aanleiding af en toe aanvullende vragen te stellen over zijn veiligheid.

Zo is er een auto die hem regelmatig volgt. Als hij het kenteken noteert en voorlegt aan J. krijgt hij te horen dat dit kenteken bekendstaat als verdacht en relevant is in zijn dossier. Meer wil J. er niet over kwijt.

Het gaat bijna mis in een Apple-winkel in Haarlem. Van Hout is er naartoe gelokt met een telefoontje van iemand die ‘groot nieuws’ heeft over een illegale wapenzaak. Als de journalist en een vertrouweling deze man zien binnenkomen, voelen ze dat het foute boel is. De bezoeker is onherkenbaar door een sjaal, capuchon en zonnebril en heeft zijn handen weggestoken in de zakken van zijn jas. De man herkent Van Hout – die zelf een petje, sjaal en bril opheeft – kennelijk niet tussen het winkelende publiek en loopt snel weer naar buiten, steekt half rennend De Grote Markt over en verdwijnt uit het zicht. Als Van Hout nadien door J. het telefoonnummer van de beller laat controleren, blijkt dat dit maar één keer is gebruikt: om Van Hout te lokken.

En er is een incident op 9 december 2010 in de beveiligde Amsterdamse rechtbank ‘De bunker’ in Osdorp, dat ook is geboekstaafd door een aanwezige misdaadblogger, Eric de Bondt. Tijdens de middagpauze van een rechtszaak komt een beruchte crimineel tierend op Van Hout af.

De Bunker, de extra beveiligde rechtbank in Amsterdam. Foto Joost van den Broek

‘Je bent een informant, weet ik uit zeer betrouwbare bron’, zegt de crimineel. ‘Jij werkt voor de inlichtingendiensten. Dat weet ik zo zeker dat ik het zweer op het leven van mijn familie.’

‘Dat is net zo onzinnig als zeggen dat jij een informant bent’, reageert Van Hout.

De crimineel wordt nog bozer en richt zich ook tot de omstanders: ‘Dat moet je nog een keer zeggen. Zeg het dan!’ De man wijst met een priemende vinger naar Van Hout. ‘Je weet toch wie ik ben.’ Hij verheft zijn stem. ‘Hij is een informant!’

Van Hout heeft vlak na de confrontatie aantekeningen gemaakt. Die komen overeen met het verslag van De Bondt, die meldt dat hij deze crimineel nog nooit zo boos heeft gezien. De blogger legt alleen niet de link naar de AIVD, hij denkt dat Van Hout wordt beschuldigd van praten met de politie.

Ook de bewakers van de bunker nemen het incident waar en hebben iets over de ruzie genoteerd, ontdekt de CTIVD-commissie van Harm Brouwer: ‘Navraag bij de RID A’dam Amstelland leert dat dit incident ook is opgevallen bij de beveiliging van de bunker’.

De woordenwisseling duurt hoogstens een minuut of twee, waarna Van Hout beduusd de rechtbank verlaat. Achteraf gezien is het een kantelmoment: ‘Dit was de eerste keer dat ik concreet ermee geconfronteerd werd dat mijn naam op straat lag, dat ik iemand trof die hardop riep dat hij het dossier kende.’

Direct na het voorval neemt Van Hout contact op met zijn operateur. Is zijn naam toch niet uitgelekt naar de onderwereld? Opnieuw is de boodschap: maak je geen zorgen. Bij de AIVD zit geen lek; dat is in de geschiedenis van de dienst nog nooit gebeurd, zegt J..

Alle opgebouwde spanning komt er uit als Bas van Hout op 28 september 2011 aanwezig is bij de presentatie van een boek over het spionnenleven van Paul H., de man die achter gesloten deuren liet vallen dat hij een informant was. Daar maakt hij kennis met Telegraafjournalist Bart Mos, die hij alleen telefonisch had gesproken. En hij ziet twee onbekende mannen met elkaar smoezen. Ze ogen waakzaam en geheimzinnig tegelijk. Vlak daarna hoort hij wie dit zijn: Paul H. en iemand die gelieerd is aan het criminele milieu.

