Eerst maar even een wijdverbreid misverstand uit de weg helpen: internet is niet hetzelfde als het world wide web (www). Al die apps – Netflix, Spotify, Facebook, e-mail, YouTube, noem maar op – op uw telefoon? Wel internet, geen web. Het www is dat gedeelte van internet dat via de browser werkt: het intikken van webadressen als www.volkskrant.nl en het van daaruit doorklikken op links. Het wereldwijde web – alleen al het uitspreken ervan roept nostalgische gevoelens op – heeft internet in de jaren negentig bij de massa gebracht. Daarvoor was het een speeltje van vooral wetenschappers en bibliotheken die elkaars computers konden bereiken via het intikken van een reeks cijfers.

Het begon allemaal in maart 1989, toen Tim Berners-Lee zijn baas bij Cern een voorstel stuurde voor het www. Die baas was niet direct overtuigd – ‘Vaag, maar opwindend’ krabbelde hij op het A4’tje – maar Berners-Lee was niet meer te stoppen. En zijn geesteskind ook niet. Via primitieve browsers waren in de jaren erna de eerste sites op te roepen. Pas met de komst van de eerste grafische browser in 1993 (Mosaic, al snel gevolgd door Netscape) ging het hard. Het web bleek een schot in de roos vanwege de laagdrempeligheid en het gebruik van open standaarden. In Nederland brachten providers als NLnet, XS4all en De Digitale Stad internet via piepende modems binnen handbereik van grote groepen. De rest is geschiedenis.

Tim Berners-Lee Foto: CERN

Eind goed, al goed? Nee. Er zijn flinke barsten ontstaan in de idealistische droom van Berners-Lee. Het web wordt aan alle kanten bedreigd. In een artikel uit 2010 verkondigde toenmalig hoofdredacteur Chris Anderson van techmagazine Wired – nooit te beroerd om voor de troepen uit te lopen – al de dood van het web. De reden: de snelle opkomst van apps op mobieltjes die de plek van het oude web begonnen in te nemen. Geen open ruimte van eindeloos aan elkaar geknoopte plekken voor vrije conversatie, maar afgesloten omgevingen met als belangrijk doel de gebruiker daar vasthouden.

Het web bestaat nog steeds, maar ook Berners-Lee zelf maakt zich zorgen. Vorig jaar schetste hij een somber beeld: ‘Wat ooit een rijke selectie van blogs en websites was is nu gecomprimeerd onder het zware gewicht van een paar dominante platformen.’ Deze monopolisten bepalen nu welke ideeën en meningen worden gezien en gedeeld, aldus de teleurgestelde ‘Godfather van het web’. Ook internetcritici als Andrew Keen beschreven de tragedie van de digitale revolutie waarin de idealen van de internetpioniers (democratie, gelijkheid, verlichting, vrijheid, transparantie) zijn ingeruild voor het überkapitalisme van ‘de vier ruiters van de Apocalyps’: Google, Facebook, Apple en Amazon. Het web is dan wellicht nog niet dood, maar minstens zwaar verkouden. Wat is de diagnose en wat is het recept voor genezing? We vragen het zes experts.

De eerste server uit 1990 waar het World Wide Web op draaide Foto: CERN

Jeroen van den Hoven, hoogleraar Ethiek en Techniek aan de TUDelft

Hoewel het www mensen mondiaal dichter bij elkaar heeft gebracht, heeft het zijn democratische belofte en morele idealen nooit kunnen waarmaken, zegt Jeroen van den Hoven. ‘Integendeel: het web is een vehikel voor winstbejag, verslaving, manipulatie, machtsstreven en een keur aan Evil Online geworden.’ Van den Hoven noemt het hoopgevend dat er sinds enige tijd sprake een groeiende online tegencultuur. ‘Tim Berners-Lee heeft nu ook weer een goed initiatief genomen met Solid: een ‘digitale kluis’ die de centralisering van macht, invloed en kapitaal ontmantelt en de zeggenschap over persoonsgegevens teruggeeft waar ze hoort: bij het individu.’ Privacy, zelfbeschikking en vrije keuze op het web? ‘Het is nog niet te laat.’

