Van Slowakije naar Ter Aar: de reis van de arbeidsmigrant

Tekst Joost de Vries


Op het land, in de kas, als vrachtwagenchauffeur, in distributiecentra, in de bouw, in de fabriek: circa 400 duizend Oost-Europese arbeidsmigranten komen naar Nederland voor werk. Een daarvan is Erik Varjú (20). Hij vertrok uit zijn dorp in Slowakije om in Nederland te komen werken. Verslaggever Joost de Vries volgde hem op zijn reis.

‘Hij is verlegen, maar hij houdt van high fives.’ Erik Varjú (20) steekt zijn hand uit naar Enriko, zijn autistische broertje van 8. Enriko klapt tegen de hand van zijn broer en lacht een grote lach. ‘Oha!’ Dan kruipt hij weer in het spelletje op zijn computerscherm. Het jongetje ligt op de bank met zijn hoofd bijna in de laptop. Zus Bianka (16) ligt naast hem.

Buiten brandt de zon op de daken van Perin, een dorp met 1.600 inwoners. Uitgerold over de heuvels liggen graanvelden, soms onderbroken door een bos, industrie, hoogspanning. Op het platteland klinkt het gezoem van insecten, geritsel, het geluid van een enkel vliegtuig. Dit is het oosten van Slowakije. Het is vrijdagmiddag, 9 juni. Morgenochtend stapt Erik in de bus om 27 uur later aan te komen in Rotterdam. Hij gaat werken in een ijzergieterij in Noord-Holland, waar onder andere turbo’s voor auto’s worden geproduceerd. Hij gaat voor het geld. Geld dat hij deels wil sparen voor zijn familie. Enriko moet vanwege zijn autisme naar een speciale school op 25 kilometer van Perin. De school kost geld, de dagelijkse rit ernaartoe kost geld. Het is een hap uit het familiebudget.

Zijn moeder Maria (38) verdient 4 euro per uur in de nabijgelegen fabriek van Getrag Ford – het Duits-Amerikaanse bedrijf produceert er versnellingsbakken. Broer Stefan (22) verdient zo’n 500 euro per maand als verkoopmedewerker. Bianka gaat nog naar school. De zesde in huis is oma (64). Opa ligt op de begraafplaats aan de rand van het dorp. Eriks vader is vier jaar geleden vertrokken naar Bratislava. Sindsdien heeft hij niets meer van hem gehoord. In Nederland krijgt Erik 10 euro per uur.

Erik Varjú voegt zich bij de circa 400 duizend Oost-Europese arbeidsmigranten die naar Nederland zijn gekomen voor laaggeschoold werk: op het land, in de kas, als vrachtwagenchauffeur, in distributiecentra, in de bouw, in de fabriek. De migranten zijn geliefd onder werkgevers. Ze draaien ploegendiensten, werken op onmogelijke uren, zijn snel inzetbaar en gemakkelijk weer te lozen als de zaken slechter gaan – omstandigheden waar veel Nederlanders voor bedanken. De Oost-Europeanen droegen in 2016 11 miljard euro bij aan het nationaal inkomen van Nederland, berekende onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek.

Maandagochtend plaatste Erik zijn cv op een Slowaakse vacaturesite. Hij vermeldde erbij dat hij graag in Duitsland of Nederland zou werken. Een pluspunt: hij spreekt Engels. Twee uur later kreeg hij een telefoontje. Of hij over een week zou kunnen beginnen in Nederland. Ja, dat kon hij.

Twee weken eerder had hij zijn technische studie afgerond. Sindsdien bracht hij zijn tijd op zijn kamer door, Breaking Bad kijken. Hij ging alleen het huis uit om Enriko weg te brengen en op te halen. Een vriend was al een half jaar in Nederland en stuurde via WhatsApp mooie verhalen uit Amsterdam. Over een ‘red street’ en straten vol fietsen.

Oma maakt zich zorgen over het vertrek van haar kleinkind. ze wonen al een aantal jaar in hetzelfde huis.

Jongetje toch

Erik kan niet wachten om te vertrekken, zegt hij. Maar een dag voor de grote reis sluipt toch de spanning in zijn lijf. Zijn gezicht is betrokken. Hij zit op het bankje in de keuken, zijn benen wiebelen onder de tafel. Oma leunt tegen het aanrecht.

