Hoe het grootste windpark van Afrika er ondanks alles kwam

Tekst Carlijne Vos Beeld Sven Torfinn

De Nederlandse ondernemer Willem Dolleman besefte dat hij een droom kon waarmaken: het grootste windmolenpark van Afrika bouwen bij het Turkanameer in Kenia. Het zou de nomadenstammen die er woonden welvaart brengen en Kenia van de vervuilende dieselgeneratoren verlossen. Dat bleek lastiger dan gedacht.

Willem Dolleman drukt het gaspedaal van zijn Nissan Patrol nog wat dieper in. Het dorre landschap, waarin slechts een enkele kleurrijke herder met zijn vee rondscharrelt, flitst voorbij. Vanochtend vroeg is hij al vanuit zijn woonplaats Nairobi vertrokken, voor de avond is hij op zijn bestemming in het uiterste noorden van Kenia. Vroeger deed je twee dagen over die trip, maar dat was voordat de nieuwe, 200 kilometer lange weg dwars door de rotsachtige woestijn van Marsabit was aangelegd – ‘zijn’ weg, eigenlijk.

Initiatiefnemer Willem Dolleman kwam op het idee tijdens een vakantie in de buurt van Lake Turkana.

Dolleman wil dit moment voor geen goud missen. Tien jaar hebben hij en zijn partners hiernaartoe geleefd.

Het is 5 maart 2017, de wind staat precies goed. Straks hijsen de kranen de laatste van 365 windturbines omhoog. Hiermee is zijn levenswerk ‘Lake Turkana Wind Power’ voltooid: het grootste windmolenpark van Afrika. Met 630 miljoen euro is het de grootste private investering ooit in Kenia.

Daar doemen ze al op, de ranke windturbines blinken fier onder de zon in het desolate landschap, waar de wind zoals altijd met een straffe kracht vanaf de ­Indische oceaan door de ‘tunnel’ van twee bergketens waait. Dolleman ziet de herders met hun vee tussen de molens door lopen, de dieren op zoek naar iets groens tussen de dorre struiken. Zo had hij het zich voorgesteld, toen hij jaren eerder op het idee kwam.

Welke tegenwind hij in Kenia zou ontketenen, kon hij toen nog niet vermoeden. Het verzet van de nomaden die zich niet van hun grond lieten jagen; politici die stookten, saboteerden of probeerden een graantje mee te pikken; investeerders die zich terugtrokken; ruzies tussen rivaliserende stammen om de beste banen en de winst van het project.

En daar nog eens bovenop: de Keniaanse overheid die het liet afweten. Die moest het windmolenpark aansluiten op het nationale stroomnet en had beloofd dat de 428 kilometer lange transmissielijn klaar zou zijn als het park klaar was. De deadline was september 2016. Toen werd het januari 2017, en nu is het dus alweer maart. Terwijl Dolleman naar Marsabit tuft, proberen zijn Keniaanse partners de impasse met de Keniaanse overheid te doorbreken.

Fotograaf Sven Torfinn was in 2015 al eens in het gebied rond Lake Turkana. De windmolens moesten toen nog verrijzen.

Het is geen onwil, houdt de 66-jarige Dolleman, van oorsprong een polderjongen, zichzelf voor. De nationale overheid heeft zich gewoon een beetje verkeken op de lokale machtsdynamiek. Dan werpen dorpelingen ineens barricades op voor de vrachtwagens met bouwmaterialen, of ze beginnen een rechtszaak over de eigendom van de grond en dan ligt ­alles weer stil. ‘TIA’ – this is Africa – , zoals expats in Afrika tegen elkaar zeggen. Het hoort er allemaal bij.

Wat Dolleman wél steekt, zijn de beschuldigingen. Dat mensen zeggen dat hij en zijn partners met hun windmolens het gebied hebben verpest, dat ze de traditionele cultuur van de Turkana, Samburu en andere nomadenstammen hebben aangetast, hen van hun grond hebben verjaagd, dat in het kielzog van hun werklieden wereldse kwalen als prostitutie, alcoholisme en aids zijn meegekomen.

