Het eerste fotoboek over de Holocaust in Nederland snijdt recht door de ziel

De Jodenvervolging in Nederland eindelijk met foto's verteld

Een nieuw fotoboek met uniek materiaal over de Jodenvervolging in Nederland toont veel tot nog toe onbekend beeld. De foto’s snijden rechtstreeks door de ziel.

Op een foto van 26 mei 1943, gemaakt vanaf de eerste etage aan de Amsterdamse Geldersekade, is een dertigtal Joden te zien. Aan de overkant van het water lopen ze, met hun plunje, geflankeerd door leden van de Duitse Ordnungspolizei, naar de Hollandsche Schouwburg. Er zijn een paar gehelmde Duitse soldaten. Nog net is zichtbaar hoe enkelen van hen een opengetrapte deur binnengaan om te controleren of er nog bewoners zijn achtergebleven. Ook een deur drie panden verderop is met geweld geopend. Daar treffen de Duitsers niemand aan – de bewoners waren al eerder afgevoerd en reeds in Sobibor vergast.

De shockerende foto is gemaakt door apotheker Herman J. Wijnne, die het tafereel in alle vroegte gadesloeg. Hij plaatste zijn camera op de schouder van zijn vrouw, een menselijk gelegenheidsstatief zodat de foto scherp kon worden en hij, achter haar staand, nauwelijks opviel – je kon nooit weten. Het is een van de slechts drie foto’s die Wijnne in de oorlogsjaren 1940-1945 maakte. Een macaber pars pro toto voor de Jodenvervolging in Nederland. En daarbij een getuigenis van burgermoed, van de apotheker die het risico nam het stille drama te documenteren.

  • Boerderij Boogaard

    Op de boerderij van de gereformeerde familie Boogaard in de Haarlemmermeerpolder verbleven in 1943 zeventig voornamelijke Joodse onderduikers. Hoewel er bij eerdere huiszoekingen al 14 Joden waren opgepakt, bleef Johannes Boogaart onderdak bieden aan de vervolgden. Op de eerste twee foto's poseren de onderduikers in alledaagse omstandigheden, ten behoeve van een fotoalbum dat Joodse onderduikers cadeau zouden doen aan een niet-Joodse lotgenoot. Op 6 oktober 1943 deden twee Nederlandse rechercheurs een inval in de boerderij, aangezien zij vermoedden dat er illegaal vlees werd geslacht. Bij toeval troffen ze in een schuur twintig Joodse kinderen. Er ontstond paniek, en in het tumult werd een van de rechercheurs door een onderduiker doodgeschoten. Zijn lijk ligt (derde foto) op het erf. Zijn collega wist te vluchten en kort daarop verscheen de Ordnungspolizei uit Amsterdam, die de omgeving afzette. Intussen was een van de Boogaards met de kinderen het land in gevlucht. Ze wisten zich schuil te houden door urenlang tot hun nek in een sloot te staan, bij het riet. De volwassenen werden allen opgepakt en gedwongen op hun buik te gaan liggen. Geen van de onderduikers overleefde de oorlog. Vader Johannes en zoon Piet Boogaard werden eveneens opgepakt en hebben de oorlog niet overleefd. Dochter Aagje, afgevoerd naar kamp Vught, overleed aan de ziekte die ze in gevangenschap opliep.

De foto is een van de honderden die zijn opgenomen in De Jodenvervolging in foto’s – Nederland 1940-1945, het eerste fotoboek over de Holocaust in Nederland, dat een onuitwisbare indruk maakt op de lezer. Omdat foto’s meer nog dan geschreven getuigenissen, hoe indrukwekkend ook, rechtstreeks in de ziel snijden. Omdat er talrijke nieuwe, zeldzame foto’s zijn opgedoken, in de illegaliteit gemaakt, jarenlang verborgen op zolders of achter het behang. Omdat beelden die decennia anoniem in archieven verbleven, nieuwe betekenis krijgen door uitputtende naspeuringen van de samenstellers en zo van namen en achtergronden zijn voorzien.

