De sporter en zijn wielen

Ook sporters maken gebruik van vervoermiddelen, en soms hebben die niets te maken met de sport waarin zij uitblinken. Fotograaf Klaas Jan van der Weij legt hun bewegingen vast. En onze sportverslaggevers tekenen hun drijfveren op.

Geert Schipper (handbiker) in  zijn omgebouwde bus

‘Mijn bus is mijn hotel, keuken, werkplaats en vervoermiddel ineen. Het gaat wat ver om te stellen dat het mijn tweede huis is, maar ik ben heel blij dat ik hem tijdens wedstrijden kan meenemen en niet al mijn spullen in een reiskoffer hoef te proppen. Hoe lang de bus is, weet ik niet precies. Maar het was de langste uitvoering die ze hadden.

‘De bus was een behoorlijke investering. Ik heb hem zelf aangeschaft en er voor meer dan 10 duizend euro aan verbouwd. Zo heeft de bus een elektrische rolluifel en geblindeerde ramen. Ook heb ik er een uitklapbaar bed in gebouwd.

‘Het keukentje, met koelkast, elektrische kookplaat en koffiezetapparaat, heb ik laten ontwerpen door een lokale meubelmaker. De ingebouwde accu wordt tijdens het rijden door de motor opgeladen.

‘Ik neem de bus gemiddeld vier keer per jaar mee naar een wedstrijd in het buitenland. Het is ideaal en scheelt mij veel hoge hotelkosten. Verder gebruik ik de bus dagelijks om te trainen en mijn kinderen naar school te brengen.

‘Het zal je niet verbazen, maar ik krijg veel reacties als ik onderweg ben. De knaloranje kleur en de namen van de sponsoren vallen op. Het nadeel van een in het oog springend voertuig is dat je je altijd keurig aan de regels moet houden. Je wilt je naam en die van je sponsoren niet te grabbel gooien.’

Windsurfer Dorian van Rijsselberghe op zijn Polaris Elektro pick-up, op het strand van Texel.

‘Ik rijd hier op het strand bij Paal 17 met dit elektrische wagentje van Mark, de eigenaar van de strandtent, een van mijn oudste sponsors. Als ik vol gas geef, gaat dat op de weg best snel. Maar op het strand rijd je met de aandrijving op alle wielen, dan gaat het een stuk langzamer. Maar milieuverantwoord.

‘Voorheen mocht ik met mijn Landrover Defender het strand van De Koog op, volgestouwd met mijn surfspullen. Ik had ontheffing van de gemeente, ik was net ereburger geworden en met toestemming van de eigenaar van Paal 17, Mark dus. Het was mijn eerste auto. Bouwjaar 1984. Ik kocht hem na de Olympische Spelen van Londen.

‘Die dieseltruck staat nu bij me thuis in Laguna Beach in Californië. Ik kon er geen afstand van doen en heb de wagen naar de VS verscheept. Mijn vrouw Sasha heeft zo’n grote Volvo. Daar rijden we mee. Mijn duurzame tegenbod bestaat uit een e-bike. Daarmee fiets ik in Laguna naar het strand.

‘Windsurfen is in principe een duurzame sport, omdat je alleen de wind nodig hebt om naar voren te bewegen. Maar alles eromheen is natuurlijk niet zo milieuverantwoord. Ik vlieg veel. Daarnaast is er de auto. De boot naar Texel is dan mijn gedeelte openbaar vervoer. Maar als we op een regatta zijn in Europa dan staat daar een Nederlands busje klaar. Van het watersportverbond. Bestuurd door een vrijwilliger, meestal Hans van den Berg. Met een trailer erachter. Want we hebben wat troep mee. Een coachboot, planken, zeilen, masten, gieken, pakken, foils. Dan is deze elektrische auto op Texel een soort van compensatie, net als mijn e-bike in Californië.’

Schaatser Patrick Roest op de Quad bij de boerderij van zijn vader.

Ik rijd met mijn quad niet door Heerenveen, nee. Ik rijd er alleen mee over het land van de boerderij van mijn ouders in Lekkerkerk. Mijn vader rijdt er ook vaker op dan ik. Ik ben tenslotte het merendeel van mijn tijd in Heerenveen. Maar als ik thuis ben en even kan helpen, dan stap ik erop.’

‘We gebruiken hem om de koeien naar binnen en buiten te brengen. Ze lopen best een eind weg. Ons land is best smal, maar loopt ver door. Als de koeien achteraan grazen, is dat al gauw een kilometer ver. Vroeger deden we dat lopend. Dit gaat zeker tien minuten sneller en dat twee keer per dag, zeven dagen per week. Dat scheelt.’