Dit kleinkind is speciaal voor haar, ze kent hem beter dan de kinderen van haar andere kinderen. Sinds zijn vader vertrok, woont het gezin bij oma. Zijn moeder slaapt met Bianka en Enriko op een kamer, Erik deelt een kamer met Stefan. Oma heeft een eigen kamer naast de keuken. Het mooiste vertrek van het huis is de gastenkamer.

‘Zijn er winkels in Nederland?’, vraagt ze. ‘Heb je pauze tijdens het werk? Krijg je dan wel te eten? Ik kook altijd. Jij kan dat niet. Hoe moet dat straks?’ Hij vertelt haar wat hij weet, veel weet hij nog niet. Er valt een stilte. ‘Chlapec, chlapec’, mompelt oma. ‘Jongetje toch.’


Specialisten kosten meer

Het telefoontje dat Erik op maandagochtend kreeg, was van Sagius Uitzenders in Košice. Het bedrijf van Marc Sagius en Ralph Righton heeft zo’n driehonderd mensen, voornamelijk Slowaken, aan het werk in Nederland. Sagius en Righton begonnen twaalf jaar geleden voor zichzelf en bouwden hun uitzendbureau op tot een bescheiden maar succesvolle onderneming.

Ze zijn een kleine speler in vergelijking met kolossen als Randstad en Otto Workforce. Ze doen bijna alles zelf, hebben weinig personeel in dienst. Wie een arbeidskracht bij ze inhuurt betaalt boven op het bruto loon 1 tot 15 euro per uur. Specialisten kosten meer dan ongeschoolde werkers. Een lasser is een stuk duurder dan een machinebediende.

Wie honderden (vooral) mannen uit een ver buitenland in Nederland aan het werk zet, maakt genoeg mee. ‘Ik kan er een boek over schrijven’, zegt Righton. Hij herinnert zich die keer dat ze midden in de nacht met een van hun mensen naar het ziekenhuis moesten, hij had zich bewusteloos gedronken. Maar de meesten gedragen zich, zeggen Sagius en Righton; hun uitzendkrachten zijn mensen die naar Nederland komen om te werken en te sparen. En wie trammelant schopt, mag de bus terug naar huis pakken.

Een meer alledaagse zorg van de uitzenders is de Nederlandse bureaucratie. De talloze tripjes naar gemeentekantoren bijvoorbeeld. Elke arbeidsmigrant moet zich fysiek melden bij een gemeenteloket voor een Burgerservicenummer (BSN). Het is een doorn in het oog van uitzendbureaus, die wekelijks met hun nieuwkomers naar een van de negentien BSN-loketten moeten reizen.

De vertegenwoordiger van Sagius in Kosice is Peter Schwarzbacher. Hij werkt al tien jaar voor het uitzendbureau. Hij maakt zich verstaanbaar in steenkolen-Duits. Slowaken uit het oosten van het land weten hoe het is om in een fabriek te werken, vertelt hij. Ten tijde van de Sovjet-Unie werden hier hoogwaardige staalproducten geproduceerd: landbouwmachines, wapentuig, auto’s, aluminium. Ook nu nog heerst het staal in Oost-Slowakije. Het Amerikaanse U.S. Steel heeft een fabriek vlak bij het dorp van Erik en is met twaalfduizend werknemers de grootste werkgever in de omgeving. Je hoeft Slowaken weinig uit te leggen wanneer je ze in Nederland achter een freesmachine zet.

Bier, wodka en Borovicka

Erik kijkt vanaf een heuvel uit over zijn dorp. Het is vrijdagmiddag, de dag voor vertrek. Hij draagt zijn favoriete pet, een shirt in legerkleuren, een zwarte broek en versleten rode gympen. In de verte staan de fabrieken van Getrag Ford en U.S. Steel. Hij houdt van deze plek. Hier kwam hij om te leren voor examens of met vrienden sigaretten te roken en herrie te maken. Niemand die je hoort.

Vrijdagavond, de Vegas Bar in Perin. Nika en Branjo vieren dat zij net zijn afgestudeerd, Erik dat hij morgen aan zijn reis begint. Het dieet: bier, wodka en Borovicka, een lokale bessenjenever. De alcohol kalmeert het gespannen lichaam. Erik drinkt, lacht, grapt. Nika geeft hem een warme omhelzing. Ze begrijpt wel dat hij gaat. Het avontuur, het geld. Bovendien is hij niet de eerste, veel jongeren uit Perin zijn al naar het buitenland vertrokken.

