Een hoofd zonder spraak. Een hoofd dat spreekt

De Vlaamse acteur Michel van Dousselaere (72) lijdt aan progressieve afasie, waardoor hij zijn stem verliest. De fotograaf Stephan Vanfleteren vroeg Michel en zijn Irma, die een documentaire over hem maakte, voor de camera en beschrijft het theaterstuk dat daarop volgde.

Vijf rijen. Meer zal het niet geweest zijn. Daar zit hij, in kostuum en met naar achteren gekamde grijze haren. Ik stoot mijn geliefde aan en fluister in haar oor: ‘Kijk eens, wat een mooie man.’

We zijn in Oostende. De zomer sleept zich naar zijn einde. Na de uitreiking van een filmprijs staan we met zijn allen in een balzaal. Tussen het volk merk ik opnieuw de acteur en zijn muze op. De man die zijn stem verliest en de vrouw die hem het woord geeft.

Ik krijg oogcontact met de vrouw. Ik ga naar haar toe en zeg: ‘Ik zou je man willen fotograferen.’

Zij antwoordt: ‘Het is goed.’

Twee weken later staat Michel in smoking, met een wintermantel eroverheen, op de eikenhouten planken van mijn daglichtstudio. Twee uur lang volgt zijn acteursoog mijn lens. Af en toe verdwijnt zijn oogopslag in het luchtledige. Dan duikt hij weer op. Lock-on. Intens. En met als publiek ondergetekende, verdoken achter zijn glazen oog. Dat oog kent Van Dousselaere goed, hij heeft veel voor de camera gestaan.

Het is de eerste akte van ons theaterstuk. Ik ben regisseur en fotograaf.

De hoofdrol is voor Michel. Maar het is geen monoloog.

Er is amper tekst. Hier en daar een teruggekaatst woord. Progressieve afasie is de ceremoniemeester, Irma de medespeelster. Hier geen tegenspelers, behalve dan de tijd.

Ja, de woorden worden schaarser, het bewegen wordt moeilijker.

Ik vraag, observeer en vang. We spelen. Letterlijk. Ik voel me welkom in zijn hoofd zonder spraak. Maar zijn hoofd spreekt. Michels blik valt af en toe op dezelfde grond waar hij zonet nog danste met Irma. Hand in hand. Dicht. Met elkaar. In elkaar. In tranen.

Er volgen nog ontmoetingen en nieuwe hoofdstukken.

Thuis op een krukje. Michels lichaam draait om zijn as. Herinneringen vliegen tegen de hersenwand.

De bezwerende handen van zijn geliefde dartelen en ruisen over zijn hoofd.

We gaan naar het IJsselmeer. De admiraal speurt de horizon af naar zijn spookschip.

Aan wal wappert een doek in zijn gezicht. Antracietgrijs, niet wit. Want we geven ons niet over. Nog niet. Het waait nog niet hard genoeg. De souffleur blaast terug. Rouwen is voor later.

Of Michel als drenkeling op het droge. Het zand is donker. Michel kijkt dieper dan ooit.

Ook het zwaard uit zijn laatste rol wordt vastgenomen. Klemvast. Michel, de generaal. Of een keizer met kleren.

Soms ook zonder kleren. Michel en Irma in bed. Ik zweef boven hen. Ze omhelzen elkaar, kussen, knuffelen. En Michel kijkt schalks in de lens terwijl hij met zijn handpalm de volle borst van Irma vastpakt. ‘De godverdomse sloeber.’ Even denk ik: Michel neemt ons allemaal in de maling. Hij speelt zijn ultieme rol. Maar helaas, dit is geen geval van method acting. De acteur leeft zich niet waarachtig in de emoties van zijn personage in. Het is net het omgekeerde: de aandoening is de waarheid die de rol overtreft.

Michel in een donker dennenbos, of met Irma op hun twaalfde trouwdag op een Pedrazzini-boot in hun Canale Grande van de passie, of tijdens een picknick op een parking naast Aida Snackwagen.

Daar op die dijk, bij ons afscheid, klem ik zijn kaken tussen mijn handen, kijk hem in de ogen en zeg: ‘Tot ziens.’

Michel antwoordt: ‘Tot ziens.’ De hele dag heeft hij gezwegen, en nu krijg ik dit cadeau. Uit zijn mond. Via zijn stem. Twee woorden. Een marathon van acht letters.

Zijn laatste woorden tegen mij hollen nu weg, de ijlbode Pheidippides achterna. Verder dan een Griekse tragedie, verder dan een Griekse stad.

Hier heeft de liefde gewonnen.