‘Ik heb hem vlak voor de zomer aangeschaft. Ik zit zelf ook in de maatschap. Hij is echt voor de boerderij bedoeld. Ik rijd er niet voor de lol op. Al kies ik bij mooi weer wel voor de quad en niet, zoals normaal, de auto om verderop de jonge kalfjes te voeren.’

‘Ik rijd er niet echt hard mee. Zo’n ding is best link in de bochten. Je kunt niet meeleunen en hij is best smal. Maar door het land rijdt het heel lekker omdat hij zo mooi geveerd is.’

Tienkamper Pieter Braun op zijn Suzuki.

‘Ik ben altijd al een adrenalinejunkie geweest. Ik groeide op met auto’s en snelle dingen. Dat was het enige waar mijn broer en ik het de hele dag over hadden. Toen ik 20 was, kocht ik een BMW. Best wel een stoere bak. Daarna wilde ik iets wat nog sneller was. Dan kom je al snel uit bij een motor. Dit gaat nog zoveel harder, is zoveel vetter. Ik denk dat mijn motor net zo snel accelereert als de snelste Lamborghini of Ferrari. Ze noemen dit een naked bike, het weegt helemaal niks, ziet er wat kaler uit en je kunt er makkelijk veel vermogen onder zetten. Je hoeft maar met je ogen te knipperen of je zit al op 300 kilometer per uur. Het voelt bijna alsof je in een achtbaan zit. Mijn coach vroeg of ik wel voorzichtig doe. Ik kijk wel uit. Als je met zo’n snelheid over een bobbeltje in de weg rijdt, word je gelanceerd en ben je klaar. Dat gevaar is natuurlijk ook de kick. Ik heb dat nodig, zeker als topsporter. Je leeft als een monnik. Ik ben zoveel bezig met eten, slapen, herstellen, niet drinken op feestjes. Als je dan ook nog stopt met de hobby’s waar je plezier uit haalt, is er geen kloot meer aan. Ik heb risicosporten altijd leuk gevonden. Wakeboarden, kitesurfen, mountainbiken, op wintersport gaan. Ik probeer het wel verantwoord te doen. Je hebt hier in de buurt mooie mountainbikeroutes. Daar zitten ook een paar flinke drops in. De echt gekke dingen doe ik niet. Ik doe wel trucjes, maar blijf aan de veilige kant. Je hoeft maar net schuin te landen en ik schuif op mijn plaat. Dan verzwik ik mijn pols en kan ik niet sporten. Ik geloof dat het goed is om andere sporten erbij te doen. Als ik niet eens een rondje kan mountainbiken, hoe moet ik dan een tienkamp doorkomen?’

Beachvolleybalster Sanne Keizer met haar tweeling Puk en Kees in de bakfiets.

‘Ik ben inderdaad een zogeheten bakfietsmoeder. Onze straat in Haarlem staat er vol mee. Met een gewone fiets hoor je er niet bij. Bij een stoplicht heb je soms een bakfietsfile, zoals we dat grappend noemen. Maar ik vind het een reuzenhandig ding.

Het is een tweedehands bakfiets. Ik ben van oudere dingen, het hoeft niet allemaal nieuw te zijn. De prijs? Ik denk iets van 500 euro. Vier jaar geleden hebben mijn man Michiel (Van der Kuip) en deze gekocht, voor de geboorte van onze tweeling Puk en Kees. Meisje en jongetje.

Het is een driewieler, met drie versnellingen, zo’n handvat dat je draait om te schakelen. Het is er met opzet niet een met twee wielen, die supersnelle dingen die je tegenwoordig ziet. Ik ben niet zo van het balanceren, dat is niet mijn talent. Onze Babboe is ook niet elektrisch aangedreven. Best zwaar fietsen dus, maar daar houd ik van. Naar het strand doe ik wel met deze bakfiets.

Het handige ten opzichte van de fiets met zitjes voor en achter is dat de kinderen zelf in de bak klimmen. En als we met zijn vieren de stad in gaan, dan ga ik ook in de bak zitten. Kan gemakkelijk. Dan doet Michiel het trapwerk. De kinderen gaan twee dagen per week naar de kinderopvang. Dan breng ik ze weg met de bakfiets.