Opeens valt alles op zijn plaats: Van Hout realiseert zich dat Paul H. ook aan onderwereldfiguren kan doorvertellen dat hij een bron van de AIVD was. En als het criminele milieu weet van zijn rol, loopt hij mogelijk zelf gevaar. ‘Stukjes van de puzzel vielen op hun plaats’, zegt hij nu. ‘Ik was totaal de kluts kwijt. Een heel heftige ervaring.’

Verdwaasd loopt Van Hout naar buiten en rijdt op de motor terug naar zijn woonhuis. Hij voelt zich zo slecht dat hij, op advies van de huisarts, naar het ziekenhuis gaat. Daar blijkt dat er sprake is van een gezichtsverlamming, een aandoening waarbij alle spieren in een deel van zijn gezicht verslappen. ‘Het was een enorme naar binnen gerichte emotionele reactie, volgens de artsen veroorzaakt door extreme stress’, zegt van Hout.

Later wordt hij door het CTIVD-rapport in zijn duistere vermoedens bevestigd. Vijf dagen na de woordenwisseling in de bunker stelt de AIVD een interne notitie op, constateert de commissie-Brouwer. Er staat in dat bij de dienst het beeld is ontstaan dat bepaalde zware criminelen ‘via Paul H. inzage hebben gekregen in BVD-documenten waaruit blijkt dat klager een bron is geweest van de BVD’.

Hoe dat is gegaan, wordt niet vermeld. Insiders – zoals misdaadjournalisten – gaan ervan uit dat H. staatsgeheimen heeft verkocht aan misdadigers als Mink K. Daarvoor is geen bewijs en H. spreekt dit steevast tegen.

De AIVD brengt Van Hout er niet van op de hoogte dat zijn naam ‘rondzingt’, constateert de CTIVD. Wel is het zo dat op 1 februari 2011 door de dienst wordt ‘besloten contact met klager af te bouwen’. Deze keer moet de relatie definitief worden verbroken.

Al die tijd loopt hij gevaar, staat in het rapport: ‘Klager stelt dat in 2012 een niet bij naam genoemde topcrimineel aan hem had gemeld dat door zijn ‘vrienden’ was voorgesteld klager uit de weg te ruimen, omdat deze met zekerheid hadden vastgesteld dat klager een dubbelrol speelde. De contactpersoon van klager zou dat hebben tegengehouden.’

Meestal kan Van Hout wel in contact komen met zijn operateur via een telefoonnummer, soms is hij genoodzaakt een kaart naar een postbus te sturen. Als de misdaadjournalist een tijdlang geen contact weet te krijgen, stuurt hij een kaart waarop het strippersonage Joop Klepzeiker op zijn knieën voor de brievenbus zit met de tekst – ‘Ik wacht op je berichtje’. Op de achterkant schrijft Van Hout: ‘Zou je aub contact met me willen opnemen, het is m.i.z. urgent.’

Als hij weer in gesprek is met J. – ondanks het AIVD-besluit het contact af te bouwen – blijft Van Hout vragen om duidelijkheid. Hij wil pertinent niet in een getuigenbeschermingsprogramma worden opgenomen, maar gewoon weten waar hij aan toe is. In het zestiende gesprek sinds april 2009 adviseert J. hem een klacht in te dienen.

Tijdens een laatste ontmoeting in een restaurant van Van der Valk in Haarlem zegt de AIVD-medewerker: ‘Dan moet je met een advocaat een brief opstellen en vragen wat je wil. Dan wordt er een onderzoek ingesteld, dan worden er mensen gehoord. En die commissie is totaal onafhankelijk – dat moet je van me aannemen – kan overal bij en haalt en de onderste steen boven. Op basis daarvan zal er wel een conclusie getrokken worden.’

Van Hout neemt het advies ter harte. Met een advocatenbrief van vier kantjes deponeert hij op 21 februari 2014 een gedetailleerde klacht bij de AIVD.

De klacht heeft succes. In een korte brief van minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk, verantwoordelijk voor de AIVD, krijgt Van Houts advocaat op 26 september 2014 te horen dat de misdaadjournalist in het gelijk wordt gesteld: ‘De Commissie adviseert om de klacht volledig gegrond te verklaren. Ik neem het advies van de Commissie over en verklaar de klacht gegrond.’