Dolleman verloor zijn hart aan het continent op de dag dat hij er voor het eerst voet aan de grond zette, nu veertig jaar geleden. Met zijn jonge bruid Marie-José was hij naar Tanzania vertrokken om voor een zaadveredelingsbedrijf te werken. Voor Dolleman was het een groot avontuur, maar zijn jonge bruid dreigde weg te kwijnen in de rimboe. Vier jaar later waagden ze de stap naar het meer ontwikkelde Kenia en begon het betere leven.

Het is al in de jaren tachtig op een gezinsuitje naar het Turkanameer dat Dolleman zijn ingeving krijgt. Het gezin gaat er vaker heen om te vissen en te genieten van de rust en het water. Dat het er altijd zo hard waait dat je er niet eens een tent kunt opzetten, deert hem niet. Dan slapen ze toch gewoon onder de blote hemel?

Het winderige gebied rond Lake Turkana is 'de droom van iedere windontwikkelaar'.

Als Dolleman op een nacht gelukzalig naar de sterren ligt te kijken, waaien de gedachten vanzelf zijn hoofd in. Hij herinnert zich de Flevopolder waar hij opgroeide als zoon van een op de nieuwe grond pionierende boer, hij denkt aan de witte koppen op de golven, de koppen die bewijzen dat de wind hier altijd uit dezelfde richting blaast, vanaf de Indische Oceaan tussen de bergkammen door naar het Turkanameer. Wat zou je niet allemaal kunnen doen met die wind!

Turkana in 2015

In 2015 reisden verslaggever Carlijne Vos en fotograaf Sven Torfinn al eens naar Lake Turkana om het windmolenproject in wording te bekijken. Toen zagen ze dat het project vooral tweespalt tussen de rivaliserende nomaden zaaide. Lees de reportage terug.

Het plan voor een windpark laat hem na die nacht niet meer los. Maar telkens als hij er met anderen over spreekt, verklaren ze hem voor gek. Hoe krijg je de opgewekte stroom daar weg? Het gebied ligt honderden kilometers van de bewoonde wereld. Pas in 2005 vindt hij een mogelijke zielsverwant: Harry Wassenaar, zijn oude buurjongen uit de polder, die in de windenergie zit.

Wassenaar komt naar Kenia. Met een derde toekomstige compagnon, Carlo van Wageningen, die ook al jaren in Afrika onderneemt, maken ze er een mannenuitje van. Ze huren een Cessna en vliegen laag over het goudgele savannelandschap. Tussen de speldenknopjes tropisch bos stuiven giraffen en olifanten weg onder het vliegtuiggeraas. Voor de lunch landt het propellervliegtuigje midden in een natuurreservaat met uitzicht op het indrukwekkende silhouet van Mount Kenya. De oer-Hollandse Wassenaar is dan al praktisch verkocht.

Als ze onder de roodroze middagzon landen op de primitieve landingsbaan bij Loyongalani zijn ze eindelijk bij Lake Turkana. Er staat geen zuchtje wind.

De windmolens worden een voor een opgestart, technici werken tot laat in de avond.  

Wassenaar begint daverend te lachen. Wacht maar, zegt de Duitse eigenaar van de hut waar ze de nacht gaan doorbrengen. Straks gaat het keihard regenen en dan komt de wind terug. Wassenaar kijkt ongelovig naar de strakblauwe hemel boven zijn hoofd en gaat slapen.

En ja hoor, die nacht worden de mannen wakker van een stortbui, waarna de wind het gordijn horizontaal houdt. Met alleen een handdoekje om hun middel stormen de mannen hun bloedhete hotelkamers uit. Deze wind bedoel ik, roept Dolleman bijna euforisch.