De andere dagen hebben we een vaste oppas. Die gebruikt ’m ook. De bakfiets raakt op, er zal wel een nieuwe komen. Maar dan weer een met drie wielen en zonder elektro-aandrijving.

Naar de speeltuin pak ik met de tweeling soms de Mini Cabrio. En dan heb ik nog een motor, een Kawasaki Drifter, 1.500cc, zo eentje in oude Indian-stijl. Nee, geen zijspan joh. Dan rijd ik solo. In stijl, stuur hoog, met veel, heel veel leer.’

Sprinter Churandy Martina fietst op zijn BMX over een atletiekbaan van Sportcentrum Papendal.

‘Op Curaçao was BMX heel populair toen ik klein was. Ik had er ook eentje, een Mongoose. Ik had het frame gekocht en daarna zelf de onderdelen bij elkaar gescharreld. Zo maakte ik mijn eigen fiets.

‘We deden wedstrijdjes. Dan zochten we een heuvelachtige straat uit en sprintten van boven naar beneden. Wat zal het zijn geweest? Zo’n 200 meter, denk ik. De sprint was mijn wapen, maar er waren jongens die het veel beter konden. Snel gaan op trappers is anders dan hardlopen.

‘Nu rijd ik op een crossfiets die van oud-BMX’er Raymond van der Biezen is geweest. We waren ooit kamergenoten op Papendal. Ik gebruik hem bijna elke dag om mee naar de training te gaan.

‘Ik heb ook gewone fietsen, maar zolang het niet regent, rijd ik het liefst op de BMX. Ik ben dat van kinds af aan gewend en het is altijd leuk. Ik houd ervan om wheelies te doen, om die zolang mogelijk vol te houden.

‘Op Papendal ben ik een aantal keer op de BMX-baan geweest voor de nationale selectie kwam trainen. Natuurlijk is het eng als je van die startheuvel naar beneden kijkt, maar je doet het gewoon. Ik doe het niet zo vaak, want het is een gevaarlijke sport en ik ben natuurlijk met atletiek bezig.’

 Jorien ter Mors met haar nieuwe Yamaha Custom Bike.

‘Ik ben al heel lang geïnteresseerd in motoren. Het is een mooi stukje speelgoed, zelfs als je er niet op rijdt. Het was altijd al een droom van me om er eentje te laten bouwen.

‘Het is een omgebouwde Yamaha DragStar 1100, maar letterlijk alles eraan is aangepast. Alleen het motorblok is hetzelfde. En de spaken, maar die zijn wel anders gespoten.

‘Heel vaak rijd ik er niet op. Ik heb het druk met trainen en dan zitten lange ritten er niet in. Ik probeer bij mooi weer na trainingen nog wel korte toertjes te maken.

‘In de winter rijd ik niet. Dan is het veel te koud en ligt er overal pekel. Daarvan gaat de lak stuk. Hij gaat in de stalling en ik pak ’m pas weer in maart of april als het weer beter wordt.

‘Een bocht op een motor is niet te vergelijken met een bocht op het ijs. Op een sportmotor kun je nog wel een mooi bochtje rijden, maar deze nieuwe is daar veel te lomp voor.

‘In de zomer voor de Winterspelen ben ik onderuitgegaan op een sportmotor. Ik had zelf niets, maar mijn motor was total loss. Ik moest daarna wel even ergens doorheen toen ik weer op de motor stapte, maar dat is met alles zo.’

Shorttracker Sjinkie Knegt achter het stuur van zijn opgeknapte Dodge-camper uit 1976.

‘Ik gebruik deze camper vooral om mee naar autocrosswedstrijden te gaan. Dan zijn we een weekendje weg en slapen we erin. Er kunnen zes personen in.

Twee jaar geleden heb ik hem gekocht. Hij was niet in heel uitmuntende staat, om het zo maar te zeggen. Hij stond ergens boven Groningen en toen we hem ophaalden strandden we op een van de drukste kruispunten van de stad. Hij wilde geen kant meer op en ik had geen gereedschap meegenomen.

Dat het een oud ding was, wist ik. Het is een Dodge uit 1976. 43 jaar oud dus. Dat heeft zijn charme. Ik heb er zo’n vier maanden over gedaan om hem weer APK-klaar te krijgen. Nu brengt hij ons altijd op de juiste bestemming.

Hij is ideaal voor de autocross, want hij mag enorm veel gewicht trekken. Ik kan er een aanhanger met de crossauto en onderdelen aan koppelen. Dat zou bij de meeste moderne campers niet mogen.