Geert Lovink, internetcriticus en lector aan de Hogeschool van Amsterdam

Ook Lovink ziet geen reden voor een feestje. Daarvoor zijn de problemen van het open web simpelweg te groot. Allereerst omdat apps steeds meer tijd en bandbreedte afsnoepen: ‘Grote delen van wat we nu consumeren vallen niet meer onder het open web en dat wordt alleen maar minder. Vooral bewegend beeld zoals Netflix legt een enorme claim op de bandbreedte en bovenal de collectieve aandacht.’ Ook het zoeken naar informatie verandert bij de consument: ‘We zoeken steeds vaker maar ook steeds korter. In plaats hiervan komt de logica van aanbevelingen binnen (gesloten) sociale media.’

Een andere tendens is volgens Lovink nog verontrustender: het vrije internet staat in landen als Rusland, Iran en China nu al zwaar onder druk. Hij vreest dat geopolitieke conflicten zich in de toekomst zullen uitbreiden naar het technische domein. Tot slot is daar nog de machtspositie van Google, Facebook en consorten. ‘Sinds vorig jaar zitten ze in het defensief, maar de georganiseerde naïviteit van Facebook lijkt grenzeloos. De optredens van Zuckerberg voor de Congrescommissie zijn in dat opzicht hilarisch. Hij denkt echt dat hij politici kan afschepen met nietszeggende antwoorden.’ Lovink noemt de arrogantie van Silicon Valley ‘fascinerend’. Europa loopt volgens hem ondertussen tien jaar achter. ‘De echte confrontatie tussen Silicon Valley en Europa moet nog komen.’ Nu nog staat Europa volgens hem met lege handen in zijn pogingen om de monopolies te breken. ‘Het enige beleidsinstrument dat we hebben is: boetes uitdelen. Reguleren is tot nu toe nog niet geprobeerd.’

Internet en het world wide web zijn twee verschillende dingen. Het internet gaat terug tot de jaren zestig en is een netwerk van openbare computers. Centrale gedachte bij de ontwikkeling van het Amerikaanse ministerie van Defensie is dat het systeem decentraal is. De informatie wordt in pakketjes opgedeeld en zoekt via de snelste route zijn plaats van bestemming. Het world wide web is een onderdeel van dit internet. De doorbraak van het www is dat via hyperlinks informatie van andere computers kan worden opgehaald

Eric Luiijf, bouwde in de jaren tachtig aan internet voor defensieonderzoek bij TNO

Luiijf kan zich nog herinneren dat begin jaren negentig het www opkwam. Onder de indruk was hij niet echt: ’Het was gewoon een manier om informatie beschikbaar te stellen.’ Zowel het publiceren als het oproepen van pagina’s werd daarmee een stuk eenvoudiger. Maar dat er een revolutie voor de deur stond? Nee. ‘Iedereen was in die tijd aan het stoeien met protocollen en diensten. Uiteindelijk was het het web dat de strijd won. Met alle positieve gevolgen van dien: ‘Informatie is vrij beschikbaar. Zojuist heb ik nog de handelingen van de Eerste Kamer uit 1924 opgezocht. Prachtig toch?’ Somber over de toekomst is hij niet: ‘Het web verbindt miljoenen pagina’s over de hele wereld, dat bestaat over tien jaar nog wel.’

Robert Cauilliau Foto: CERN

Wim de Ridder, futuroloog, tot 2015 hoogleraar toekomstonderzoek aan de TU Twente

‘Ik heb de euforie van de beginjaren van het web meegemaakt. Die is nu verdwenen.’ Grote bedrijven zijn op het fenomeen gesprongen en zijn daar zeer succesvol in. Maar ze zijn doorgeschoten, ziet De Ridder. ‘Ze zijn de consument uit het oog verloren en denken alleen maar aan meer data en meer winst.’ En dat alles ook nog eens vaak door de regelgeving van overheden willens en wetens met voeten te treden. Een normaal patroon trouwens, volgens De Ridder: ‘In de auto-industrie hebben we hetzelfde gezien, met hun sjoemelsoftware. Of denk aan de banken die zich in de aanloop van de kredietcrisis hebben uitgesloofd met dubieuze producten.’

Tijd voor vernieuwing dus, maar die komt per definitie niet van die bedrijven zelf. ‘Vrijblijvendheid werkt niet; de overheid moet keiharde regels stellen.’ Het open internet waar Berners-Lee van droomde heeft zijn tijd gehad, denkt De Ridder. Hij verwacht de komst van een groot aantal sub-internetten. Een apart web voor de gezondheidszorg bijvoorbeeld, zodat Amazon of Google er met hun datahongerige tentakels niet bij kunnen. ‘In een dergelijk web slaan mensen zelf hun data op in een eigen digitale kluis en geven alleen die informatie af die nodig is om hun doel te bereiken. Hieraan wordt al gewerkt.’

