De metende mens

De laatste twee decennia is de mens zijn omgeving steeds nauwkeuriger gaan bekijken, uit toenemende bezorgdheid over de natuur. In een korte serie volgt Hans van der Meer de wereld van het meten en monitoren in Nederland.

Een dode boom vol leven

Hoe is die boom daar terechtgekomen? Al het water dat via rivieren eeuwenlang ons land passeerde, op zoek naar het laagste punt, nam onderweg weleens een boom mee. Soms een heel stuk bos langs een oever. Ook waaiden er door een vliegende storm bomen langs oevers om, die bleven dan half in het water liggen.

Totdat wij de boel gingen opruimen. De mens heeft alles wat hem in de weg zat, verwijderd. Voor de veiligheid van de scheepvaart, maar ook vanwege de doorstroom. Veel verbindingen zoals kanalen en grachten zijn kale bakken waarin een natuurlijke structuur ontbreekt.

Maar ecosystemen beperken zich niet tot de bovengrondse wereld, daar zijn we intussen wel achter. Het leven onder de grond, het bodemleven, kreeg na jarenlange veronachtzaming om die reden recent al meer aandacht. Nu is ook Nederland onder het wateroppervlak aan de beurt, een niet gering deel van ons oppervlak.

Sinds we niet meer van alles lozen via de riolering is het water wel een stuk schoner. Maar de waterbiodiversiteit kan beter. Hout is belangrijk voor de levenscyclus van vissen. Er groeit van alles op en jonge vissen kunnen zich er makkelijk verschuilen.

Op diverse plekken in Nederland vinden experimenten plaats, waarbij onder water structuur wordt aangebracht. Dit houten kadaver ligt in een vertakking van de IJssel. Het is daar niet door een vliegende storm terechtgekomen. Rijkswaterstaat heeft het daar neergelegd en aan de bodem vastgemaakt. Bij een hoge waterstand in de rivier verdwijnt hij onder water.

Zo’n ingreep vraagt om een goed onderbouwd verhaal. Vandaar dat we de soorten die zich onder water op en rond de boom ontwikkelen, willen monitoren en meten. De twee mannen die met deze taak zijn belast, doen dat met behulp van een onderwaterstofzuiger. Niet een die je in een winkel of online kunt kopen, maar een door Bureau Waardenburg zelfbedacht eenvoudig apparaat. Een pvc-pijp met aan één uiteinde een pomp die water aanzuigt. Via een T-stuk wordt het water naar binnen gezogen. Door een vernauwing gebeurt dat rustig, zonder dat veel schade wordt toegebracht aan kleine beestjes. Aan het eind van de buis worden die opgevangen in een soort schepnet dat dienstdoet als stofzuigerzak. Het net wordt af en toe geleegd in een ton die drijft in een rubberen band. De inhoud wordt door onderzoekers vergeleken met wat er van de stenen die langs de oever liggen, wordt opgezogen. Zo hopen zij iets te weten te komen over het belang van hout op de rivierbodem.

Het is veelzeggend voor allerlei situaties rond natuurherstel. De voortvarendheid waarmee wij de wereld naar onze hand hebben gezet, blijkt nu toch niet zo’n goed idee. Om de problemen op te lossen, moet er iets worden teruggedraaid. Wat ooit was opgeruimd, wordt weer netjes teruggelegd. De mens als spijtoptant.

Achteruit is soms de enige manier om vooruit te komen. Vooral op een doodlopende weg.

Een tubetje lijm en een zender - Eempolder

Tien minuten eerder stapte deze metende mens voorzichtig door het weiland, zwaaiend met de antenne die daar nu achter hem in het gras ligt. Uit de ontvanger die hij in zijn andere hand hield, klonk een piepsignaal, boven hem kabaal van panikerende kievit-ouders.

In het voorjaar gaat Frank Majoor van vogeltellersvereniging Sovon twee tot driemaal per week er vroeg opuit om in de Eempolder zo veel mogelijk jonge kieviten op te sporen. Hij houdt dan vijfentwintig families in de gaten, bij twee van de vier jongen per familie wordt kort nadat ze uit het ei zijn gekropen een piepklein zendertje op de rug geplakt.