Dit, schreeuwt Wassenaar tegen de wind in terug, is de droom van elke windontwikkelaar.

Meteen beginnen ze met plannen maken. Wassenaar rekent voor dat het project alleen kans van slagen heeft als ze het groots aanpakken. Met slechts vijftig turbines zijn de kosten voor de aanleg van een transmissielijn van 428 kilometer te hoog. Het moeten er minstens driehonderd worden, goed voor 300 megawatt aan stroom.

Foto uit 2015: op diverse plekken in het bouwgebied zitten bewapende bewakers in wachthuisjes.  

Dolleman en Van Wageningen schrikken zich rot. 300 megawatt? Dat is bijna eenvijfde van de totale Keniaanse stroomvoorziening. Is hij wel goed bij zijn hoofd?

Maar energieman Wassenaar is onverbiddelijk. ‘Zie je hier mensen?’, vraagt hij. ‘Zie je hier een huis of een weg? Nee! Alles moet nieuw worden aangelegd. Dan heb je volume nodig.’

Van Wageningen wordt, als ervaren projectontwikkelaar in Kenia, op pad gestuurd om het plan voor te leggen aan de autoriteiten. Die verklaren hem voor gek, maar vanwege zijn connecties krijgt hij toestemming om proeven te doen.

Een vanwege de onveiligheidverlaten nederzetting in de buurt van Loyangalani in 2015. Op de achtergrond een testmast waar metingen worden gedaan voor het windmolenproject.

Een jaar later staat de eerste mast er, om windsnelheden te meten. In Duitsland, waar de uitslagen worden geanalyseerd, denken ze dat er iets mis is met de apparatuur. Dit soort constante windsnelheden hebben de experts nooit eerder gezien.

Ze sturen een monteur naar Kenia. Die constateert dat de apparatuur in orde is. ‘Jullie hebben een windmijn gevonden’, zegt hij vol ontzag.

Dan gaat de bal rollen. Met hun enthousiasme steken de drie mannen bevriende ondernemers aan. Het grootste windpark van Afrika, daar wil iedereen met een beetje lef en ondernemersgeest bij zijn. Zo ontstaat een groep ‘founding fathers’ (grondleggers) die via een nieuw opgericht consortium, KP&P Africa, het geld voor de haalbaarheidsstudies inlegt.

Om de rest van het startkapitaal te vergaren, verkopen ze op voorhand aandelen aan 88 bevriende ondernemers – voornamelijk Nederlandse windmoleneigenaren.

Ze sluiten contracten met de Keniaanse overheid voor de lease van de 66 duizend hectare grond en de afname van 310 megawatt stroom per jaar, 17 procent van de Keniaanse stroomvoorziening.

Dolleman gaat persoonlijk langs bij de stamoudsten van de verschillende leefgemeenschappen om te vertellen wat ze van plan zijn. Machtig interessant, vindt hij die ceremonies. Zit hij daar onder een boom met een kring stam­oudsten, sommige met een kalasjnikov op schoot. De vrouwen, met hun traditionele kralen en kettingen, zitten dertig meter verderop.

Eerst moet er gebeden worden, dan moet iedereen worden voorgesteld en daarna volgen lange uiteenzettingen over zaken die vaak niets met windmolens te maken hebben. Dolleman vindt de reacties soms moeilijk te peilen, maar aan het eind is er verbroedering. Iedereen lijkt het eens te zijn: dit is een mooi plan.

Dolleman weet de stamoudsten van de Turkana, de Samburu en de Rendile duidelijk te maken dat zij geen keiharde ondernemers zijn met dollartekens in de ogen. Dat ze het beste voor hebben met de plaatselijke bevolking. Dat er werk komt, dat ze toegang tot stroom krijgen, straks misschien zelfs een ijskast en een televisie zullen hebben. De vrouwen kunnen het bijna niet geloven. Televisie kijken? Dat hebben ze nog nooit gedaan, vertelt een tandeloze vrouw. Zouden haar kinderen dat echt gaan meemaken?