Het monumentale karakter van het boek wordt verder versterkt door de gedetailleerdheid waarmee de Jodenvervolging is vastgelegd. Van het getreiter met ‘Voor Joden verboden’-bordjes in parken, de (zelfbetaalde) Jodenster, het verbod op fietsen, de uitsluiting van werk en de plaatsing van kinderen op Joodse scholen, tot het samenbrengen van de Amsterdamse Joden in de Hollandsche Schouwburg. Van het afvoeren naar doorgangskamp Westerbork tot de uiteindelijke moord op 102 duizend Nederlandse Joden, merendeels uit Amsterdam, in vernietigingskampen als Sobibor en Auschwitz.

De foto van de Geldersekade vertelt meer dan alleen wat erop te zien is. Het tijdstip: vroeg in de ochtend, als er nog maar weinig getuigen op straat zijn. Meestal vonden razzia’s plaats aan de randen van de dag, ook omdat niet-Joodse Nederlanders dan makkelijker konden wegkijken: horen, zien en zwijgen. De datum is eveneens opmerkelijk. Een dag eerder, op 25 mei 1943, hadden de Duitsers zevenduizend Joden opgeroepen zich op het Muiderpoortstation te melden voor transport. Aan de oproep werd slechts door 1.600 Joden gevolg gegeven – ook van die dag bestaan foto’s – waarop de Duitsers de volgende ochtend met harde hand toesloegen. Bij razzia’s werden 3.300 Amsterdammers alsnog opgepakt.

Het afvoeren uit de stad werd vaak begeleid door Nederlandse politie en door Joodse ordebewakers uit Kamp Westerbork. Het maakte de razzia’s meestal tot soepele operaties – er werd geen nodeloze achterdocht gewekt. Dit in schril contrast tot de eerste grote razzia, op het Jonas Daniël Meijerplein in februari 1941 (waarvan alle door een Duitse fotograaf gemaakte foto’s zijn opgenomen in het boek). Daar werden honderden Joodse mannen nagezeten en opgejaagd door grijnzende Duitsers, een brute operatie die met het nodige cynisme als een beginnersfout van de nazi’s kan worden bestempeld. Waarom de vuist gebruikt, als de Holocaust eerst ook met zachte hand kon worden volvoerd?

Het samenstellen van De Jodenvervolging in foto’s, dat een periode van tien jaar in beslag nam, is de auteurs, de historici René Kok en Erik Somers, niet in de koude kleren gaan zitten, erkennen ze. Ze speurden in fotoarchieven in de Verenigde Staten en Duitsland, in het enorme eigen archief van het instituut voor oorlogsdocumentatie NIOD, hun werkgever, in het Israëlische herdenkingsmuseum Yad Vashem, alsook in privécollecties. Wat ze aantroffen, was een historische schat aan onbekend of nauwelijks eerder opgemerkt materiaal. En een overstelpende hoeveelheid informatie over personen die op de foto’s te zien zijn.

Zo zijn er de namen en achtergronden van de 22 Joodse kinderen die te zien zijn op de groot afgedrukte klassefoto uit Deventer, september 1942. Slechts een van hen overleefde de oorlog. Of het lot van Sam Noach, textielhandelaar te Deventer; hij kreeg de gelegenheid om onder te duiken, maar weigerde, ‘omdat het zo’n vaart niet zou lopen’. Zelfverzekerd blikt hij in augustus 1942 in de cameralens op het platte dak van zijn woning. Bepakt en bezakt, klaar voor de reis naar een werkkamp in de Achterhoek, een tussenstop naar Westerbork. Ruim twee maanden later zou hij in Auschwitz worden vermoord.