Kieviten zijn kwetsbare vogels. Waar de meeste weidevogels in het veld nog iets van begroeiing zoeken, deponeert een kievit haar vier eieren liefst op een net ingezaaide akker of op open plekken in graslanden. Als er maar van alle kanten zicht is op de omgeving. Ze maken een kuiltje en bekleden de rand van het nest met wat strootjes. Vrouwtjes broeden de meeste tijd, mannetjes nemen het af en toe over. Vanuit de lucht wordt de boel goed in de gaten gehouden. Zijn de jongen uit het ei gekropen, dan duurt het nog een week of vijf voordat ze een vliegbrevet hebben. Het zijn nestvlieders, ze verlaten vanaf dag één het nest, en moeten zelf hun kostje bij elkaar scharrelen. Beschutting zoeken ze in die kwetsbare periode tussen wat hoger gras, vaak in een slootkant.

Ook de jonge kievit die Frank hier vasthoudt, hield zich daar ergens schuil. Het signaal uit Franks antenne klonk steeds luider en zijn bewegingen werden nog behoedzamer, een verkeerde stap kan fataal zijn. Nadat hij het beestje eindelijk had ontdekt, tilde hij het voorzichtig met één hand uit het gras en sprak het geruststellend toe. Met de andere hand haalde hij uit de meegetroonde boodschappentas een schuifmaat, een tubetje lijm en pen en papier.

Vleugeltjes, snavellengte en gewicht werden gemeten en zorgvuldig genoteerd. Het minuscule zendertje op het ruggetje zat een beetje los, daarom deed Frank er nog een kwakje lijm onder. Uiteindelijk zette hij het vogeltje weer in het gras, waarna het meteen een goed heenkomen zocht en de ongeruste ouders in de lucht liet weten dat alles in orde was.

In de Eempolder tussen het Gooi en Amersfoort wordt door Collectief Eemland en de boeren geprobeerd de dramatisch teruglopende kievitenstand een halt toe te roepen. Er is een aantal plasdrasgebieden ingericht en boeren houden in het maaiseizoen rekening met broedsels. Maar volgens Majoor is dat niet genoeg: ‘Kijk, voor de grutto kun je een reservaat inrichten, waterpeil omhoog en laat maaien en je hebt al succes bij wijze van spreken. Maar voor kieviten lukt dat niet. Een kievit-land ziet er totaal anders uit dan een grutto-land, ze zitten veel verspreider. Meer op akkers en gemaaid gras, ze zijn veel kwetsbaarder voor predatie en voor boerenwerkzaamheden. Ze krijgen gewoon te weinig jongen om de populatie in stand te houden.’

De ongeruste mens maakt zich zorgen over de natuur. Hij meet, verzamelt data en ziet dat het met in dit geval de kieviten de verkeerde kant opgaat. En zo wordt de metende mens steeds vaker de waarschuwende mens.

De migratiebarrière - Katwijk

Eeuwenlang bouwden wij dammen om ons te beschermen en de waterhuishouding te optimaliseren. Met de nadruk op ons. Vanuit dierperspectief gezien zijn dit soort Hollandse waterwerken migratiebarrières. Daar is de mens sinds kort achter, ze worden nu als een van de oorzaken gezien van de dramatische achteruitgang van de palingstand.

De paling oftewel aal is een raadselachtig dier waar wij nog altijd het fijne niet vanweten. Jonge palingen die opgroeien in onze binnenwateren blijven minimaal zeven jaar hier. Dan zwemmen ze om zich voort te planten de zesduizend kilometer terug naar de paaigronden waar ze ooit vandaan kwamen: de Sargassozee bij Bermuda. De larven ontwikkelen zich tot glasaaltjes die vervolgens weer op reis gaan naar kustgebieden, op zoek naar zoet water. In dat eerste levensstadium zijn ze doorzichtig, vandaar de naam. Bij het oversteken van de Atlantische Oceaan vergroot die doorzichtigheid hun levenskansen.