Zaterdagochtend drentelt zus Bianka met vochtige ogen om Erik heen. Over een uur gaat de bus. Oma is naar de kerk, ze heeft haar kleinzoon een kus gegeven toen hij nog in bed lag. Broer Stefan is voor werk in Praag. Broertje Enriko heeft zich ergens teruggetrokken en laat zich niet zien. Eriks moeder loopt nog één keer alles met hem langs. Heeft hij genoeg eten mee? Weet hij waar hij moet zijn en hoe laat? Heeft hij vervoer straks in Rotterdam? ‘Jahaa, mama.’ Alles wat hij nodig heeft zit in een grote blauwe koffer. Als de praktische zaken zijn besproken, nemen ze afscheid. Erik veegt zijn ogen droog en stapt in de auto richting het busstation.

Een gele touringcar kruipt over de E50 die horizontaal door Slowakije slingert. Bij elke flinke plaats verlaat de bus de snelweg om op een parkeerterrein of busstation mensen op te pikken en af te zetten. De meeste passagiers zijn onderweg naar Nederland of Duitsland om te werken. Ze ondergaan de reis in stilte, hun blik gericht op een film of op het landschap: bergtoppen, heuvels, bossen, open veld. Erik luistert naar muziek van de Slowaakse rapper MOMO.

’s Middags passeert de bus de grens met Tsjechië. Tijdens een overstap in Praag is er tijd voor een hamburger. Ooit bezocht Erik de Tsjechische hoofdstad. Verder van huis is hij nog nooit geweest. Diep in de nacht rijdt hij Duitsland binnen. Met het ochtendgloren volgt de bus de Rijn omhoog naar het noordwesten. ‘Welke rivier is dit?’ Met grote ogen kijkt hij naar de windmolens in het Duitse landschap. Dan Nederland in, via Venlo, Breda en Eindhoven naar Rotterdam. Wat een stad, zegt Erik. ‘Praag was de mooiste stad die ik ooit heb gezien. Nu is dat Rotterdam.’

10 vierkante meter

Huisvesting van Oost-Europese arbeidsmigranten is een groeiend probleem. Er is een tekort van minstens 100 duizend ‘fatsoenlijke verblijfplaatsen’, stelde expertisecentrum Flexwonen eind vorig jaar. Veel migranten wonen in huizen die niet voldoen aan wettelijke normen. In 2012 zijn de regels aangescherpt: een bewoner heeft recht op 10 vierkante meter ‘gebruikersoppervlak’, per acht personen moet er een toilet zijn en een douche.

Veel migranten verblijven in afgelegen ‘Polenhotels’ en op vakantieparken, maar werkgevers en uitzendbureaus zoeken ook huisvesting in woonwijken. Vaak tot ongenoegen van omwonenden, die klagen over overlast en onveiligheid. Enkele gemeenten stelden dit jaar grenzen aan de instroom. In het Gelderse Tiel, waar 10 procent van de bewoners Oost-Europees is, is nieuw beleid afgesproken: maximaal vier migranten per huis en een maximum aantal ‘Polenhuizen’ per straat. ‘Er is niks mis met arbeidsmigranten’, zei de burgemeester in de krant. Velen werken in de nabijgelegen kassen, ‘maar door hun clustering in sommige straten ontstaat toch een andere dynamiek in de wijk’.

Het vakantiepark waar Erik Varjú verblijft vormt een migrantenenclave aan de rand van Ter Aar, hier spreekt niemand Nederlands. Erik kijkt wat teleurgesteld wanneer hij het chalet binnenstapt. Het huisje telt drie slaapkamers, een woonkamer met keuken en een badkamertje. Als nieuwkomer moet hij een kamer delen. Thuis droomde hij in hun volle huis van meer privacy. Die zal hij hier voorlopig niet vinden.

Dusan Chovancak neemt met Erik het papierwerk door: zijn rooster, verzekeringen, de huisregels, zijn loonstrook. Hij gaat werken in ploegendiensten van acht uur: ’s ochtends, ’s middags of ’s nachts. Per vijf diensten krijgt hij twee vrije dagen, al zijn die niet altijd aaneensluitend. Over zeven weken heeft hij twee weken vrij. Zijn uurloon: 9,70 euro netto. Erik tekent voor de voorwaarden. Tien euro is ruim het dubbele van wat hij thuis kan verdienen. ‘Morgen begin je. Volgende week krijg je je eerste salaris’, zegt Chovancak.