Dolleman beseft dat de weerslag van het project op de nog volledig traditioneel levende nomaden groot zal zijn. Dwars door hun leefgebied loopt straks een weg waar vrachtwagens af en aan rijden met bouwmaterialen. Er ontstaat een grote bouwput, om de fundering voor de windturbines aan te leggen. Het dorpje Sarima moet zelfs worden verplaatst.

Het dorpje Sirima, een kleine nederzetting waar een Turkana gemeenschap woont in 2015. Het is verplaatst zodat de bewoners geen last zouden hebben van de gestarte bouwactiviteiten. 

De wereld van de Turkana, Samburu en Rendile zal op zijn kop worden gezet. Daar moeten ze iets voor terugkrijgen, vindt Dolleman. Hij huurt een bureau in om een sociaal plan te maken.

’s Avonds op de veranda van hun huis in Nairobi fantaseren Dolleman en zijn vrouw Marie-José soms over wat ze met hun stichting Winds of Change hopen te bewerkstelligen. Stel je voor, mijmeren ze, straks produceren ze stroom voor een miljoen huishoudens. Daarmee kunnen vijf miljoen kinderen ’s avonds bij kunstlicht hun huiswerk maken. De nomaden krijgen een alternatief voor het herdersbestaan: ze kunnen gaan handelen, vlees gaan verwerken in plaats van het levend te verkopen en de vissers kunnen fabrieken beginnen.

Hebben ze te vroeg gejuicht? In 2011 haakt plotseling de Wereldbank af als verzekeraar, omdat ze te veel risico’s zien. Er komen rechtszaken waarin de Hollandse ondernemers ervan beschuldigd worden de grond oneigenlijk te hebben verkregen en de lokale bevolking niet te hebben geconsulteerd.

Het project zaait verdeeldheid onder de rivaliserende nomadengroepen, die van elkaar denken dat de andere door de ontwikkelaars worden voorgetrokken. Er vallen zelfs doden als de nomaden hun oude gewoonten oppakken en ’s nachts gewapend met kalasjnikovs elkaars vee en vrouwen stelen.

De verplaatsing van het dorpje Sarima blijkt de volmaakte splijtzwam. Het wordt bewoond door Turkana die eigenlijk niet thuishoren in het gebied dat van origine de Samburu’s toebehoort. Toch krijgen zij nu een nieuw dorp met een mooi hek eromheen. Met een waterput, een kliniek, een winkeltje zelfs, waarmee de Stichting Wind of Change zijn eerste belofte inlost.

De dochter van de Rendile-chief David Wambile maakt zich op om water te halen. Foto uit 2015.

Het maakt de Samburu en de Rendile woedend. Lokale politici stoken de vuurtjes verder op om kiezers te trekken. Ze vertellen de nomaden dat hun eeuwenoude geboortegrond voor een schijntje is weggeven aan de mannen van de windmolens en dat ze voortaan hun vee ergens anders moeten laten grazen. Mensenrechtenorganisaties bemoeien zich ermee en spreken van een klassiek voorbeeld van landroof door buitenlandse ondernemers die over de rug van de inheemse bevolking winst in Afrika komen maken.

En zo keren de nomaden met wie ze eerst vredig onder een boom zaten zich in 2013 tegen de ondernemers. Opeens zeggen ze dat ze van niets wisten, nooit iemand van het project hebben ontvangen in hun dorp. Het drijft Dolleman en zijn vrouw tot wanhoop. Hij ziet het probleem niet, hij had toch iedereen meegenomen in het proces?

Ze hebben zelfs bewijzen van het tegendeel. ‘Kijk, je staat hier op de foto.’