Na twee jaar bereiken ze met behulp van de warme golfstroom onze kuststreken. Ze zijn dan zo’n 6 tot 7centimeter en ruiken het zoete water van rivieren die in zee uitmonden. Deze levenscyclus hebben ze al miljoenen jaren. Maar sinds een paar honderd jaar stuiten ze op deze dam in Katwijk aan Zee, en andere door de mens opgeworpen barrières.

Totdat hier in 1806 de eerste sluis werd gebouwd, konden glasaaltjes ongehinderd doorzwemmen in wat nu de Oude Rijn is. In 1954 werd die verouderde ingreep nog eens grondig overgedaan, om de waterstand in de provincie Zuid-Holland nog beter te reguleren. Daardoor werd deze wand een niet te nemen hindernis voor de glasaal en andere vissoorten. Pas bij de laatste renovatie van 2011 werd er een vispassage toegevoegd. (zie op YouTube het filmpje van het Hoogheemraadschap Rijnland hoe dit werkt.)

Vanwege de dramatische achteruitgang van de palingstand werd in 2007 de Europese Aalverordening van kracht. Er worden de laatste jaren overal vispassages aangebracht in sluizen en dammen om de in- en uittrek van vissoorten te bevorderen.

Om te kijken of dat werkelijk effect heeft, moet er worden gemeten. De constructie waarop de twee mannen staan, is een glasaaldetector, een innovatie van het Bureau Waardenburg. Door de slang die links uit de wand komt, stroomt zoet rivierwater in de glijbaan, rechts onder de witte bak is nog net een stukje daarvan te zien. Omdat de glasaaltjes op zoek zijn naar zoet water werken ze zich omhoog via een canvas in de glijbaan. Zijn ze bovenaan, dan vallen ze in een bassin onder die witte bak. Daar kunnen ze niet uit. Ze worden geteld en daarna weer teruggezet.

Op diverse plekken langs de kust en landinwaarts worden in het voorjaar glasaaltjes op bepaalde dagen gemerkt met een kleur. Zo komen wij niet alleen iets te weten over de aantallen van deze wonderbaarlijke dieren, maar ook over de route die ze afleggen. Eindelijk bieden wij palingen op zoek naar hun leefomgeving weer een opening. Nu maar hopen dat het tij nog te keren is.

Mast voor ammoniak - Nederhorst den Berg

De mens gelooft weliswaar niet alles wat hij ziet, hem overtuigen van iets wat hij níét ziet, is een stuk moeilijker. Terwijl nogal wat zaken die ons bedreigen onzichtbaar zijn, zoals CO2-uitstoot, fosfaatoverschrijding en methaanemissie.

Stikstofneerslag past ook in dat rijtje. De oorzaak mag dan onzichtbaar zijn, de gevolgen van die neerslag zijn goed te zien. In van oorsprong schrale gebieden zoals duinen en heidevelden groeit van alles, denk aan brandnetels en grassen, maar juist soorten die voor bijzondere ecosystemen onmisbaar zijn verdwijnen.

Om de ecosystemen te beschermen moet de stikstofbelasting in onze natuurgebieden daarom omlaag. De daarvoor bedachte PAS-regeling (Programma Aanpak Stikstof) is inmiddels teruggefloten, bouwprojecten liggen stil, vergunningen worden niet meer verleend. Een van de grootste boosdoeners is de ammoniak-emissie uit mest. Ammoniak is een verbinding van waterstof en stikstof, het komt vrij via bemesting van landbouwgrond, eenmaal in de lucht slaat het neer. Op de bodem wordt het door bacteriën omgezet in nitraat, een verbinding van zuurstof en stikstof, die weer verzurend werkt voor planten.