De CTIVD oordeelt ook dat Van Hout het recht heeft om vertrouwelijke stukken over zijn zaak in te zien. Die kan hij bijvoorbeeld gebruiken om een schadeclaim te onderbouwen. Met twee juristen gaat Van Hout naar Zoetermeer, om zijn dossier en het CTIVD-rapport in te zien. Hij mag niets meenemen of fotograferen, maar als hij en de anderen de tekst beginnen over te schrijven, protesteert niemand.

Het rapport bevestigt Van Houts verhaal. Zo staat er dat hij bereidwillig was ‘op regelmatige basis informatie te verschaffen die hij verzamelde in het kader van zijn gewoonlijke werkzaamheden als misdaadjournalist’ maar ‘niet als agent is aangestuurd door de BVD’. Van Hout zelf bepaalt waar hij naartoe gaat en met wie hij praat. Bij zijn functie hoort één woord, dat hij zelf liever vermijdt: ‘De commissie concludeert dat klager dient te worden gezien als een informant.’

Pas als hij alle vertrouwelijke stukken ziet, wordt Van Hout volledig duidelijk wat er achter zijn rug is gebeurd bij de geheime dienst. ‘Uiteindelijk is maar één conclusie mogelijk’, zegt Van Hout. ‘Een groot aantal criminelen, maar ook enkele advocaten en journalisten, heeft de staatsgeheime stukken met mijn naam erin onder ogen gekregen. Zonder dat ik het wist.’

De CTIVD dringt er in het vertrouwelijke rapport op aan dat Van Houts huis snel beter wordt beveiligd, om te voorkomen dat criminelen er binnendringen en hem iets aandoen.

Toch heeft het nog jaren geduurd tot dit was geregeld, zegt de misdaadverslaggever nu. ‘In 2014 was al overeengekomen dat ze alles zouden doen aan beveiliging. In januari 2015 is concreet en gedetailleerd toegezegd dat de staat per direct alles zou doen aan de beveiliging. Dat was absolute prioriteit, de schadevergoeding is secundair. Het heeft echter tot de zomer van 2017 geduurd voordat ik in contact kwam met de verantwoordelijke politieafdeling.’ Daarom heeft hij op dringend advies van zijn advocaat zelf maar beveiliging aangebracht in zijn huis.

Details moeten geheim blijven, om criminelen niet wijzer te maken, maar het gaat om ingrijpende maatregelen. De verbouwing heeft Van Hout minimaal 150 duizend euro gekost, zo blijkt uit nota’s die de Volkskrant heeft ingezien. Daarnaast heeft de staat veel kosten gemaakt voor veiligheidsmaatregelen bij hem thuis, naar schatting ten minste een ton.

De juridische procedure over de schadevergoeding wordt een lijdensweg voor Van Hout. Eerst is er tevergeefs een bemiddelingspoging, later een arbitragecommissie en dan nog een rechtszaak bij het gerechtshof in Amsterdam. Op advies van zijn advocaten zet Van Hout aanvankelijk hoog in. Te hoog, beseft hij nu. ‘Ik was naïef en onvoldoende geïnformeerd over hoe zo’n bedrag wordt berekend.’ De misdaadjournalist verwijt de landsadvocaat dat hij tijdens de onderhandelingen een koele, vijandige sfeer creëert, waardoor de partijen niet nader tot elkaar komen. Als de ruzie hoog oploopt, roept de landsadvocaat ‘See you in court’.

Uiteindelijk gaat Van Hout in beroep bij de civiele rechter, waardoor de zaak openbaar wordt. Geen van beide partijen vraagt om behandeling achter gesloten deuren. Waarom niet? Volgens de AIVD is degene die een rechtszaak begint de eerste verantwoordelijke. De advocaat van de misdaadjournalist geeft geen commentaar, omdat ‘dit iets is tussen cliënt en advocaat'.

Het arrest van deze zaak verschijnt in december 2018 op rechtspraak.nl. De naam van Van Hout is weliswaar weggelakt, maar de uitspraak bevat zoveel details dat zijn identiteit wel is af te leiden. ‘De staat hamerde telkens op geheimhouding, dus ik ging ervan uit dat deze zaak geheim bleef’, zegt van Hout.