Aan de binnenkant heb ik niet veel gedaan. Alleen het plafond hebben we vernieuwd. Het oude was verzakt doordat het dak lekte. Maar dat is het enige, verder is het allemaal heel old school.’

Beachvolleyballers Robert Meeuwsen (links) en Alexander Brouwer in een gesponsorde Mini.

Vorige week ging hij op de fiets naar het beachstadion van Scheveningen. Een thuiswedstrijd voor beachvolleyballer Alexander Brouwer, al jaren samenspelend met Robert Meeuwsen met als grootste succes de wereldtitel van 2013 in Polen. Maar normaal pakt hij de sponsorauto. ‘De Mini Countryman Cooper SE. De E staat voor elektrisch. Het is een hybride. Ik kan 40 kilometer op de batterij rijden. Dat is twee keer op en neer naar ons trainingscentrum in het Zuiderpark van Den Haag.’

Toen de twee Maxi-beachboys (1.98 en 2.07 meter) elk zo’n Mini met panoramadak kregen aangeboden, moesten ze deze wel even checken. ‘We wilden zien of we er met onze lengte fatsoenlijk in pasten, maar dat bleek geen enkel probleem. We zitten wat hoger, de stoel op de achterste stand, dat past prima’, zegt Brouwer.

Meestal vliegen ze naar verre toernooien, maar de WK van deze zomer in Hamburg waren haalbaar met de Mini. ‘We hadden een pitstop in Groningen, bij mijn ouders. Daarna via Oldenburg en Bremen naar Hamburg. Konden we op de Autobahn de auto even uitproberen. Nee, je krijgt geen maximumsnelheden van ons.’

Meeuwsen heeft de Mini, zonder Cooper en zonder SE. Cooper was vroeger de rally-uitvoering van het kleine Britse autootje dat nu door BMW wordt vervaardigd, deels bij VDL in Borne. Het karretje (‘best lang hoor in deze uitvoering’) voldoet ook in het gezinsleven. Boodschappen inladen achterin is gemakkelijk. ‘Je voet onder de bumper doorhalen en de sensor zorgt dat de achterklep opent. Kind in de Maxi-Cosi, ook prima.’

Epke Zonderland rijdt zijn Volkswagen Touareg geregeld door de wasstraat.

‘Ik kreeg na de Olympische Spelen van Londen een persoonlijk contract met Pon, de importeur van Volkswagen in Nederland. Ik reed altijd Golfjes, prima auto’s hoor, niks mis mee, maar dit voorjaar kwam het idee om een grotere wagen te gaan rijden. Zal of door mijn manager, Johan Boesjes, of door Pon zelf geopperd zijn, maar het is deze Volkswagen Touareg geworden, de grootste SUV die zij hebben.

‘Ik vind de kleur erg mooi, de grille is stoer, het witte leer en het dashboard zijn ook bijzonder. Maar het beste is natuurlijk de ruimte in de auto. Als we in het verleden met drie turners, Rick Jacobs, Michel Bletterman en ik, plus coach Daniël Knibbeler en de fysiotherapeut naar Schiphol reden, dan karden we met twee auto’s achter elkaar aan. Nu kan alles, zelfs al die spullen van de fysio, in deze ene auto. Hij heeft een enorme ruimte.

‘Het heeft er ook mee te maken dat Linda en ik sinds de geboorte van Bert een gezinnetje vormen. Meer ruimte achterin is dan ook lekker. Deze zomer deed ik een trainingskamp in Hoofddorp en dan reed Linda door met de kleine naar Zandvoort, voor een dagje aan zee.

‘Ik ben gemiddeld geïnteresseerd in auto’s. Nee, ik ben geen Sjinkie Knegt. Ik zal niet snel onder de motorkap gaan kijken, wat daar allemaal huist. Ik weet bijvoorbeeld niet eens of deze auto vierwiel aangedreven is. Je krijgt instellingen op je dashboard van off-road, comfort of sneeuw. Maar ik zou het eens moeten checken hoe de wagen wordt aangedreven.

‘Ja, ik rijd hem geregeld door de wasstraat. Nee, dat moet niet van mezelf. Maar hij is natuurlijk nog erg mooi. En anders vindt Johan dat ik dat moet doen. Zo’n mooie wagen moet er natuurlijk keurig uitzien. Ik ben er heel blij mee. In ons contract staan mijn tegenprestaties omschreven. Zo heb ik een nieuw pand geopend. Of doe ik een presentatie. Maar alles in het redelijke, de sport mag niet in de knel komen.’