Ammoniakneerslag heeft zodoende effect op de totale stikstofneerslag, oftewel depositie. Die totale neerslag wordt niet gemeten, maar door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) via modellen berekend. Hierover zegt het RIVM: ‘Het is gewoon te duur en ondoenlijk om een landsdekkend beeld te maken op basis van metingen alleen. Daarnaast kan met concentratie- en depositiemetingen uiteraard geen directe link worden gelegd met de bronnen, en niet worden bepaald hoe effectief maatregelen zullen zijn. Dat kan met rekenmodellen wel.’

Het neerslaan van ammoniak kan wel worden gemeten, dat gebeurt op verschillende manieren. De mast op de foto wordt gebruikt voor het meten van de zogeheten droge ammoniakneerslag via de lucht. Er staan er nu drie in natuurgebieden, op ruime afstand van landbouwgrond. Dat zijn er niet veel, de metingen worden vooral gebruikt om de rekenmodellen te verifiëren. In de twee groene kasten die op verschillende hoogte aan de mast hangen, wordt de ammoniakconcentratie gemeten door lucht via buizen aan te zuigen. In de buizen zit een zure laag waar ammoniak een reactie mee aangaat. Iedere maand worden die verwisseld en naar een laboratorium van TNO gebracht om de concentratie te meten. Het verschil tussen de bovenste en onderste kast geeft de neerslag weer. In combinatie met meteorologische data wordt de depositie berekend, vandaar die windmeter boven op de mast.

Een keer per maand zet een medewerker van het RIVM een ladder tegen de mast en klimt naar boven om gegevens te noteren en buizen om te wisselen. Soms klimt hij nog even verder naar de top om de windmeter schoon te maken. Het is daarbovenop een ideale plek voor roofvogels, ze kunnen het hele terrein overzien. Intussen poepen ze wel de windmeter onder, die daardoor soms niet goed meer werkt.

Het lijkt zo wel of die onverstoorbare vogels schijt hebben aan problemen die de mens veroorzaakt in de natuur. Dat kunnen wij ons niet meer veroorloven.

Een symfonie van vissengeluid - Tiel

Het ziet eruit alsof een sportvisser beet heeft aan twee dobbers tegelijkertijd. Maar wetenschapper Baudewijn Odé hengelt niet naar vissen, hij hengelt naar het geluid van vissen. Hij heeft zojuist twee hydrofoons, oftewel onderwatermicrofoons, in het water van de Waal bij Tiel laten zakken. In zijn linkerhand houdt hij een recordertje.

‘Om vissen te horen, moet je hier niet overdag gaan staan, dan houden ze zich gedeisd. ’sAvonds heb je meer kans om wat op te vangen’, zegt Odé.

Het maken van geluiden doen ze voornamelijk met de zwemblaas, de blaas waarmee ze ook kunnen drijven op een bepaalde hoogte. Daar zitten spieren omheen die op die blaas kunnen trommelen. Maar er zijn ook vissen die iets doen met de harde onderdelen, dus met hun graten of hun vinnen.

Geluiden ‘horen’ ze via sensorische haarcellen, waarbij het inwendige binnenoor de hogere frequenties registreert en het zogeheten zijlijn-systeem de lagere. Die zijlijn loopt van de kieuw tot de staart en is soms duidelijk te zien.

Dat bepaalde vissoorten communiceren via geluiden weten we al een tijdje. Maar met welke geluiden ze wat bedoelen, daar weten we nog maar weinig van. Odé hoopt hier met zijn onderzoek meer over te weten te komen.

Veel van dit soort onderzoeken vinden plaats in laboratoria. Baudewijn Odé gaat liever andersom te werk. ‘Ik ga eerst luisteren en dan zoek ik in de wetenschappelijke literatuur wat ik heb gehoord. Is dat al beschreven?’ Met een groepje vrijwilligers van de Ravon, een kennisorganisatie voor reptielen, amfibieën en vissen, deed hij eerder onderzoek naar het geluid van de kwabaal. Dat is een zeldzame kabeljauwachtige zoetwatervis, die alleen in de Vinkeveense Plassen en op een paar plekken langs de IJssel voorkomt.