Lydia Meijer, netwerkonderzoeker bij TNO, tot 2018 bijzonder hoogleraar telecommunicatie aan de UvA

‘Zonder internet zou ik geen vrouw zijn geweest.’ Voor Lydia Meijer is het zonneklaar wat het web voor haar heeft betekend: een ontsnapping uit het kleine Drachten en de vorming tot wereldburger. De brede blik die internet mogelijk maakte droeg uiteindelijk bij tot de transformatie tot vrouw. Meijer (toen nog Robert) werkte begin jaren negentig als onderzoeker bij KPN en stond aan de wieg van de eerste stappen van het telecombedrijf op het web. Ook Meijer ziet problemen, maar die komen wat haar betreft niet van Google, Amazon of Facebook. ‘Zij brengen gewoon vraag en aanbod bij elkaar. Google weet alles van me, maar daar heb ik geen probleem mee. Zijn apps zijn fantastisch.’ Nee, de grootste zorg van het vrije en open web is voor haar de veiligheid. DDoS-aanvallen van pubers, staatshackers: de enige manier om daarvan gevrijwaard te blijven is door internet te segmenteren. Iemand kan dan niet langer vanuit Rusland toegang krijgen tot de site van ABN Amro. Minder handig misschien, minder open, maar een stuk veiliger.

Een beknopte geschiedenis van het world wide web

1989 Tim Berners-Lee van CERN schrijft zijn voorstel voor wat later het World Wide Web is gaan heten.

1990 Berners-Lee schrijft zelf de eerste webbrowser: simpelweg WorldWideWeb genoemd. Een browser is nodig om de abstracte informatie van een webpagina om te zetten in iets leesbaars.

1991 Het WWW wordt voor het eerst gepresenteerd. Ditzelfde jaar komt de allereerste website ter wereld in de lucht, die van CERN.

1992 Website Nikhef online, de eerste Nederlandse site

1993 Mosaic ziet het licht, een van de eerste grafische webbrowsers. In 1994 volgt Netscape.

Marleen Stikker, oprichter De Digitale Stad en directeur De Waag Society

De komst van het www geeft Stikker een dubbel gevoel: ‘Het internet werd een stuk toegankelijker: het web was een gigantische doorbraak omdat het zo goed in elkaar zat. De andere kant van de medaille was dat het dus ook snel commercieel werd.’ En inmiddels is het web stuk. Omdat we van alle kanten worden afgeluisterd en omdat de grote techbedrijven onnoemelijke hoeveelheden geld verdienen met het verzamelen van data: surveillancekapitalisme. Net als Berners-Lee denkt Stikker dat het gemaakt kan worden, maar eenvoudig zal dat niet zijn. ‘We hebben het 25 jaar op zijn beloop gelaten en nu hebben we ook weer 25 jaar nodig om het te repareren.’ Via wetgeving allereerst: Europa heeft een begin gemaakt met de nieuwe privacywetgeving GDPR. En door gezonde alternatieven te stimuleren, zoals Duck Duck Go voor Google, ProtonMail voor Gmail of Signal voor WhatsApp.

Ook belangrijk volgens Stikker: het publiek moet ervan uit kunnen gaan dat in elk geval overheden netjes omgaan met zijn gegevens. En tot slot: schandalen als Cambridge Analytica helpen ironisch genoeg om bewustwording te kweken. ‘Het probleem is complex, maar zo’n optelsom zou kunnen werken.’ En voor Europa liggen er dan ook kansen, denkt Stikker: ‘We hebben de boot gemist in het hele spel van de grote techbedrijven. Dat gaan we ook niet meer winnen. Daarom moeten we een heel ander spel definiëren. Waarin niet het datagraaien en surveillancekapitalisme de boventoon voeren, maar democratische waarden.’

Meer over (de crisis van) het world wide web:

Godfather van het World Wide Web opent aanval op Google en Facebook

De eerste website van Nederland zag in 1992 het licht. Groene lettertjes tegen een zwarte achtergrond. Een historisch moment? ‘Ik vond het gewoon handig.’

‘Antichrist van Silicon Valley’ Andrew Keen wil de toekomst repareren

De aanval op grote techbedrijven lijkt ingezet, maar of hun macht zal afnemen blijft onzeker