Zijn huisgenoten zijn twee twintigers uit Slowakije en Tsjechië, Milan en Honsa, en een 53-jarige Slowaak die (eveneens) Dusan heet. Deze huisoudste heeft in zijn acht jaar in Nederland alles al eens meegemaakt. Voorheen woonden in dit park zes mensen in een chalet, zegt hij. De meeste bewoners zijn Pools, hij heeft er weinig mee op. Als je ze alleen treft zijn het goeie jongens, maar in groepen gaat het mis, zegt hij. ‘Ik heb ze zien vechten met messen.’ En al die regels, hij wordt er gek van. Niet roken in huis, geen barbecue in de tuin. De gemeente komt geregeld onaangekondigd controleren. En zie je die antennes? Daar komt ‘gratis wifi’ uit, van gratis kwaliteit.

Genoeg geklaagd. ‘Meestal is het hier rustig.’ Tijd voor een wodka voor Erik.

Vloeibaar staal

Maandagmiddag, de ijzergieterij. In de fabriek is de stilte van zijn dorp Perin heel ver weg. Hier heersen sissende, ratelende, stampende machines. Alles is bedekt met stof, slijpsel, verbrand zand. De eigenaar van de ijzergieterij heeft de Volkskrant toegestaan een dag over de schouder van Erik mee te kijken, op voorwaarde dat zijn fabriek niet met naam wordt opgevoerd.

Een heftruck giet een enorme pan met vloeibaar staal (1.500 graden celsius) leeg in een emmer – alsof een bak lava wordt omgekiept. Mannen met maskers vullen mallen met vloeibaar staal. Een lopende band voert de stomende mallen de buik van de fabriek in: een enorme, trillende ‘trommel’. Aan de andere kant staan mannen die met grote hamers de gestolde auto-onderdelen uit hun frames slaan.

In een aanpalende ruimte werkt Erik. Hij controleert ‘kernen’, de binnenkanten van de mallen, gemaakt van zand en klei. Erik moet met een mesje kleine oneffenheden van de kernen schrapen. Veel intelligentie is er niet voor nodig. Precisie wel. Bevalt het? Hij kijkt naar de vloer. ‘Het is niet moeilijk.’


Volgens onderzoeksbureau SEO is er geen sprake van verdringing van Nederlandse werknemers door Oost-Europese arbeiders. ‘Migranten uit Midden- en Oost-Europa zijn bereid werk te verrichten waarvoor nauwelijks binnenlandse werknemers zijn te vinden’, stelt een rapport dat dit voorjaar verscheen. Als werkgevers meer zouden moeten uitgeven om hun bedrijven aantrekkelijker te maken voor Nederlanders, zouden ze de concurrentie met het buitenland niet meer aankunnen, schreven de onderzoekers.

Zo denkt Ralph Righton van Sagius Uitzenders er ook over. ‘Zonder migranten zou deze industrie hier niet meer zijn.’ Het is hard werk, beaamt hij, vies en weinig verheffend. Maar, benadrukt hij ook, alles gaat volgens de regels. Erik verdient meer dan het minimumloon en werkt volgens de voorwaarden van de metalektro-cao. Hij bouwt vakantiedagen en vakantiegeld op. Tegelijk is zijn positie kwetsbaar. Hij bevindt zich in een vreemd land, spreekt de taal niet, is afhankelijk van het uitzendbureau. De kans dat hij zich met zijn collega’s organiseert om betere arbeidsvoorwaarden te eisen, is klein.

Hij lijkt bij Sagius Uitzenders in goede handen. Het uitzendbureau komt zijn afspraken na, zegt Dusan, Eriks oudere huisgenoot. Het grootste risico voor jonge arbeidsmigranten zijn zijzelf, denkt Dusan. Hij heeft genoeg jongens gezien die zichzelf verloren in alcohol en drugs. Erik heeft het vaste voornemen de verleidingen te weerstaan. ‘Ik hoop dat ik geen geld uitgeef aan stupid shit.’