‘Wij gebruiken nu kwabaalgeluid om te achterhalen waar de alen precies zitten. De kwabaal is een verborgen levende vis die slecht te vangen is en ondanks alle moderne technieken moeilijk te vinden. Laat staan dat je weet hoeveel beesten er zijn. Met geluid kun je de stand van de vis redelijk goed inventariseren. Met het opvangen van geluid kun je dus echt kennis vergaren die een wetenschappelijk nut heeft.’

Rivieren zijn ooit ontstaan om water af te voeren. Nu zijn het ook waterwegen waarover wij onze goederen vervoeren. De motor van zo’n passerend binnenvaartschip veroorzaakt een oorverdovend lawaai onder water, waar geluid vijf keer zo ver draagt als boven water. Dat dit stress veroorzaakt bij vissen staat intussen wel vast. Ook deze dieren zijn sensibeler dan wij dachten.

Mensen zeggen vaak dat vissen zo lekker rustgevend is, waardoor hun stress verdwijnt. Misschien is dit een idee voor diervriendelijker vissen, je kunt lekker aan de waterkant blijven zitten. Doe alleen geen haak aan je hengel, maar een klein onderwatermicrofoontje. Een ga eens rustig luisteren naar wat die vissen elkaar te vertellen hebben.

In contact met de eiken - Tilburg

De laatste twee decennia is de mens zijn omgeving steeds nauwkeuriger gaan bekijken, uit toenemende bezorgdheid over de natuur. In een korte serie volgt Hans van der Meer de wereld van het meten en monitoren in Nederland.

Van afstand zou je kunnen denken dat iemand een kinderwagen voor zich uit duwt. Maar waarom zou een man in een fluorescerend oranje pak met een Bugaboo over straat lopen? Dat dit raadselachtige voertuig een boomwortelscanner is, daar kom je niet op.

Deze Tilburgse openbare ruimte wordt binnenkort heringericht, hier gaat de boel flink op de schop. De flats links in beeld zijn gebouwd rond 1956. De eiken in het perk zijn bij de oplevering geplant en ongeveer 65 jaar oud. Om te kunnen zien of deze bomen de herinrichting goed doorstaan, worden ze gemonitord. Van cruciaal belang daarbij is niet wat er boven de grond is te zien, maar wat eronder. Die wortels lopen door onder het asfalt, maar dankzij dit apparaat hoef je dat niet open te breken. De officiële benaming ervan is een GPR. Een Ground Penetrating Radar, oftewel een grondradar. Die oranje doos onderin is een antenne, in dit geval een van 400 megaherz. Hij geeft een radarbeeld tot maximaal 2,5 meter diep, afhankelijk van de ondergrond. Het is een zogenoemde lijnmeter, er wordt recht naar beneden gemeten. Om de bodem in kaart te brengen, moet je dus als het ware steeds lijnen trekken. Het radarbeeld dat op een scherm is af te lezen, kun je het best vergelijken met een echo.

Er wordt op deze manier heel wat onder de grond gekeken in ons land, niet alleen om boomwortels te traceren. Er schuilt van alles onder het oppervlak: kabels; leidingen; rioolpijpen; oude funderingen; kelders; bommen; etc. Er zijn zelfs apparaten waarmee we de bodem onder het wateroppervlak kunnen scannen. Wij Nederlanders schijnen wereldwijd sowieso over de meeste meetgegevens te beschikken per vierkante kilometer leefomgeving, of het nu de bodem is, de biodiversiteit of onze lucht- dan wel waterkwaliteit.

In bosgebieden vormen bomen een leefgemeenschap, weten we nu. Ze geven via een ‘wood-wide-web’ van schimmels onder de grond berichten door waarmee ze elkaar waarschuwen en helpen. Het gekke van nieuwe inzichten en kennis is dat je meteen anders gaat kijken. Wanneer ik een boom alleen zag midden op een open veld, dacht ik altijd: wat een prachtig beeld. Maar nu denk ik: wat een eenzaam bestaan.