Twee Joodse stellen bij een richtingaanwijzer van de ANWB. Ze kijken naar het in opdracht van de hoogste Duitse gezagsdrager in de provincie Utrecht opgehangen bord 'Joden niet gewenscht'. `

Het is juist de visuele nabijheid van al die slachtoffers, het feit dat je ze in de ogen kunt zien, hun alledaagse kleding kunt bekijken, dat familieverbanden zichtbaar worden en de genegenheid en warmte binnen een gezin voelbaar wordt, dat het boek zo aangrijpend maakt om te lezen. De onwetendheid van de slachtoffers, of de met de moed der wanhoop onderdrukte argwaan over hun lot, versus de wetenschap hoe het hen is vergaan. Zichtbaar worstelden de auteurs met de terminologie om de massamoord mee te beschrijven. Er moest een gepaste afwisseling worden gemaakt: ‘weggevoerd’, ‘vermoord’, ‘omgebracht’, en: ‘zouden niet overleven’, ‘zouden niet terugkeren’ – het woordenarsenaal schiet tekort.

Min of meer chronologisch volgt het boek de Jodenvervolging, als een onheilssymfonie in beelden, waarbij de lezer, naarmate hij vordert, de keel verder wordt dichtgeknepen. Eerst nog die bijna frivole zomerse foto van twee jonge Joodse paartjes op fietstocht, bij een bewegwijzeringsbord in Culemborg, met het bordje ‘Joden niet gewenscht’. Dan de foto van de blozende baby Renée Sara Gottschalk, op een zomerse dag in 1942. Ze zit in de box, die naast een van de barakken in Kamp Westerbork in het zonnetje is gezet. Met haar moeder werd ze naar Theresienstadt gedeporteerd, en daarna door naar Auschwitz, waar zij, 3 jaar oud, en haar moeder, 33, direct na aankomst zijn vermoord.

De Fledders

Rijkswerkkamp De Fledders, ten zuid-oosten van het Drentse plaatsje Norg, was in de jaren dertig gebouwd in het kader van de werkverschaffing. Vanaf juli 1942 waren hier 120 Joodse tewerkgestelden ondergebracht. Een van de dwangarbeiders schreef naar huis: 'Ik loop nu met kruiwagens met zand en moet er 16 per uur doen, 40 meter ver brengen en zelf inscheppen. Dus dat valt niet mee. Ik loop zo'n hele dag 12,5 kilometer, op planken dat je er duizelig van wordt, maar ik bijt op mijn tanden.'

Van de talrijke onthullende foto’s zijn drie categorieën in het bijzonder het bespreken waard. De eerste is de aandacht die Kok en Somers besteden aan een tamelijk onderbelicht aspect van de Jodenvervolging: de dwangarbeid die mannen moesten verrichten in onder meer Drenthe en langs de oostgrens. In 1942 lieten de Duitsers in totaal 7.500 Joodse mannen overbrengen naar kampen in het oosten en westen van Nederland, om veengronden te ontginnen, zandpaden aan te leggen, geulen te graven. Er moest keihard worden gewerkt – een arbeider meldt in een brief naar huis dat hij dagelijks 16 uur lang over plankieren loopt met een kruiwagen die hij zelf moet volscheppen met aarde. Op de foto’s van de werkkampen, veelal kiekjes bedoeld voor het thuisfront, zie je hoe de mannen er zo goed en zo kwaad als het gaat wat van proberen te maken.

De Joodse werkkampen bleken uiteindelijk niets meer te zijn dan dependances van Kamp Westerbork. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden alle mannen uit deze kampen overgebracht (of gedwongen te lopen naar) het doorvoerkamp, waar ze zogenaamd met hun gezin zouden worden herenigd. Westerbork werd overspoeld met mensen, reden waarom er in die oktobermaand extra veel treinen naar Auschwitz werden ingezet: negen treinen met goederenwagons, waarin 12 duizend Joden werden gestouwd.