Diepvriespizza's en sigaretten

De branding spoelt over zijn voeten. Voor het eerst ziet Erik de zee. ‘Ik had verwacht dat ik de bergen zou gaan missen. Vanaf nu mis ik ook de zee.’ Het is eind juni, Erik is bijna drie weken in Nederland. Nog een maand te gaan tot hij weer even naar huis kan. Het werk valt hem zwaar. Na die eerste dag wilde hij nooit meer een stap in de fabriek zetten, vertelt hij. ’s Nachts stuurde hij een berichtje aan zijn zus: ‘Ik weet niet of ik dit ga volhouden.’ Het lawaai, de hitte, de herhaling. Maar vooral het stof dat in zijn oren, neusgaten, haar en mond kroop. ‘Ik wilde heel graag naar huis.’

Maar dat ging niet. Hij was zo opgetogen geweest voor zijn vertrek, zo enthousiast tegenover vrienden en familie. ‘Ik zou me ontzettend schamen.’ Bovendien zou het geldverspilling zijn. Dus ging hij de volgende dag weer naar de fabriek. De tweede shift was iets dragelijker dan de eerste, de derde alweer beter dan de tweede. ‘Nu gaat het wel.’

Buiten werktijd slaapt hij veel. Vooral de nachtdiensten putten hem uit. Per dienst moet hij met een collega zeshonderd kernen maken. Zijn Nederlandse leidinggevende is vriendelijk en direct. Soms wijst hij Erik op een gemiste oneffen plek. ‘Hij weet dat ik nieuw ben en nog moet leren.’ ’s Nachts staat de baas extra koffie- en rookpauzes toe. ‘We worden niet voortdurend gepusht om harder te werken. In Slowakije is het precies andersom.’

Al kan ook de Nederlandse werkgever dwingend zijn. Overwerk is niet verplicht, maar wordt wel verwacht, is Eriks ervaring. Hij weigerde twee extra diensten, maar kreeg te verstaan dat hij moest gaan. Ook het uitzendbureau belde om een beroep op hem te doen. Hij werkte alsnog een van de twee diensten. De vier vrije dagen die hij nu heeft laat hij zich niet afpakken. ‘Als ze bellen, neem ik niet op.’

Hij verlaat het vakantiepark nauwelijks, dit tripje naar het strand is een uitzondering. Het leven in Ter Aar bestaat uit series kijken, diepvriespizza’s eten, sigaretten roken, appen met thuis, slapen. Dat laatste wordt geregeld verstoord door kamergenoot Milan, die om onduidelijke redenen soms harde kreten uitslaat en op luid volume films kijkt. Een enkele keer koopt Dusan een fles wodka en wordt er een avond gedronken. Erik mist de dronken nachten in de Vegas Bar. Af en toe belt zijn moeder om te vragen hoe het gaat en of hij wel goed eet.

Alleen met huisgenoot Honsa kan Erik echt goed opschieten. Laatst had hij een nachtdienst en Honsa een ochtenddienst. Zijn huisgenoot gaf hem een peptalk. ‘Kop op, zei hij, als je me in de ochtend ziet ben je blij. En dat was ook zo, toen was ik klaar en moest hij beginnen.’

Het geld maakt veel goed. Hij heeft inmiddels twee weeksalarissen binnen. ‘Meer dan een Slowaaks maandsalaris. Man, ik heb nu ruim 700 euro!’ Zus Bianka appte dat broertje Enriko wil dat Erik een opblaaszwembad voor hem koopt als hij terugkomt.


Amerikanen spreken over ‘3d-banen’, zegt socioloog Monique Kremer, verbonden aan de UvA. Dirty, dangerous and demeaning, oftewel vies, gevaarlijk en vernederend. Kremer schreef het boek Vreemden in de verzorgingsstaat (2013), over de gevolgen van arbeidsmigratie voor de sociale zekerheid. Het is geen zwart-witvraagstuk, benadrukt ze.

Op korte termijn profiteert de verzorgingsstaat van de arbeidskrachten uit het buitenland, stelt Kremer. ‘De mensen die hier tijdelijk werken, maken nauwelijks gebruik van sociale zekerheid. Ze dragen belastingen af, maar ontvangen minder bijstand en uitkeringen dan autochtone Nederlanders.’

Dat verandert wanneer migranten besluiten te blijven. ‘Wanneer ze verliefd worden en kinderen krijgen.’ Dan ontberen ze een loopbaan en een opleiding, zaken die ze nodig hebben om in Nederland mee te kunnen komen. ‘Werkgevers investeren niet in deze groep. De migranten werken zich het schompes en gaan ook niet zelf na een dag in de fabriek nog een cursus Nederlands volgen.’