De publicatie van dit verhaal in de Volkskrant is een keerpunt voor Bas van Hout. ‘Ik heb het gevoel dat ik deze fase nu kan afsluiten en kan werken aan mijn toekomst’, zegt hij. ‘Een hele tijd heb ik niet voluit kunnen leven. Nu hoef ik niet meer geheimzinnig te doen en te vrezen dat mijn verhaal uitkomt. De gevolgen moet ik afwachten, maar ik heb het idee dat het zwaard is gevallen en me rakelings heeft gemist.’

Hij heeft nooit excuses gekregen van de overheid, zegt hij. ‘Dat had heel veel gescheeld.’

Van Hout realiseert zich dat sommige mensen zullen denken dat hij weliswaar een zware tijd achter de rug heeft, maar er wel een riante schadevergoeding voor heeft teruggekregen. Dat is onzin, zegt hij. ‘Als ik gewoon mijn werk had kunnen blijven doen als misdaadjournalist, had ik veel meer geld kunnen verdienen.’

In de kern gaat dit niet om geld, al vindt hij de vergoeding te laag. ‘Het bedrag boeit me niet. Ik ben sinds mijn jeugd financieel onafhankelijk, doe geen buitenissige uitgaven, heb geen schulden en mijn huis is al jaren afbetaald.’

Veel erger vindt hij de redenering van de arbitragecommissie die besliste over de hoogte van de vergoeding. De commissie vond dat hij zich na 2009 ‘journalistiek op andere terreinen’ had kunnen bewegen, hoewel J. hem had verzekerd dat er niks aan de hand was.

‘Die redenering is een belediging, een klap in het gezicht. Hoe had ik na dat gesprek op het terras van de Far Out in 2009 moeten weten dat ik op zoek moest naar ander werk, dat het einde van mijn carrière in zicht was? Ik werd gewaarschuwd maar kreeg verder alleen bagatelliserende woorden te horen. Bovendien verzuimde de dienst te melden dat de dossiers met mijn naam al op straat lagen. En dan zegt die arbitragecommissie opeens dat deze halfslachtige signalen voor mij reden hadden moeten zijn om ander werk te gaan zoeken. Een krankzinnige, wereldvreemde redenering van drie geleerde mannen die nooit op straat hebben gespeeld. Een kille, rare rekensom.’

Wat hem het meest steekt: ‘De AIVD heeft dus bewust een medewerker naar mij gestuurd met een kletsverhaal. J. wist volgens het rapport-Brouwer ook niet hoe het zat, maar leidinggevenden wel. Waarom hebben ze alleen gezegd: we moeten je waarschuwen, maar is er geen reden om je zorgen te maken? Ze hadden al veel eerder maatregelen moeten nemen om mijn kinderen en mijn vriendin te beveiligen. De AIVD nam daarmee de welbewuste beslissing mij niet te waarschuwen. Dat noem ik geen fout meer, maar een verwijtbare handeling. Ze hebben welbewust het risico genomen dat mijn gezin of mij iets zou kunnen overkomen en dat daarmee hun eigen probleem zou zijn opgelost.’

Dat is des te schrijnender, vindt hij, omdat voor twee – vermoedelijk criminele – informanten wel maatregelen zijn getroffen. ‘Criminelen die met de politie praten, krijgen een andere identiteit, geld, noem maar op. Ik was als onbezoldigde burger te goeder trouw, en mij hebben ze niet beschermd.’

Wat de overheid heeft gedaan, noemt hij onbegrijpelijk. ‘Ik ben door de AIVD als een eend op een lijmstok gezet, midden in het bos, in het jachtgebied, tijdens het jachtseizoen. Maar ik had een blinddoek op, ik wist van niets.’

Met medewerking van Erik Verwiel.

Reactie AIVD

De AIVD laat weten op wettelijke gronden slechts summier antwoord te kunnen geven op vragen van de Volkskrant. ‘Uit de uitspraak van het hof Amsterdam blijkt dat in het verleden een bron – door het hof X genoemd – schade heeft geleden door ons toedoen’, schrijft de dienst. ‘De CTIVD heeft dat beoordeeld als onrechtmatig. Een schadevergoeding is in een dergelijke situatie gebruikelijk. Deze is door een arbitraal gerecht vastgesteld en in hoger beroep, ingesteld door de bron, bevestigd door het hof, waarna het eerder vastgestelde bedrag is betaald.