Een tweede categorie die extra aandacht verdient, is het daderperspectief. Ze zijn in overvloed te vinden in het boek: de politie-eenheden die, in ruil voor kopgeld à 7,50 gulden per vangst, jacht maakten op Joden. De verhuiswagens van Puls, het bedrijf dat huizen van weggevoerde Joden leeghaalde en de inboedel verhandelde. Reichsführer-SS Heinrich Himmler die een parade afneemt tegen de achtergrond van het Rijksmuseum. Kampcommandant Gemmeker van Westerbork, die er belang aan hechtte de Joden correct te behandelen, tot hij zich bij het sluiten van de grendels van de goederenwagons van zijn verantwoordelijkheid ontslagen achtte. En dan de foto uit het privéalbum van Hermann Fischer, een lid van een politiebataljon uit Bremen dat in Nederland werd ingezet bij razzia’s. Op een opname poseren zijn kameraden voor Gemmekers woning bij de ingang van Westerbork – een schandpand dat er nog steeds staat, geconserveerd onder een glazen overkapping. Op de volgende pagina’s staat Fischer zelf, poserend als een toerist, breeduit lachend terwijl achter hem een transport van Joodse mannen uit werkkampen binnenkomt – daags na die beruchte nacht van de voorgespiegelde gezinshereniging, 3 oktober 1942.

Een fotoreportage over de Jodendeportatie in het weekblad Storm SS, van de Amsterdamse NSB-fotograaf Bart de Kok, werd voorzien van snedig commentaar, onder de kop ‘Afscheid’, in letters die refereren aan het Hebreeuwse schrift. ‘Wij hebben afscheid moeten nemen, afscheid van gasten, die sinds eeuwen ons brood z.g. met ons deelden en de beste stukken voor zichzelf wisten te veroveren. Wij hebben ze uitgeleide gedaan en hebben hun een laatste vaarwel toegeroepen, daar op een terrein aan de Polderweg in Amsterdam-Oost. (...) Zo zijn de Joden dan verdwenen. Wij hebben gezien hoe ze in de treinen verdwenen. Het afscheid is ons niet zwaar gevallen.’

De haat die ten grondslag ligt aan die virulente taal, culmineert in de vernietiging van de Joden in de gaskamers. Ook die massamoord, de derde uitzonderlijke categorie in het boek, is fotografisch gedocumenteerd – unieke en afschuwelijke beelden die bij het grote publiek nauwelijks bekend zijn. De Griekse gevangene Alberto Errera, lid van een Sonderkommando dat gedwongen was te werken in en bij de gaskamers in Auschwitz, fotografeerde in het diepste geheim een groep ontklede vrouwen in de open lucht, wachtend tot zij naar de gaskamers gaan. Een andere foto toont crematies in de buitenlucht – de ovens konden het werk niet meer aan.

Errera’s filmrolletje werd in een tube tandpasta het concentratiekamp uit gesmokkeld. De foto’s werden na de oorlog bijgesneden en geretoucheerd, de negatieven gingen verloren. Pas in 1985, toen de originele afdrukken werden overgedragen aan het Auschwitz Museum, werd duidelijk hoe de oorspronkelijke opnamen eruit hadden gezien. Ze werden als bewijsmateriaal voor de massamoord beschouwd, maar vanwege hun geringe technische kwaliteiten nauwelijks gepubliceerd of tentoongesteld.

De zoektocht van Kok en Somers in de archieven over de Holocaust leidde er ook toe dat een bekendere foto uit de Tweede Wereldoorlog in een nieuw daglicht is komen te staan, dankzij een tot dusver onbekende Nederlandse component. Het is een foto uit het door een anonieme fotograaf (klaarblijkelijk met instemming van de kampleiding) vervaardigd album met 193 foto’s van vernietigingskamp Auschwitz. Een overlevende van het kamp, Lilly Jacob, trof het album aan in een ziekenbarak, waar ze na haar bevrijding enigszins op krachten kwam. Op de foto is de aankomst per trein te zien van een groep Hongaarse Joden. De selectie op het rangeerterrein voor de ingang van het kamp is in volle gang: vrouwen, bejaarden en kinderen, die direct naar de gaskamers gingen, werden gescheiden van de mannen, die wellicht nog voor dwangarbeid konden worden ingezet.