Ook de bedrijven die veel met migranten werken, kunnen op termijn tegen problemen aanlopen, zegt Kremer. ‘Het is soms makkelijker om flexkrachten uit het buitenland te halen dan in een sector te investeren.’ Het gevolg: kennis gaat verloren omdat het personeel niet wordt opgeleid en bovendien na verloop van tijd weer vertrekt. Wanneer het aanbod van migranten opdroogt, zijn er geen lokale mensen of machines om op terug te vallen.

Als Erik verknocht raakt aan Nederland, zal hij er zelf zijn weg moeten vinden. Kremer: ‘Ik hou mijn hart vast voor deze jongen.’

Een vrouw met platinablond haar in zwarte lingerie tikt op het glas. De red street, de Amsterdamse Wallen. Erik moest het een keer zien. Het blijft bij kijken. Ook in de coffeeshop raakt hij niets aan. Hij heeft liever alcohol, maar van drinken komt het in Nederland nauwelijks. Het is half juli. Over twee weken zit zijn eerste periode erop.

Erik is eruit: dit was het. Straks gaat hij naar huis en hij komt niet meer terug. Zijn broer heeft werk voor hem gevonden in een fabriek dicht bij huis. Er worden frisdrankblikjes geproduceerd, het is schoon werk. Wel voor minder geld – eenderde van wat hij in Nederland verdient – maar hij hoeft zijn familie en vrienden dan niet meer te missen.

Al bevalt het verblijf in Nederland steeds beter. De spanning van de eerste weken is verdwenen. Hij heeft doorgezet en is staande gebleven. Anderen gaven wel op. Onlangs stopten twee nieuwkomers al na één shift. ‘Gelukkig’, dacht hij, ‘ik was niet de enige die het begin verschrikkelijk vond.’

Plots zegt hij: ‘Ik vind het werk leuk.’ Sinds een week is hij persoonlijk verantwoordelijk voor een van de machines. Hij bedient het apparaat, houdt het van binnen schoon en grijpt in als er iets vastloopt. Het maakt een wereld van verschil. ‘Ik heb ontdekt dat ik hou van het werken met machines, meer dan van werken met mensen. Ieder mens is verschillend, maar een machine is een machine.’ Als het zou kunnen zou hij de fabriek verplaatsen naar Slowakije en er blijven werken. Nu het einde in zicht is, koestert hij zelfs het overwerk. Hij wil met zo veel mogelijk geld op zak naar huis.

'Denk er nog eens over na'

De gele touringcar vertrekt vanaf Amsterdam Zeeburg. Het is eind juli. De laatste weken waren zwaar. Een hittegolf dreef de temperatuur in de fabriek op tot 45 graden. Het werk ging door. De werkgever deelde kleine blikjes frisdrank uit voor wat verkoeling.

Een paar dagen geleden kwam Chovancak, de medewerker van Sagius, naar de fabriek om Erik op andere gedachten te brengen. Denk er nog eens over na, zei hij, en neem een paar weken extra vakantie als je dat wilt. ‘En kom dan terug. We hebben graag jongens zoals jij, die hun werk goed doen en geen fratsen uithalen.’

Nu hij op het punt staat om naar huis te gaan, durft hij niet meer met zekerheid te zeggen dat hij nooit meer terugkomt. Na zeven weken in Nederland staat er ruim 2.000 euro op zijn rekening. Hij zal het werk in de fabriek geen jaren volhouden, maar de laatste weken had hij er plezier in. Als hij terugkomt – áls – dan pas in september. Hij wil in elk geval de hele maand augustus thuis zijn.

De zon bakt het asfalt van het parkeerterrein. In de touringcar blaast de airconditioning 15 graden van de hitte af. Erik stapt de bus in op zijn rode, afgetrapte gympen. Thuis wacht hem een luxeprobleem: de ene vriendengroep heeft hem uitgenodigd voor een groot muziekfestival, andere vrienden geven een huisfeest. Eén ding is zeker: morgenavond gaat hij drinken.

Bericht uit Slowakije, begin augustus: Enriko wilde toch liever een mobiele telefoon dan een opblaaszwembad. Erik kocht een nieuwe, gaf zijn oude telefoon aan Bianka, die op haar beurt haar telefoon aan Enriko gaf. ‘Oha!’

