Brassaï bepaalde het beeld van Parijs voor de rest van de eeuw

Generaties joegen al dan niet vergeefs de romantische droom van het Parijse nachtleven na, een legende die werd gecreëerd door Brassaï, het Hongaarse ‘oog van Parijs’. 

De mythische aantrekkingskracht van Parijs had natuurlijk maar deels met die stad zelf te maken, maar waarschijnlijk meer met de mythemakers die de stad en het nachtleven tot een hardnekkige legende maakten, van Hemingway tot Van der Elsken. Het was een legende waar vervolgens generaties op stukliepen, die ook die romantische droom van het Parijse nachtleven achterna doken. Onvergetelijk is het filmfragment waarin Vali Meyers, de muze van Van der Elsken uit Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés, na jaren door het fotoboek uit 1956 bladert. De meeste van de cafégasten hebben hun hoogtijdagen in het Parijse café niet overleefd, doodgezopen, gek geworden of in de sigarettenrook verdwenen. Eeuwig jong, dat wel.

Gala Soirée te Maxim's, mei 1949.

  • Biljartster, boulevard de Rochechouart, 1932-1933.

  • Stel in een café, bij Place d’Italie, circa 1932.

Misschien was het allemaal de schuld van Brassaï. De Hongaar werd in Transsylvanië geboren als Gyula Halász (in Brasso, vandaar zijn artiestennaam), nog net in de 19de eeuw. Hij vertrok in 1924 naar Parijs, en maakte deel uit van een grote Hongaarse, artistieke kring, en hij zou er nooit meer vertrekken. Hij leerde zichzelf Frans door Proust te lezen, wat niet de laagste drempel is om over te gaan.

Hij zwierf door de nachtelijke straten en begon die stad in foto’s vast te leggen: stelletjes in cafés, prostituees, kunstenaars in hun atelier. Zijn boek Paris de nuit (Parijs bij nacht) verscheen in 1933 en legde voor de rest van de eeuw het beeld van de Parijse cultuur vast. Misschien zijn bekendste foto: een stel aan een hoektafeltje, waarbij de man zich naar voren lijkt te buigen en de vrouw naar achteren wijkt. Hun gezichten ook nog eens perfect weerspiegeld, in twee hoekspiegels. Hij voelde zich op straat net zo op zijn gemak als tussen het premièrepubliek van de opera.

Henri Matisse met zijn model, 1939.

  • Tippelaarster, bij Place d’Italie, 1939.

  • Dikke Claude en haar vriendin in Le Monocle, circa 1932.

Brassaï hield aan zijn succesvolle boek de naam ‘het oog van Parijs’ over, die hem werd gegeven door de bevriende schrijver Henry Miller. Hij was ook bevriend met Dalí, Picasso, Matisse, Giacometti en Genet, de hele artistieke voorhoede van het Parijse interbellum.

Na de oorlog kwam zijn internationale doorbraak met zijn eerste soloshow in het Museum of Modern Art. Hij overleed in 1984 in zijn huis aan de Franse Rivièra, bij Nice.

Op de Boulevard Saint-Jacques, 1930-32.

Brassai in FOAM

Brassaï. 13 september t/m 4 december 2019, Foam Amsterdam