Links onderaan de foto staan vier gevangenen in gestreepte concentratiekampkleding, die deel uitmaakten van het zogenoemde Kanada-Kommando (zo genoemd omdat het emigratieland Canada ook toen al een beloftevolle klank had). Zij moesten de bagage van nieuw gearriveerde gedeporteerden doorzoeken op waardevolle zaken en genoten binnen het kamp een zekere bescherming. Nu en dan vonden ze eetwaren in de bagage, waardoor hun overlevingskansen groter waren dan gemiddeld.

Twee van de vier afgebeelde mannen (uiterst links) zijn met zekerheid geïdentificeerd, als de Nederlanders Jaap van Gelder en Jaap de Hond. De derde, gezien op de rug, is waarschijnlijk de Nederlander Maurice Schellevis. Nadat Auschwitz, bij het naderen van Russische troepen, werd ontruimd en zo veel mogelijk van bewijzen van de Holocaust werd ontdaan, moesten de drie, net als de andere nog levende gevangenen in 1945, lopen naar kampen in Duitsland. In de chaos van die beruchte ‘dodenmarsen’, waarbij iedereen die niet mee kon komen de kogel kreeg, verloren ze elkaar uit het oog. Elk van hen ging ervan uit dat de anderen tijdens de marsen waren gestorven; pas veel later kwam het toevallig tot een hereniging.

Zo biedt De Jodenvervolging in foto’s, door verhalen als die van de drie overlevenden, af en toe sprankjes licht in de gitzwarte geschiedenis van de Holocaust. Het is een boek dat de miljoenen anonieme doden een gezicht geeft en de herinnering toekomstbestendig maakt, als ook de laatste getuigen zijn gestorven.

Hergebruik

Arnhem, zomer 1945. Hergebruik van een 'Voor joden verboden'- bord in Arnhem, dat wellicht de ongevoeligheid typeert waarmee de schaarse Joodse overlevenden na de Tweede Wereldoorlog werden behandeld. Op het bordje is het woord 'joden' vervangen door een nieuws stukje hout en de naam van de door de Duitsers aangestelde politiechef onleesbaar gemaakt. Zo kon het bord weer worden gebruikt als algemenere verbodsbepaling. Uit de vernietigingskampen terugkerende Joden werden in Nederland vaak hardvochtig ontvangen. De overheid behandelde terugkerende Joodse Nederlanders niet met meer aandacht dan anderen. Velen werden geconfronteerd met nieuwe bewoners in de woningen waaruit ze werden verjaagd. Huisraad en kostbaarheden die bij anderen in bewaring waren gegeven, werden dikwijls niet of slechts ten dele geretourneerd.

Erik Somers en René Kok kwamen eind jaren zeventig als werkstudent bij het NIOD terecht en zijn er sindsdien werkzaam als onderzoekers. De historici verzorgden talrijke uitgaven over de Tweede Wereldoorlog, waaronder Stad in oorlog (over Amsterdam) en Het grote 40-45 boek en stelde een groot aantal exposities samen. Ze publiceerden fotoboeken over de jaren vijftig, zestig en zeventig en het werk Gewenst en ongewenst beeld, over honderd jaar koloniale oorlog. In 2014 promoveerde Somers met De oorlog in het museum, waarin hij de nog steeds groeiende museale aandacht voor de Tweede Wereldoorlog beschrijft.

René Kok en Erik Somers: De Jodenvervolging in foto’s – Nederland 1940-1945. WBooks; 310 pagina’s; € 29,95.

Gelijknamige expositie in het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam, vanaf 28/1.