Ook deze eiken staan niet in een bos, maar in een Tilburgse woonwijk. Kan zo’n strak rijtje bomen een leefgemeenschap vormen? Dat lijkt een onzinnige vraag. Volg je de prikkelende ethische discussies zoals via Parliament of things, dan beweegt onze moraal die kant op. Dan gaan we niet alleen dieren hun recht op zelfbeschikking teruggeven, maar straks ook bomen en planten. Uit zichzelf zouden die eiken nooit zo netjes op een rijtje zijn gaan staan.

Met de huidige stand van de techniek is het al mooi dat we de wortels van deze eiken kunnen ontzien bij graafwerkzaamheden. Het lot van bomen ligt voorlopig nog in onze handen.

Op zoek naar bevergeur - Kekerdom

Deze ochtend zijn zo'n vijftig mannen en vrouwen met rugzakken, wandelschoenen en verrekijkers bijeengekomen in een zaaltje achter Café De Wildernis in het Gelderse Kekerdom. Ze zijn vrijwilliger in het meetprogramma van Calutra, een samentrekking van de Latijnse namen Castor fiber (bever) en Lutra lutra (otter); een werkgroep van de Zoogdiervereniging. De meesten kennen elkaar en houden zich al jaren bezig met natuurwaarnemingen. Voor de lunchpauze is er een programma met gastsprekers, daarna trekt het gezelschap in groepjes de Gelderse Poort in. Een natuurgebied waar in 1994 de bever is geherintroduceerd en waar de stand van zaken wordt bijgehouden.

De dames op hun knieën ruiken aan kleine hoopjes waarop bevers geurvlaggen achterlaten. Met geurvlaggen laten dieren boodschappen achter die voor de soort allerlei informatie bevatten, variërend van scheer je weg tot contactadvertenties. Nou laat een bever heel wat zichtbare sporen achter, ze maken burchten en dammen van enorme stapels takken, knagen flinke boomstammen door en je komt overal kaal gevreten takken tegen. Dus je hoeft niet per se op de grond te knielen om beverfamilies te spotten.

Waar we hier naar kijken, is de mens die leert verschillende geuren van dieren te onderscheiden. Dieren zijn daar zelf oneindig veel beter in, maar door oefening kunnen wij ook een aardig eind komen. Het begint met aan geurvlaggen van zoogdieren als vossen, bevers, otters of tegenwoordig ook wolven te ruiken. Zodat je vervolgens die lucht in je geurgeheugen kunt opslaan. Van die imprint maak je gebruik om soorten te kunnen onderscheiden.

Daarvoor moet je dus eerst je neus dicht bij uitwerpselen of urine positioneren. Of bij een markering die via een speciale klier is achtergelaten. Onder andere bevers beschikken over zo'n klier, waarmee ze op kleine hoopjes modder en vegetatie wat bevergeil deponeren. Een mensenneus kan de precieze boodschap van een geurvlag niet ontcijferen, maar een van de vrijwilligsters vertelt dat ze lopend in een bos wel de aanwezigheid van een vos heeft leren ruiken. Overigens hebben vrouwen een beter reukgeheugen dan mannen.

Nadat in 1826 de laatste beverfamilie in Nederland was uitgeroeid, werd de soort in 1988 met redelijk succes geherintroduceerd. De laatste jaren halen ze vooral in Limburg nogal eens het nieuws, met bevercalamiteiten als graafschade en ongewenste dammen in waterlopen. Al is calamiteit wellicht te sterk uitgedrukt als het gaat over die dammen. Die kunnen zelfs een positieve nevenwerking hebben vanwege het vasthouden van water en een verrijking brengen met het oog op de biodiversiteit.

Maar deze serie gaat niet over bevers. Die gaat over de mens, hoe wij aan de hand van waarnemingen greep proberen te krijgen op door eigen toedoen veroorzaakte menscalamiteiten.

Net als dieren gebruikten wij duizenden jaren onze zintuigen om te kunnen overleven. Het zijn skills die we ergens onderweg zijn kwijtgeraakt en nu op onze knieën proberen terug te vinden.