Ondertussen draaien Dolleman en zijn vrienden overuren om de financiering rond te krijgen. Na het afhaken van de Wereldbank zijn de ondernemers in gesprek gegaan met de African Development Bank. Het blijkt een gouden greep. Met deze organisatie valt beter samen te werken, met minder vertragende bureaucratie en onder betere voorwaarden bovendien.

Als de financiering eenmaal rond is gaat het snel. De windmolens kunnen worden gebouwd en verscheept naar ­Kenia, de grond kan bouwrijp worden gemaakt, ondanks het blijvende verzet van de plaatselijke bevolking. Als de bouw is begonnen, luwt het protest zelfs wat. De beloofde banen voor de werkloze nomaden zijn er eindelijk, de basis onder de meeste rechtszaken valt weg. De herders kunnen letterlijk onder de windturbines door lopen met hun geiten en kamelen. ‘O, we hadden het verkeerd begrepen’, zeggen de eerst zo boze nomaden nu wat schaapachtig.

Maar terwijl de bouw vordert, openbaart zich een nieuwe tegenslag. Een die Dolleman met pijn in zijn hart moet gadeslaan. Het verplaatste dorpje Sarima, dat moest dienen als model van voorspoed, heeft een metamorfose ondergaan. En niet in positieve zin. In het kielzog van de bouwvakkers hebben ook prostitutie, alcohol en qat het dorp bereikt. Het aantal besmettingen met hiv en aids is schrikbarend.

Van heinde en verre stromen behoeftige Turkana toe, in de hoop een graantje mee te pikken van de economische ontwikkeling. Het aantal inwoners vertienvoudigt tot ver boven de duizend, het dorpje barst uit zijn voegen. Overal liggen lege bierflessen, plastic en ander vuilnis. Op de manyatta’s, de traditionele ronde hutjes, prijken opeens bordjes met ‘Bar’ en ‘Nightclub’.

Dolleman vindt het verschrikkelijk om aan te zien, de bewoners lijken niet van zins de troep op te ruimen. Als rondtrekkende nomaden zijn ze niet gewend om met veel mensen op een vaste plek te wonen en die schoon te houden. Net nog hebben ze een vuilniswagen gestuurd, in de hoop dat de bewoners uiteindelijk zelf hun verantwoordelijkheid gaan ­nemen.

Hadden ze het anders moeten aanpakken?, vraagt hij zich af als hij een jaar later opnieuw naar Lake Turkana afreist. Dit keer om de windmolens met eigen ogen te zien draaien. Want in oktober 2018 is het dan zover. In groepjes worden de windmolens aangesloten op het stroomnet, eindelijk draaien de wieken. Nu kan groene stroom langzaamaan de vervuilende en dure dieselgeneratoren in Kenia gaan vervangen. Eind goed, al goed. Althans zo lijkt het. Hoofdschuddend laat Dolleman zich ter plaatse informeren over de laatste strapatsen van lokale politici, technische omissies en nieuwe uitdagingen die het project vast en zeker wachten.

Nomaden Herders hebben hun tenten opgeslagen tussen de windmolens van het project Lake Turkana Wind Power in Kenia.

Terugkijkend vindt Dolleman beslist niet dat ze naïef of paternalistisch zijn geweest. Marsabit was altijd een vergeten gebied: de Britten lieten het een eeuw geleden al links liggen en ook voor de Keniaanse regering viel er niets te halen. Nu er vooruitgang is door de ontsluiting van het gebied, gaat dat onvermijdelijk gepaard met randverschijnselen en een verlies van tradities. Er lopen meer mensen rond in westerse kleding dan voorheen. In Nederland dragen mensen ook geen klederdracht meer. Dat is jammer, zegt hij, maar mensen krijgen er veel voor terug. En modernisering sluit niet uit dat volken kunnen vasthouden aan hun cultuur. Toch?