Zo verveeld als Erik begin juni was, toen de lome zomer zich voor hem uitstrekte, zoveel plezier beleeft hij in augustus na twee maanden te hebben gewerkt. ‘De zomer vliegt voorbij’, schrijft hij. ‘Bijna dagelijks ben ik op pad naar een feestje of festival. Ik geef veel geld uit, dus misschien ga ik wel terug.’

Nog 200 euro over

21 september, zaterdagavond. Centrifugale krachten duwen Eriks lichaam in zijn stoel. De attractie heet G-Force en staat op de kermis op het Malieveld in Den Haag. Erik zwiert rond, vliegt de hoogte in, elektronische muziek pompt uit de speakers. Wanneer hij weer op de grond staat, is zijn pet verdwenen. ‘Zullen we nog een keer?’, zegt hij.

Hij is sinds drie weken terug in Nederland. Weer valt het hem zwaar.

Augustus was één lange roes. ‘Ik heb het bijgehouden, ik heb maar één dag niet gedronken.’ Elke dag was hij omringd door vrienden en familie en was zijn broekzak gevuld met geld. Op zijn kosten ging het gezin op vakantie naar Polen. Vijf uur lang struinde hij de winkelstraten van Kosiçe af op zoek naar de perfecte sneakers. Het werden Puma’s. De rode gympen konden de prullenbak in.

Het leven met geld kende ook nieuwe risico’s. Hij vergat zijn portemonnee in een restaurant. De volgende dag was zijn beurs er nog, maar de 70 euro waren verdwenen. Op een festival werd hij beroofd, hij had 150 euro op zak. Dan was er nog het gat in zijn hand. Na een maand had hij 200 euro over van de 2.000 waarmee hij was thuisgekomen.

Alleen in Nederland kan hij weer zo’n bedrag vergaren. Het plaatst hem voor een onvoorzien dilemma. Hij is pas 20 en geen enkele baan in Slowakije kan hem meer interesseren. Dus is hij terug, maar niet van harte. ‘Ter Aar maakt me kapot’, zegt hij. In het chalet overheersen de verveling en de eenzaamheid. ‘Een maand lang zag ik elke dag mijn vrienden. Plotseling was ik weer alleen.’

Kamergenoot Milan is weggebleven, dat maakt het leven in de bungalow iets makkelijker. Hij kan ongestoord slapen. Maar liever is hij in de fabriek, aan het werk achter zijn machine of grapjes makend met collega’s. Daar is hij minder onzeker. Hij kan het goed vinden met zijn Nederlandse teamleider, liefkozend schelden ze elkaar de huid vol, mannen onder elkaar.

Op vrije dagen ontbreekt nog het lef om het land te verkennen. Hij heeft vrienden en drank nodig om los te komen. Als die ingrediënten aanwezig zijn, stapt hij in een waanzinnige kermisattractie. Dan zegt hij openhartige dingen als: ‘Ik ben verlegen. Iemand moet mij aan mensen voorstellen. Al mijn vrienden thuis ken ik via mijn zus.’

Toch groeit het zelfvertrouwen. Hij ging een paar keer met de bus het dorp uit. Op internet zocht hij naar een kamer in Amsterdam. Als hij iets betaalbaars vindt, verhuist hij. In zijn hoofd vormen zich nieuwe toekomstplannen. Werken in Nederland tot het voorjaar. Een mooi bedrag bij elkaar sparen. En dan een vervolgopleiding doen in Slowakije. ‘Ik wil doorleren, me specialiseren. Dan kan ik nog meer verdienen.’

Woensdag 10 oktober, bericht uit Ter Aar: ‘Ik ben ontslagen.’ Dusan Chovancak kwam het vanochtend vertellen: er moeten mensen uit. 'Soms vervloek ik deze plek’, schrijft Erik, ‘toch denk ik dat ik het hier ga missen.’ Hij reserveert een busticket voor vrijdag. Je hoeft niet naar huis, zei het uitzendbureau. 'Je kan nog een week door in de fabriek en als je wilt, hebben we daarna ander werk voor je.’


Vrijdagmiddag, nieuw bericht uit Ter Aar: ‘Ik heb de bus gecanceld. Ik blijf nog een week.’