De metende mens

De laatste twee decennia is de mens zijn omgeving steeds nauwkeuriger gaan bekijken, uit toenemende bezorgdheid over de natuur. In een korte serie volgt Hans van der Meer de wereld van het meten en monitoren in Nederland.

Een symfonie van vissengeluid - Tiel

Het ziet eruit alsof een sportvisser beet heeft aan twee dobbers tegelijkertijd. Maar wetenschapper Baudewijn Odé hengelt niet naar vissen, hij hengelt naar het geluid van vissen. Hij heeft zojuist twee hydrofoons, oftewel onderwatermicrofoons, in het water van de Waal bij Tiel laten zakken. In zijn linkerhand houdt hij een recordertje.

‘Om vissen te horen, moet je hier niet overdag gaan staan, dan houden ze zich gedeisd. ’sAvonds heb je meer kans om wat op te vangen’, zegt Odé.

Het maken van geluiden doen ze voornamelijk met de zwemblaas, de blaas waarmee ze ook kunnen drijven op een bepaalde hoogte. Daar zitten spieren omheen die op die blaas kunnen trommelen. Maar er zijn ook vissen die iets doen met de harde onderdelen, dus met hun graten of hun vinnen.

Geluiden ‘horen’ ze via sensorische haarcellen, waarbij het inwendige binnenoor de hogere frequenties registreert en het zogeheten zijlijn-systeem de lagere. Die zijlijn loopt van de kieuw tot de staart en is soms duidelijk te zien.

Dat bepaalde vissoorten communiceren via geluiden weten we al een tijdje. Maar met welke geluiden ze wat bedoelen, daar weten we nog maar weinig van. Odé hoopt hier met zijn onderzoek meer over te weten te komen.

Veel van dit soort onderzoeken vinden plaats in laboratoria. Baudewijn Odé gaat liever andersom te werk. ‘Ik ga eerst luisteren en dan zoek ik in de wetenschappelijke literatuur wat ik heb gehoord. Is dat al beschreven?’ Met een groepje vrijwilligers van de Ravon, een kennisorganisatie voor reptielen, amfibieën en vissen, deed hij eerder onderzoek naar het geluid van de kwabaal. Dat is een zeldzame kabeljauwachtige zoetwatervis, die alleen in de Vinkeveense Plassen en op een paar plekken langs de IJssel voorkomt.

‘Wij gebruiken nu kwabaalgeluid om te achterhalen waar de alen precies zitten. De kwabaal is een verborgen levende vis die slecht te vangen is en ondanks alle moderne technieken moeilijk te vinden. Laat staan dat je weet hoeveel beesten er zijn. Met geluid kun je de stand van de vis redelijk goed inventariseren. Met het opvangen van geluid kun je dus echt kennis vergaren die een wetenschappelijk nut heeft.’

Rivieren zijn ooit ontstaan om water af te voeren. Nu zijn het ook waterwegen waarover wij onze goederen vervoeren. De motor van zo’n passerend binnenvaartschip veroorzaakt een oorverdovend lawaai onder water, waar geluid vijf keer zo ver draagt als boven water. Dat dit stress veroorzaakt bij vissen staat intussen wel vast. Ook deze dieren zijn sensibeler dan wij dachten.

Mensen zeggen vaak dat vissen zo lekker rustgevend is, waardoor hun stress verdwijnt. Misschien is dit een idee voor diervriendelijker vissen, je kunt lekker aan de waterkant blijven zitten. Doe alleen geen haak aan je hengel, maar een klein onderwatermicrofoontje. Een ga eens rustig luisteren naar wat die vissen elkaar te vertellen hebben.

In contact met de eiken - Tilburg

De laatste twee decennia is de mens zijn omgeving steeds nauwkeuriger gaan bekijken, uit toenemende bezorgdheid over de natuur. In een korte serie volgt Hans van der Meer de wereld van het meten en monitoren in Nederland.

Van afstand zou je kunnen denken dat iemand een kinderwagen voor zich uit duwt. Maar waarom zou een man in een fluorescerend oranje pak met een Bugaboo over straat lopen? Dat dit raadselachtige voertuig een boomwortelscanner is, daar kom je niet op.

Deze Tilburgse openbare ruimte wordt binnenkort heringericht, hier gaat de boel flink op de schop. De flats links in beeld zijn gebouwd rond 1956. De eiken in het perk zijn bij de oplevering geplant en ongeveer 65 jaar oud. Om te kunnen zien of deze bomen de herinrichting goed doorstaan, worden ze gemonitord. Van cruciaal belang daarbij is niet wat er boven de grond is te zien, maar wat eronder. Die wortels lopen door onder het asfalt, maar dankzij dit apparaat hoef je dat niet open te breken. De officiële benaming ervan is een GPR. Een Ground Penetrating Radar, oftewel een grondradar. Die oranje doos onderin is een antenne, in dit geval een van 400 megaherz. Hij geeft een radarbeeld tot maximaal 2,5 meter diep, afhankelijk van de ondergrond. Het is een zogenoemde lijnmeter, er wordt recht naar beneden gemeten. Om de bodem in kaart te brengen, moet je dus als het ware steeds lijnen trekken. Het radarbeeld dat op een scherm is af te lezen, kun je het best vergelijken met een echo.