De Nederlandse polderondernemer moet lachen. Al die jaren die ze eraan hebben moeten besteden om de overheid te overtuigen van het nut van het project voor Kenia – en nu loopt juist die overheid ermee te koop. In de media ­pochen ministers deze weken op de schaalgrootte van het woestijnproject, op de enorme besparingen voor de schatkist en de winst voor het milieu. Geen woord meer over inhalige Hollanders en landroof. In de provincie wachten ze met smart op het moment dat in de dorpen het licht aangaat en de dieselgeneratoren definitief het zwijgen wordt opgelegd.

Ondernemer Willem Dolleman heeft zijn droom waargemaakt: het grootste windmolenpark van Afrika bouwen 

Dolleman krijgt een brok in zijn keel. Nog altijd kan hij dat gevoel oproepen dat hij kreeg toen hij jaren terug bij het Turkanameer onder de sterrenhemel die enorme windkracht langs zijn lijf voelde stromen. Natuurlijk zit zijn pensioen erin, maar geld is niet wat hem drijft. Het gaat hem als ondernemer om de uitdaging. ‘Als je ergens je tanden in zet, wil je niet weglopen zonder resultaat.’

'Landroof'

Het windmolenpark bij Lake Turkana kreeg vanaf het begin kritiek, omdat het project te veel invloed zou hebben op de traditionele leefwijze van de veehoudende nomaden die er sinds mensenheugenis wonen. Volgens mensenrechtenorganisaties als Cordaid, Danwatch en Actionaid was dit een klassiek geval van landroof. Dat de Keniaanse overheid de 150duizend hectare grond heeft geleast aan de projectontwikkelaars zou onrechtmatig zijn, aangezien de gemeenschap niet zelf is geconsulteerd, laat staan dat ze is gecompenseerd voor het verlies van haar weidegrond.

Groene stroom

De projectontwikkelaars hebben zich in verscheidene rechtszaken altijd verzet tegen deze kritiek. Zij bleven van mening dat de nomaden meer profijt dan last van het project zouden hebben. Er zou werk komen, stroomvoorziening en een nieuwe weg die het afgelegen gebied met de bewoonde wereld zou verbinden en dus zou helpen ontwikkelen. Van landroof was volgens de ondernemers geen sprake, omdat de nomaden gewoon hun vee in het gebied konden blijven weiden. Bovendien zou heel Kenia profiteren van goedkopere groene stroom en zouden miljoenen Kenianen voor het eerst elektriciteit krijgen.

Leefwijzen

Toen de 200 kilometer lange weg er eenmaal lag en de windmolens er eenmaal stonden, zijn de protesten grotendeels verstomd. Ook Danwatch concludeert in zijn laatste kritische rapport van 2016 dat het project ook vooruitgang en voorspoed brengt. Feit blijft echter dat het project aantoonbaar negatieve invloed heeft gehad op de traditionele leefwijze van de nomaden. De rivaliteit tussen de stammen nam toe, met de komst van werklieden maakten prostitutie en aids hun entree in het gebied. De sociale problemen zijn wel weer wat afgenomen sinds het werk klaar is.

Meeprofiteren

Wat de uiteindelijke weerslag zal zijn moet nog blijken. Pas als het park echt draait zal duidelijk worden of de lokale gemeenschappen meeprofiteren en zich kunnen ontwikkelen zoals is afgesproken in de Stichting Wind of Change. Ook moet de overheid hen nog aansluiten op het stroomnet. De overheid is niet altijd even betrouwbaar gebleken.

Grondrechten

Wat de mensenrechtenorganisaties in deze zaak zonder meer duidelijk hebben gemaakt, is dat de grondrechten van bewoners op traditionele gemeenschapsgrond uiterst zwak zijn wanneer private ondernemers met lucratieve plannen bij een overheid aankloppen. De afspraken over landlease worden vaak boven hun hoofden gemaakt, hooguit in aanwezigheid van stamoudsten of lokale politici die er zelf iets moois voor terugkrijgen. De vaak analfabete inwoners tekenen maar wat bij een kruisje.