‘Dat er schade is geleden door een bron, hebben we ons zeer aangetrokken. Bronnen moeten kunnen vertrouwen op ons, onze professionaliteit en onze bescherming. Natuurlijk zijn er maatregelen getroffen om herhaling van gemaakte fouten te voorkomen.’

De dienst noemt geen namen. ‘Voor ons is geheimhouding van bronnen cruciaal. We zullen nooit bevestigen of ontkennen dat iemand bron is (geweest). Ook niet als iemand daarover in de openbaarheid verklaart. Mensen met wie we te maken hebben, moeten er op kunnen vertrouwen dat wij hun identiteit (blijven) beschermen. Geheimhouding is een wettelijk vereiste, we hebben een zorgplicht.’

De AIVD geeft er vanwege die geheimhouding de voorkeur aan dat onderhandelingen over schadevergoeding buiten de rechtszaal worden afgehandeld. ‘Als iemand er zelf voor kiest na arbitrage in hoger beroep te gaan, is een openbare rechtszaak het gevolg.’


Verantwoording

Dit artikel is gebaseerd op elf lange gesprekken met Bas van Hout, geluidsopnamen, andere bronnen en informatie uit officiële, voor een belangrijk deel vertrouwelijke documenten. Om meerdere redenen, waaronder het belang van de staatsveiligheid, heeft de krant besloten terughoudend te zijn met het citeren uit sommige stukken.

De voor zover bekend enige officiële registratie van Van Houts klacht is in het jaarverslag van 2014 van de CTIVD. Daarin staat niets over zijn naam en functie en wordt summier vermeld dat een klacht is toegewezen omdat de AIVD zijn zorgplicht niet is nagekomen. Het gehele onderzoeksrapport van de Commissie van Toezicht op de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten uit 2014 is vertrouwelijk. De misdaadverslaggever heeft in het kader van zijn klachtenprocedure twee dagen stukken mogen lezen op het hoofdkantoor van de AIVD in Zoetermeer, waaronder het convenant met de BVD, zijn exit-document en dit rapport. Hij heeft grote delen van de tekst letterlijk overgeschreven, samen met twee juristen. Verslaggevers van deze krant hebben zijn volledige weergave van dit rapport ingezien. De bevindingen van de CTIVD, die gebaseerd zijn op gesprekken met alle betrokkenen, worden ondersteund door aanvullende informatie.

Het is niet ondenkbaar dat criminelen door deze publicatie in de Volkskrant er op attent worden gemaakt dat Van Hout samenwerkte met de geheime dienst en hem dit kwalijk nemen. Mede daarom zijn dit artikel en het bijbehorende nieuwsbericht zorgvuldig met hem afgestemd. In het belang van zijn veiligheid en in overleg met Van Hout heeft de krant vijf maanden gewacht met het openbaar maken van zijn verhaal. Die tijd heeft hij onder andere gebruikt voor het informeren van contacten uit en rond het criminele circuit. Zijn belangrijkste boodschap: ik heb nooit operationele of tactische informatie doorgegeven. De criminelen waardeerden zijn openheid.

Vanwege de veiligheid van Bas van Hout en vanwege privacyoverwegingen worden sommige personen niet bij naam genoemd. De initiaal van de operateur van de AIVD – vermoedelijk al een pseudoniem – is voor de zekerheid gefingeerd, om belangen van de overheid niet te schaden.

Voor deze krant weegt mee dat de uitspraak van het gerechtshof sinds december 2018 op rechtspraak.nl staat, en (ook voor criminelen) niet al te moeilijk is te herleiden naar Bas van Hout. Dat de geheime dienst een journalist heeft geworven als informant, zijn identiteit onvoldoende heeft beschermd en veel te laat heeft gewaarschuwd toen hij gevaar liep, is een dermate grote maatschappelijke misstand dat publicatie van dit verhaal gerechtvaardigd is, oordeelt de hoofdredactie van de Volkskrant.