Er wordt op deze manier heel wat onder de grond gekeken in ons land, niet alleen om boomwortels te traceren. Er schuilt van alles onder het oppervlak: kabels; leidingen; rioolpijpen; oude funderingen; kelders; bommen; etc. Er zijn zelfs apparaten waarmee we de bodem onder het wateroppervlak kunnen scannen. Wij Nederlanders schijnen wereldwijd sowieso over de meeste meetgegevens te beschikken per vierkante kilometer leefomgeving, of het nu de bodem is, de biodiversiteit of onze lucht- dan wel waterkwaliteit.

In bosgebieden vormen bomen een leefgemeenschap, weten we nu. Ze geven via een ‘wood-wide-web’ van schimmels onder de grond berichten door waarmee ze elkaar waarschuwen en helpen. Het gekke van nieuwe inzichten en kennis is dat je meteen anders gaat kijken. Wanneer ik een boom alleen zag midden op een open veld, dacht ik altijd: wat een prachtig beeld. Maar nu denk ik: wat een eenzaam bestaan.

Ook deze eiken staan niet in een bos, maar in een Tilburgse woonwijk. Kan zo’n strak rijtje bomen een leefgemeenschap vormen? Dat lijkt een onzinnige vraag. Volg je de prikkelende ethische discussies zoals via Parliament of things, dan beweegt onze moraal die kant op. Dan gaan we niet alleen dieren hun recht op zelfbeschikking teruggeven, maar straks ook bomen en planten. Uit zichzelf zouden die eiken nooit zo netjes op een rijtje zijn gaan staan.

Met de huidige stand van de techniek is het al mooi dat we de wortels van deze eiken kunnen ontzien bij graafwerkzaamheden. Het lot van bomen ligt voorlopig nog in onze handen.

Op zoek naar bevergeur - Kekerdom

Deze ochtend zijn zo'n vijftig mannen en vrouwen met rugzakken, wandelschoenen en verrekijkers bijeengekomen in een zaaltje achter Café De Wildernis in het Gelderse Kekerdom. Ze zijn vrijwilliger in het meetprogramma van Calutra, een samentrekking van de Latijnse namen Castor fiber (bever) en Lutra lutra (otter); een werkgroep van de Zoogdiervereniging. De meesten kennen elkaar en houden zich al jaren bezig met natuurwaarnemingen. Voor de lunchpauze is er een programma met gastsprekers, daarna trekt het gezelschap in groepjes de Gelderse Poort in. Een natuurgebied waar in 1994 de bever is geherintroduceerd en waar de stand van zaken wordt bijgehouden.

De dames op hun knieën ruiken aan kleine hoopjes waarop bevers geurvlaggen achterlaten. Met geurvlaggen laten dieren boodschappen achter die voor de soort allerlei informatie bevatten, variërend van scheer je weg tot contactadvertenties. Nou laat een bever heel wat zichtbare sporen achter, ze maken burchten en dammen van enorme stapels takken, knagen flinke boomstammen door en je komt overal kaal gevreten takken tegen. Dus je hoeft niet per se op de grond te knielen om beverfamilies te spotten.

Waar we hier naar kijken, is de mens die leert verschillende geuren van dieren te onderscheiden. Dieren zijn daar zelf oneindig veel beter in, maar door oefening kunnen wij ook een aardig eind komen. Het begint met aan geurvlaggen van zoogdieren als vossen, bevers, otters of tegenwoordig ook wolven te ruiken. Zodat je vervolgens die lucht in je geurgeheugen kunt opslaan. Van die imprint maak je gebruik om soorten te kunnen onderscheiden.

Daarvoor moet je dus eerst je neus dicht bij uitwerpselen of urine positioneren. Of bij een markering die via een speciale klier is achtergelaten. Onder andere bevers beschikken over zo'n klier, waarmee ze op kleine hoopjes modder en vegetatie wat bevergeil deponeren. Een mensenneus kan de precieze boodschap van een geurvlag niet ontcijferen, maar een van de vrijwilligsters vertelt dat ze lopend in een bos wel de aanwezigheid van een vos heeft leren ruiken. Overigens hebben vrouwen een beter reukgeheugen dan mannen.

Nadat in 1826 de laatste beverfamilie in Nederland was uitgeroeid, werd de soort in 1988 met redelijk succes geherintroduceerd. De laatste jaren halen ze vooral in Limburg nogal eens het nieuws, met bevercalamiteiten als graafschade en ongewenste dammen in waterlopen. Al is calamiteit wellicht te sterk uitgedrukt als het gaat over die dammen. Die kunnen zelfs een positieve nevenwerking hebben vanwege het vasthouden van water en een verrijking brengen met het oog op de biodiversiteit.

Maar deze serie gaat niet over bevers. Die gaat over de mens, hoe wij aan de hand van waarnemingen greep proberen te krijgen op door eigen toedoen veroorzaakte menscalamiteiten.

Net als dieren gebruikten wij duizenden jaren onze zintuigen om te kunnen overleven. Het zijn skills die we ergens onderweg zijn kwijtgeraakt en nu op onze knieën proberen terug te vinden.